Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9906

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
200.110.615-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanspraak op een bruidsschat. De vrouw heeft reeds in Iran haar bruidsschat opgeëist en de Iraanse rechter heeft vastgesteld dat de man deze aan haar dient te betalen. Met inachtneming van de in de jurisprudentie ontwikkelde vereisten (Bontmantel-arrest) komt het hof tot het oordeel dat gewicht moet worden toegekend aan de uitspraken van de Iraanse rechter en dat daaraan gezag kan worden toegekend. Het hof beoordeelt de vordering van de vrouw ter zake de bruidsschat dan ook in het licht van de uitspraken van de Iraanse rechter.

Gelet op de rechtsverhouding tussen partijen waaruit de bruidsschatvordering voortkomt is duidelijk dat het gaat om een door partijen zelf overeengekomen verbintenis, zodat sprake is van een overeenkomst. De vraag naar het bestaan van een aanspraak op de bruidsschat dient te worden beoordeeld naar het recht waarnaar die aanspraak tot stand zou zijn gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. Naar het oordeel van het hof dient te worden aangenomen dat partijen de in het huwelijkscontract opgenomen bepaling ter zake de bruidsschat naar Iraans recht zijn overeengekomen.

Beide partijen hebben zich uitgesproken over het karakter van de bruidsschat. De bruidsschat naar Iraans recht heeft naar het oordeel van het hof een geheel eigen karakter waardoor zij niet gelijk is te stellen aan partneralimentatie of een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. De bruidsschat kan dan ook niet worden ondergebracht in een van deze rechtsfiguren en laat daarmee andere nevenvoorzieningen in beginsel onverlet.

Betaling van de bruidsschat houdt wel verband met een onderhoudsverplichting van de man en een onderhoudsbehoefte van de vrouw, in die zin dat het rendement op het mogelijke vermogen van de vrouw haar behoeftigheid zal verlagen en de eventuele schuld die de man moet aangaan om de bruidsschat te voldoen zijn draagkracht zal verlagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/90

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.110.615/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 127545/HA ZA 11-536)

arrest van de tweede kamer van 24 december 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. B.H. Werink, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man,

advocaat: mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 12 oktober 2011 en 9 mei 2012 van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 juli 2012,

- de memorie van grieven, tevens inhoudend verzoek tot vermeerdering van eis (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens grief in incidenteel appel (met productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel appel,

- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd.

2.2

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van de vrouw luidt:

"Redenen waarom [appellante] het gerechtshof vraagt:
- haar toe te staan haar eis te vermeerderen;
- het vonnis van de rechtbank Groningen van 9 mei 2012 (…) te vernietigen;
- [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 188.968 (…), althans een door het Gerechtshof in redelijkheid te bepalen bedrag, ter zake van de bruidsschat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van uitbrenging van de dagvaarding in eerste aanleg;
- [geïntimeerde] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [appellante] een overzicht te verstrekken, voor zover mogelijk voorzien van bewijsstukken, waaruit duidelijk naar voren komt hoe de groei van zijn vermogen ten tijde van de huwelijkse periode is geweest, en tevens te bepalen dat [geïntimeerde] een bedrag van € 500,- per dag als dwangsom aan [appellante] verschuldigd zal zijn voor elke dag die hij hierin in gebreke is, met een maximum van € 25.000,-;
- Het door [geïntimeerde] te verschaffen overzicht te beoordelen en te bepalen welk bedrag [geïntimeerde] ter zake van de aangroei van zijn vermogen ten tijde van het huwelijk met [appellante] aan [appellante] dient te voldoen;
- [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure en van de procedure in eerste aanleg."

2.4

In incidenteel appel heeft de man gevorderd:

"(…)

in incidenteel appel:

I in aanvulling op het vonnis op 9 mei 2012 door de rechtbank te Groningen (…) tussen partijen gewezen, een verklaring voor recht bij beschikking af te geven inhoudende dat, de bruidschat opgenomen in het huwelijkscontract van partijen naar Nederlands recht wordt gekwalificeerd als een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de man reeds vanaf 1 september 2009 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud verricht, door vanaf die datum partneralimentatie aan de vrouw te voldoen;
II de vrouw te veroordelen een schriftelijke verklaring te ondertekenen waarin de hoogte van de door haar vanaf 1 september 2009 ontvangen partneralimentatie wordt genoemd, alsook het bedrag dat zij per maand ontvangt, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
III danwel een zodanige beslissing in aanvulling op het vonnis d.d. 9 mei 2012 door de rechtbank te Groningen (…) tussen partijen gewezen te nemen zoals Uw gerechtshof in goede justitie noodzakelijk acht;

In principaal en incidenteel appel:

I de vrouw te veroordelen in de gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten van het hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het ten dezen te wijzen (eind)arrest en - voor het geval voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met een bedrag van € 131,- voor nasalaris en - indien betekening van dit arrest zal plaatsvinden - met een bedrag van € 68,- ter zake van de kosten van dat exploot ".

3 De feiten

3.1

De tussen partijen vaststaande feiten, zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis van 9 mei 2012 onder rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.8 zijn vastgesteld, zijn niet in geschil. Aldus gaat het hof van dezelfde feiten uit. Deze feiten komen, aangevuld met hetgeen in hoger beroep is komen vast te staan, op het volgende neer.

3.2

De man en de vrouw zijn [in 2000] in Teheran (Iran) met elkaar gehuwd.

3.3

Ter gelegenheid van het huwelijk in Iran hebben partijen een huwelijkscontract getekend. Blijkens de vertaling in de Engelse taal is in dat contract onder andere opgenomen:

"Marriage portion: One volume of Holy Quran, an ornamental mirror and a pair of candelabra, which bride conceded to have received and four hundred pieces of Azadi gold coins, which shall be remitted to bride any time upon her demand.
(…)
Bride and groom have agreed that any time a divorce should occur without such divorce being petitioned by bride and without it being on grounds of her default of her conjucal duties or on grounds of her misconduct, groom will be bound to transfer to bride a percentage of his wealth and assets to as much as fifty percent which he has accumulated during his marriage with bride or pay her its equivalent in value."

3.4

De man heeft vanaf 1988 zijn gewone verblijfplaats in Nederland gehad en is na de huwelijkssluiting in Iran teruggekeerd naar Nederland. De vrouw heeft zich in 2001 bij de man in Nederland gevoegd. [in 2002] is [minderjarige] uit het huwelijk geboren.

3.5

De man en de vrouw zijn vanaf [2004] gescheiden gaan wonen. De vrouw heeft op 8 november 2005 een verzoek bij de rechtbank Groningen ingediend teneinde een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] ten laste van de man vast te stellen. Het verzoek is door de rechtbank toegewezen op grond waarvan de man met ingang van 1 december 2005 een kinderalimentatie aan de vrouw was verschuldigd ter hoogte van € 450,- per maand.

3.6

Op 11 maart 2008 heeft de man een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank Groningen ingediend. In het hierop door de vrouw ingediende verweerschrift heeft de vrouw tevens een aantal zelfstandige tegenverzoeken geformuleerd. Als tegenverzoek is onder andere in het verweerschrift opgenomen:

"(…) ter afwikkeling van het Iraanse huwelijksgoederenregime waarin partijen zijn gehuwd, inhoudende dat er geen gemeenschap van goederen is ontstaan (…). Voorts te bepalen, op grond van de huwelijksakte, dat de man de helft van zijn bezittingen aan de vrouw zal afgeven, dan wel de nader vast te stellen waarde van de helft van zijn bezittingen aan de vrouw zal betalen. (…)"

3.7

Op 10 februari 2009 heeft de rechtbank Groningen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In deze beschikking is Nederlands recht van toepassing verklaard op het verzoek tot echtscheiding. De toepasselijkheid van Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding is bevestigd bij beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 25 maart 2010.

3.8

De rechtbank Groningen heeft bij beschikking d.d. 1 september 2009 beslist dat het Iraanse recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime. De rechtbank heeft met betrekking tot de huwelijksgoederengemeenschap en het verzoek van de man tot verdeling daarvan vervolgens het volgende overwogen:

"(…) Het Iraanse recht kent geen andere stelsels dan volledige uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap.
Nu de rechtbank het Iraanse recht van toepassing acht op het huwelijksgoederenregime van partijen is er tussen hen geen sprake van een huwelijksgoederengemeenschap.
De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt dan ook afwijzen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat er - zoals de man heeft verklaard en door de vrouw niet is weersproken - ook in Iran procedures aanhangig zijn ten aanzien van zich in Iran bevindende boedelbestanddelen van partijen. (…)"

Voorts heeft de rechtbank bij voornoemde beschikking beslist dat de man een maandelijkse kinderalimentatie van € 420,- dient te betalen, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die de man op grond van de geldende wetten of regelingen ten behoeve van [minderjarige] kan of zal worden verleend, alsmede dat hij een maandelijkse partneralimentatie van € 875,- dient te voldoen.

3.9

De echtscheiding van partijen is op 28 juli 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.

4 De procedure en de beoordeling van het geschil in eerste aanleg

4.1

De vrouw heeft in eerste aanleg - samengevat weergegeven - veroordeling van de man gevorderd tot betaling aan haar van € 61.713,- ter zake de bruidsschat, vermeerderd met rente en kosten, alsmede - op straffe van een dwangsom - inzicht in en de beoordeling van de vermogensgroei ten tijde van de huwelijkse periode in het kader van gedeeltelijke toedeling hiervan aan de vrouw.

4.2

De man heeft verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering met betrekking tot de bepaling en beoordeling van de vermogensgroei van de man in het kader van een gedeeltelijke toedeling hiervan aan de vrouw. De overige vorderingen zijn door de rechtbank afgewezen en de kosten van de procedure zijn tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De vermeerdering van eis

5.1

De vrouw wenst in hoger beroep haar eis te vermeerderen. In eerste aanleg heeft zij de waarde van de bruidsschat bepaald op € 61.713,-. Door de stijging van de goudprijs kan de waarde van de bruidsschat volgens de vrouw thans echter worden gesteld op een bedrag van € 188.968,-, reden waarom de vrouw haar vordering ter zake van de tot de bruidsschat behorende gouden munten wenst te verhogen tot € 188.968,-.

5.2

De man is van mening dat de vermeerdering van eis van de vrouw in strijd is met de redelijkheid en billijkheid c.q. de openbare orde. De man stelt hiertoe dat de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van de bruidsschat niet toewijsbaar is aangezien hij reeds partneralimentatie betaalt. Daarbij is zowel het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 61.713,- als het bij memorie van grieven gevorderde bedrag van € 188.968,- onjuist nu daarin tevens executiekosten zijn begrepen, aldus de man.

5.3

Het hof overweegt als volgt. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Uit het in verband daarmee gestelde blijkt evenwel dat het bezwaar betrekking heeft op de inhoud van de vermeerderde eis, en geen processueel bezwaar betreft tegen de vermeerdering van eis in de zin van artikel 130 Rv. Nu overigens niet is toegelicht dat door de vermeerdering van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt, is het bezwaar van de man ongegrond.
Het hof ziet geen aanleiding de eisvermeerdering ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.

5.4

Het hof zal gelet op het vorenstaande rechtdoen op de eis van de vrouw zoals zij deze bij memorie van grieven heeft vermeerderd.

6 Het incidenteel appel

6.1

De man heeft in incidenteel appel gesteld dat de rechtbank de vordering van de vrouw met betrekking tot de bruidsschat terecht heeft afgewezen. De man vordert in incidenteel appel - in aanvulling op het vonnis waarvan beroep - een verklaring voor recht bij beschikking af te geven inhoudende dat de bruidsschat opgenomen in het huwelijkscontract van partijen naar Nederlands recht wordt gekwalificeerd als een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw terwijl de man reeds vanaf 1 september 2009 een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud verricht, door vanaf die datum partneralimentatie aan de vrouw te voldoen. Voorts vordert de man de vrouw te veroordelen een schriftelijke verklaring te ondertekenen waarin de hoogte van de door haar vanaf 1 september 2009 ontvangen partneralimentatie wordt genoemd, alsook het bedrag dat zij per maand ontvangt, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.

6.2

Het hof is van oordeel dat hetgeen de man in incidenteel appel heeft gesteld als een eis in reconventie moet worden opgevat, terwijl een dergelijke eis reeds daarom niet aan de orde kan komen omdat artikel 353 lid 1 Rv bepaalt dat een eis in reconventie in hoger beroep niet voor het eerst gedaan kan worden.

6.3

Het hof zal de man dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn incidenteel appel.

7 Het principaal appel

7.1

De vrouw heeft in principaal appel vijf grieven opgeworpen. Blijkens de grieven in principaal appel en de daarop gegeven toelichting spitst het geschil zich in hoger beroep thans nog toe op de volgende punten: de inzage in de vermogensopbouw aan de zijde van de man en de bruidsschat. Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken.


De inzage in de vermogensopbouw aan de zijde van de man (grief 1 en 2 principaal appel)

7.2

Met haar eerste grief komt de vrouw op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de vrouw ten aanzien van de vermogensgroei op grond van het tussen partijen gesloten huwelijkscontract geen onderdeel uit kan maken van de onderhavige procedure, zodat de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering ter zake van de vermogensgroei.
De vrouw erkent dat de kwestie van de boedelverdeling reeds aan de orde is geweest in de procedure welke geleid heeft tot de (eind)beschikking van de rechtbank Groningen van 1 september 2009 (hierna: de echtscheidingsprocedure). In die procedure is het verzoek van de man om partijen te veroordelen tot verdeling van de huwelijksgemeenschap over te gaan, afgewezen, nu de rechtbank Iraans recht van toepassing heeft verklaard op het huwelijksgoederenregime en er bovendien in Iran procedures aanhangig zouden zijn ten aanzien van zich daar bevindende boedelbestanddelen. De vrouw heeft in de echtscheidingsprocedure tegenverzoeken gedaan waarover de rechtbank destijds geen (expliciet) oordeel heeft gegeven. Naar de mening van de vrouw heeft de rechtbank evenwel bedoeld te oordelen dat ook aan de beoordeling van de door haar gedane tegenverzoeken niet kan worden toegekomen, nu deze kwesties in Iran onder de rechter zouden zijn. Thans is duidelijk dat er geen uitspraken van Iraanse rechters zijn over de boedelverdeling, en dat er evenmin procedures over dit onderwerp gaande zijn in Iran. De vrouw is daarom van mening dat er thans geen belemmeringen meer bestaan voor de Nederlandse rechter om kennis te nemen van haar verzoeken.

7.3

De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar vordering ter zake van de vermogensgroei op grond van het tussen partijen gesloten huwelijkscontract nu het vonnis van de rechtbank Groningen van 1 september 2009 gezag van gewijsde heeft en daarin de verzoeken van de vrouw zijn afgewezen. Voorts is geen sprake van nieuwe omstandigheden op grond waarvan de vorderingen van de vrouw in de onderhavige procedure wel ontvankelijk zouden moeten worden verklaard. De vrouw was, zo stelt de man, reeds in 2008/2009 bekend met de (aard van de) procedure in Iran zodat dit na die tijd - dat wil zeggen ten tijde van de procedure bij de rechtbank Groningen welke heeft geleid tot het vonnis waarvan beroep - geen nieuwe omstandigheid kan opleveren.

7.4

Het hof stelt voorop dat de vrouw in de echtscheidingsprocedure door middel van een zelfstandig tegenverzoek heeft verzocht: "(…) ter afwikkeling van het Iraanse huwelijksgoederenregime waarin partijen zijn gehuwd, inhoudende dat er geen gemeenschap van goederen is ontstaan (…). Voorts te bepalen, op grond van de huwelijksakte, dat de man de helft van zijn bezittingen aan de vrouw zal afgeven, dan wel de nader vast te stellen waarde van de helft van zijn bezittingen aan de vrouw zal betalen (…)".

7.5

In haar beschikking van 1 september 2009 heeft de rechtbank het volgende overwogen: "Ten aanzien van de door de man verzochte verdeling van de huwelijksgemeenschap overweegt de rechtbank het volgende. Het Iraans recht kent geen andere stelsels dan volledige uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap. Nu de rechtbank het Iraans recht van toepassing acht op het huwelijksgoederenregime van partijen is er tussen hen geen sprake van een huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank zal het verzoek van de man op dit punt dan ook afwijzen. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat er - zoals de man heeft verklaard en door de vrouw niet is weersproken - ook in Iran procedures aanhangig zijn ten aanzien van de in Iran bevindende boedelbestanddelen van partijen. Daarnaast heeft de vrouw een gerechtelijk schrijven van de Justice Administration van 30 januari 2008 overgelegd waarin de man wordt verplicht de bruidsschat aan de vrouw terug te betalen en waarin wordt vermeld dat hij, zolang hij dat niet heeft gedaan, Iran niet mag verlaten, mocht hij zich daar bevinden."

7.6

De hiervoor aangehaalde rechtsoverweging heeft wat de bewoordingen ervan betreft enkel betrekking op bedoeld verzoek van de man. Met die rechtsoverweging wordt immers de afwijzing van het verzoek van de man gemotiveerd. Bij dit oordeel heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat het geschil wat betreft het huwelijksgoederenregime van partijen reeds in Iran bij de rechter aanhangig zou zijn. Het ligt naar het oordeel van het hof voor de hand dat de rechtbank op grond daarvan ook stilzwijgend tot afwijzing van het tegenverzoek van de vrouw is gekomen. Gelet op de reden van die afwijzing van het tegenverzoek, is de afwijzing van het tegenverzoek van de vrouw niet te beschouwen als een ontzegging van het tegenverzoek, maar als een niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar tegenverzoek.

7.7

Het staat de vrouw derhalve vrij om haar op het huwelijksgoederenregime van partijen gegronde vorderingen opnieuw aanhangig te maken, nu van aanhangigheid bij de rechter in Iran te dier zake geen sprake is.

7.8

Het hof is evenwel van oordeel dat de vrouw haar vorderingen dienaangaande moeten worden ontzegd, aangezien de vorderingen - mede in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man -, onvoldoende zijn onderbouwd.

7.9

De grieven 1 en 2 kunnen derhalve geen doel treffen.


De bruidsschat (grief 3 en 4 in principaal appel)

7.10

Bij de beoordeling van de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op de bruidsschat stelt het hof het volgende voorop. Vast is komen te staan dat de vrouw reeds ten tijde van het huwelijk van partijen in Iran haar bruidsschat heeft opgeëist. In de uitspraken van 'IR Iran Judiciary State Organization for Registration of Deeds & Real Estate Gen. Department for Registration of Deeds & Real Estate of Tehran Province' van 27 november 2008 en 27 juli 2009 is vastgesteld dat de vrouw aanspraak maakt op de bruidsschat, dat deze door de man aan haar betaald dient te worden en dat de waarde hiervan moet worden vastgesteld op Rls. 888.000.000,-, waarvan Rls. 44.400.000,- executiekosten betreft.

7.11

Vaststaat dat tussen Nederland en Iran geen verdragen van kracht zijn ter zake van de erkenning en/of tenuitvoerlegging van uitspraken van de Iraanse rechter, op grond waarvan de Nederlandse rechter gehouden zou zijn tot erkenning van de voornoemde uitspraken van de Iraanse rechter. Deze uitspraken kunnen derhalve niet via de exquaturprocedure op de voet van artikel 985 Rv ten uitvoer worden gelegd. Zulks is door de vrouw ook niet gevorderd.
Nu de vrouw haar vordering ter zake de bruidsschat evenwel voor de Nederlandse rechter heeft aangebracht, zal het hof - gelet op het vorenstaande - de vorderingen van de vrouw aanmerken als vorderingen in de zin van artikel 431 lid 2 Rv, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 431 Rv en, nu de man in Nederland woonachtig is, artikel 2 Rv rechtsmacht toekomt om van de vorderingen van de vrouw ter zake de bruidsschat kennis te nemen. Ingevolge dit artikel kan het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.

7.12

Naar commuun Nederlands internationaal privaatrecht is de rechter - mede in het kader van artikel 431 Rv - in beginsel vrij in elk bijzonder geval te beoordelen of en in hoeverre aan een buitenlands vonnis gezag moet worden toegekend (vgl. HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2477). Daarbij geldt als uitgangspunt dat een buitenlands vonnis (of akte) wordt erkend indien is voldaan aan drie in de jurisprudentie ontwikkelde minimum vereisten (vgl. HR 14 november 1924, NJ 1925, 91, Bontmantel). In de eerste plaats geldt het vereiste dat de buitenlandse rechter zijn internationale bevoegdheid heeft ontleend aan een internationaal algemeen aanvaarde bevoegdheidsgrond. In de tweede plaats dient het buitenlandse vonnis tot stand te zijn gekomen na een behoorlijke rechtspleging en in de derde plaats mag het buitenlandse vonnis niet in strijd zijn met de openbare orde.

7.13

In de onderhavige zaak is gesteld noch gebleken dat de uitspraken van de rechter in Iran niet voldoen aan de hiervoor genoemde minimumvereisten. Zo is niet in geschil dat de uitspraken tot stand zijn gekomen na een behoorlijke procesvoering, waarbij partijen beide zijn bijgestaan door een advocaat en tevens de beginselen van hoor en wederhoor zijn toegepast. Voorts stelt het hof vast dat het Iraanse recht ten aanzien van de bruidsschat niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. Het hof is derhalve van oordeel dat sprake is van een hoge mate van aanvaardbaarheid van de grond waaraan de Iraanse rechter zijn bevoegdheid ontleende. Gelet op de wijze van de totstandkoming van de uitspraak dient derhalve, naar het oordeel van het hof, gewicht te worden toegekend aan de uitspraken van de Iraanse rechter en kan daaraan gezag worden toegekend.

7.14

Het hof zal derhalve de vordering van de vrouw ter zake de bruidsschat beoordelen in het licht van de uitspraken van de Iraanse rechter van 27 november 2008 en 27 juli 2009.

7.15

Voor zover de vrouw bij vermeerdering van eis heeft gevorderd dat de man ter zake van de bruidsschat een bedrag van € 188.9968,- aan haar dient te voldoen nu de waarde van de gouden Azadi munten volgens haar tot dat bedrag is gestegen, dient deze vordering te stranden. Het hof overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor is aangegeven heeft de vrouw haar bruidsschat reeds ten tijde van het huwelijk in Iran opgeëist en in de aldaar gevoerde procedure is de waarde van de bruidsschat inclusief executiekosten (uiteindelijk) vastgesteld op Rls. 888.000.000,-, welke waarde - zo is tussen partijen niet in geschil - gelijk staat aan € 61.713,-. Nu de waarde van de bruidsschat bij uitspraak van de Iraanse rechter van 27 juli 2009 is gefixeerd op dit bedrag, staat het de vrouw naar het oordeel van het hof thans niet vrij voor de Nederlandse rechter opnieuw haar bruidsschat op te eisen tegen een hogere waarde.

7.16

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering van de vrouw de man te veroordelen tot betaling aan haar van de bruidsschat afgewezen. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bruidsschat geen huwelijksvermogensbestanddeel is maar een betaling van levensonderhoud, zodat, naast de partneralimentatie die de vrouw ontvangt geen ruimte bestaat voor betaling van de bruidsschat. De vrouw is van mening dat de bruidsschat en het huwelijkscontract twee in juridische zin zelfstandige contracten zijn, die ook van elkaar gescheiden moeten worden. Het feit dat één en ander in het geval van partijen in één contract is opgenomen maakt dit niet anders. De vrouw wijst voorts op artikel 1082 van het Iraanse Burgerlijk Wetboek waarin is te lezen dat direct na de huwelijkssluiting de vrouw eigenares wordt van de bruidsschat en er op elke wijze die zij wil over kan beschikken.

7.17

De man stelt dat uit de door de vrouw aangehaalde artikelen uit het Iraanse BW geenszins kan worden afgeleid dat de bruidsschat niet als een onderhoudsbijdrage zou moeten worden beschouwd. Immers, de betaling van de bruidsschat in geval de vrouw tijdens het huwelijk haar werk en daarmee haar arbeidsinkomen opgeeft, kan niet anders worden gezien dan een vervanging van dit arbeidsinkomen ter voldoening van de kosten van levensonderhoud.

7.18

Het hof overweegt het volgende. Gelet op de rechtsverhouding tussen partijen waaruit de bruidsschatvordering voortkomt is duidelijk dat het gaat om een door partijen zelf overeengekomen verbintenis, zodat sprake is van een overeenkomst. De vraag naar het bestaan van een aanspraak op de bruidsschat dient te worden beoordeeld naar het recht waarnaar die aanspraak tot stand zou zijn gekomen, waarbij zoveel mogelijk dient te worden aangesloten bij de bedoeling van partijen. Nu het huwelijkscontract van partijen tot stand is gekomen in Iran, waar de vrouw destijds nog woonachtig was, terwijl de man en de vrouw beiden de Iraanse nationaliteit bezitten, dient naar het oordeel van het hof aangenomen te worden dat partijen die in het huwelijkscontract opgenomen bepaling ter zake de bruidsschat naar Iraans recht zijn overeengekomen.

7.19

Beide partijen hebben zich ter zitting van het hof uitgesproken over het karakter van de bruidsschat naar Iraans recht. De vrouw stelt dat de bruidsschat als huwelijksvermogensbestanddeel moet worden gezien terwijl de man van mening is dat de bruidsschat gekwalificeerd dient te worden als alimentatie.
Een kwalificatie van de bruidsschat als huwelijksvermogensbestanddeel ligt echter naar het oordeel van het hof reeds daarom niet voor de hand nu het huwelijkscontract van partijen een afzonderlijke bepaling bevat die de vrouw bij echtscheiding in bepaalde gevallen recht geeft op de helft van het vermogen van de man, terwijl een kwalificatie als partneralimentatie evenmin passend is, nu bij een dergelijke kwalificatie en toepassing van het Nederlandse alimentatierecht de bruidsschat feitelijk vrijwel geen betekenis meer zal hebben omdat in dat geval, ongeacht de hoogte van de overeengekomen bruidsschat, de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw bepalend zijn. Voorts is de bepaling ter zake de bruidsschat opgenomen in het ter gelegenheid van het huwelijk opgemaakte huwelijkscontract, terwijl uit de uitspraak van de Hoge Raad van 7 maart 1980 (ECLI:NL:HR:1980:AB7449) volgt dat de mogelijkheid voor echtgenoten om zelf afspraken te maken voor het levensonderhoud na scheiding alleen geldt voor echtgenoten tijdens het huwelijk met het oog op een naderende echtscheiding en dat dergelijke afspraken derhalve niet reeds voor het huwelijk gemaakt kunnen worden.
Gelet op het vorenstaande overweegt het hof dat de bruidsschat naar Iraans recht een geheel eigen karakter heeft waardoor zij niet gelijk is te stellen aan partneralimentatie of een huwelijksvermogensrechtelijke aanspraak. De bruidsschat kan dan ook niet worden ondergebracht in een van deze rechtsfiguren en laat daarmee andere nevenvoorzieningen in beginsel onverlet.

7.20

Mede gelet op de uitspraken van de Iraanse rechter is het hof derhalve van oordeel dat de vordering van de vrouw tot betaling van de tussen partijen overeengekomen bruidsschat in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof merkt daarbij op dat uit de uitspraak van de Iraanse rechter van 27 juli 2009 blijkt dat 5% (zijnde € 3.085,65) van de waarde van de bruidsschat betrekking heeft op executiekosten welke in Nederland niet ten uitvoer kunnen worden gelegd. Deze kosten dienen dan ook in mindering te strekken op het door de man te betalen bedrag ter zake de bruidsschat. Daarmee kan de aanspraak van de vrouw in beginsel begroot worden op een bedrag van € 61.713,- minus € 3.085,65 = € 58.627,35.
Het hof ziet evenwel in de omstandigheid dat partijen slechts drie jaren hebben samengeleefd, de vrouw reeds vanaf 1 september 2009 de naar Nederlands recht vastgestelde partneralimentatie van de man heeft ontvangen en zij, anders dan in Iran, in Nederland als vrouw zelfstandig een positie kan bekleden, aanleiding over te gaan tot matiging van de bruidsschat van € 58.627,35 naar € 40.000,-.

7.21

Het hof merkt voorts op dat, hoewel de bruidsschat gelet op het vorenoverwogene niet als partneralimentatie kan worden gekwalificeerd, de betaling door de man van en de ontvangst van de bruidsschat door de vrouw wel verband houdt met een onderhoudsverplichting van de man en een onderhoudsbehoefte van de vrouw, in die zin dat het rendement op het mogelijke vermogen van de vrouw haar behoeftigheid zal verlagen en de eventuele schuld die de man moet aangaan om de bruidsschat te voldoen zijn draagkracht zal verlagen.

7.22

Het hof concludeert dat de vordering van de vrouw ter zake de bruidsschat kan worden toegewezen tot een bedrag van € 40.000,-. Voor zover grief 3 en 4 hiermee corresponderen slagen ze, voor het overige falen ze.

7.23

Grief 5 betreft ten slotte een zogenaamde bezemgrief, die de strekking heeft om het gehele geschil aan het hof voor te leggen. Deze grief ontbeert daarmee zelfstandige betekenis en behoeft geen verdere bespreking.


De slotsom

7.24

Het vorenstaande leidt het hof naar het oordeel dat de man zal worden veroordeeld ter zake van de bruidsschat een bedrag van € 40.000,- aan de vrouw te voldoen.

7.25

Ten aanzien van de door de vrouw gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van uitbrenging van de dagvaarding in eerste aanleg overweegt het hof dat wettelijke rente pas verschuldigd is op het moment dat de man in verzuim is geraakt (ex artikel 6:81 juncto 6:83 BW). Deze vordering komt dan ook slechts voor toewijzing in aanmerking voor zover het de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit arrest betreft.

7.26

In de omstandigheid dat partijen gehuwd zijn geweest ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel appel;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarin de vordering van de vrouw ter zake van de bruidsschat is afgewezen en voor zover de vrouw daarin niet-ontvankelijk is verklaard in haar vordering met betrekking tot de bepaling en beoordeling van de vermogensgroei van de man in het kader van een gedeeltelijke toedeling hiervan aan de vrouw;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man ter zake van de bruidsschat tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 40.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na betekening van dit arrest;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. G.M. van der Meer, mr. W. Breemhaar en mr. G.K. Schipmölder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 december 2013.