Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9880

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
200.127.218
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatieberekening volgens de met ingang van 1 april 2013 geldende versie van het Rapport Alimentatienormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.218

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, C/05/229143)

beschikking van de familiekamer van 24 december 2013

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.C.H. Bruinier te Ede,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man,

advocaat: mr. W. van de Velde te Rhenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 15 februari 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 14 mei 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 2 juli 2013;

- het journaalbericht van mr. Bruinier van 21 oktober 2013 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- het journaalbericht van mr. Van de Velde van 21 oktober 2013 met bijlagen, ingekomen op 22 oktober 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de vrouw en de man is op 24 april 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 15 februari 2013 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1999;

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000;

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2003 en

- [kind 4], geboren op[geboortedatum] 2004,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

De man, geboren op [geboortedatum] 1969, is alleenstaand.

De man ontvangt een ZW-uitkering die blijkens de specificatie van 10 december 2012 inclusief vakantiegeld € 376,75 bruto/€ 310,08 netto per week bedraagt.

3.4

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1969, vormt met de kinderen van partijen een gezin. Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificatie van september 2013 € 933,34 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De vrouw ontvangt aan huurinkomsten in totaal € 2.535,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vrouw om die bijdrage vast te stellen op € 325,- per kind per maand, bij gebrek aan draagkracht aan de zijde van de man, afgewezen.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 15 februari 2013. Grief 1 ziet op de draagkracht van de man. Grief 2 ziet op het door de rechtbank afgewezen bewijsaanbod van de vrouw. De vrouw verzoekt vernietiging van de bestreden beschikking en veroordeling van de man om als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 330,53 per kind per maand aan de vrouw te betalen met ingang van 24 april 2013, dan wel een bedrag dat het hof juist acht.

4.3

De man heeft verweer gevoerd. Hij verzoekt afwijzing van het hoger beroep van de vrouw. De man heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij geen beroep doet op een vergelijking van zijn draagkracht met die van de vrouw.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Nu de ingangsdatum van de door het hof vast te stellen kinderalimentatie ligt ná

1 april 2013 zal het hof de behoefte en de draagkracht bepalen volgens de met ingang van laatstgenoemde datum geldende versie van het Rapport alimentatienormen, gepubliceerd in juli 2013 (verder te noemen: het Rapport alimentatienormen).

de behoefte van de kinderen

5.2

De man betwist niet dat behoefte bestaat aan de door de vrouw verzochte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat die behoefte, te weten € 325,- per kind per maand en, na indexering met ingang van 1 januari 2013 € 330,53 per kind per maand, in rechte vaststaat. Op laatstgenoemd behoeftebedrag dient, ingevolge de onder 5.1 genoemde richtlijnen, het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt in mindering te worden gebracht. Uit de door de vrouw overgelegde voorschotbeschikking van 28 december 2012 blijkt dat het kindgebonden budget in 2013 in totaal € 2.304,- bedraagt, hetgeen neerkomt op € 48,- per kind per maand. De behoefte komt daarmee op (€ 330,53 -/- € 48,- =) € 282,53 per kind per maand.

de draagkracht van de man

5.3

De vrouw stelt dat de man draagkracht heeft om met ingang van 24 april 2013 - met inachtneming van de nieuwe berekeningsmethodiek ten aanzien van kinderalimentatie per

1 april 2013 - een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 330,53 per maand, dan wel enige andere door het hof juist te achten bijdrage, maar in ieder geval € 25,- per kind per maand te betalen. De man betwist dat.

5.4

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.5

De vrouw stelt dat de man feitelijk niet arbeidsongeschikt is en dat hij in staat moet worden geacht om met het verrichten van arbeid aanvullende inkomsten te verwerven, dan wel een verdiencapaciteit te bezitten van, aansluitende bij zijn vroegere inkomen uit arbeid, € 45.000,- per jaar, van welk inkomen bij de berekening van de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan. De man heeft dit betwist.

5.6

Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man sinds medio 2012 een ziektewetuitkering ontvangt en dat hij, na een in het kader van die uitkering ondergane medische keuring, 100% arbeidsongeschikt is verklaard. Het hof is van oordeel dat de vrouw daartegenover onvoldoende heeft aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de man op dit moment arbeid kan verrichten, waarmee zijn verdiencapaciteit hoger zal zijn dan het inkomen dat hij thans op basis van zijn ziektewetuitkering ontvangt. De vrouw heeft haar stelling dat de man naast zijn ziektewetuitkering inkomsten uit aan- en verkoopactiviteiten in de autobranche verwerft onvoldoende onderbouwd. Het hof passeert derhalve het door de vrouw met betrekking tot die activiteiten gedane bewijsaanbod en houdt bij de berekening van de draagkracht van de man alleen rekening met diens inkomen op basis van zijn ziektewetuitkering.

5.7

Het hof houdt rekening met het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, uitgaande van het onder 3.3 genoemde inkomen, van de te betalen inkomstenbelasting en voorts van de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, van € 1.339,- per maand.

5.8

Gelet op het Rapport alimentatienormen wordt bij de berekening van de draagkracht met de lasten van de onderhoudsplichtige op forfaitaire wijze rekening gehouden. Indien in geschil is of sprake is van extra lasten en of deze effect zouden moeten hebben op de draagkracht, kan aanleiding bestaan voor toepassing van de aanvaardbaarheidstoets. Voor zover de man een beroep doet op de aanvaardbaarheidstoets wijst het hof dit beroep, nu de man in dat verband slechts in algemene zin wijst op zijn gezondheidssituatie en zijn lasten, als onvoldoende onderbouwd af.

5.9

Ingevolge de draagkrachttabel 2013 dient de draagkracht, indien het netto besteedbaar inkomen lager is dan € 1.500,- per maand, te worden vastgesteld op de in die tabel genoemde bedragen. De totale draagkracht van de man bedraagt, gelet op zijn onder 5.7 genoemd netto besteedbaar inkomen van € 1.339,- per maand, op basis van genoemde tabel € 99,- per maand.

5.10

Vervolgens dienen de zorgkosten te worden vastgesteld. Deze kosten worden bepaald aan de hand van de behoefte en het gemiddeld aantal dagen per week – vakanties meegerekend – dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder, bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft. Als vuistregel worden de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte, hetgeen de volgende zorgkorting oplevert:

bij gedeelde zorg op:

gemiddeld 1 dag per week 15%

gemiddeld 2 dagen per week 25%

gemiddeld 3 dagen per week 35%.

De man heeft gesteld dat een zorgkorting van 25% dient te worden toegepast, omdat de kinderen niet slechts eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend, maar ook regelmatig op de dagen dat de vrouw in verband met haar werk weg is, bij hem verblijven. De vrouw heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 15%, omdat sprake is van één omgangsweekend per twee weken.

5.11

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat de kinderen eenmaal per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdagavond tot en met maandagochtend, hetgeen neerkomt op 2,5 dagen per twee weken, dan wel 1,25 dagen per week. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof de stelling van de man dat de kinderen bovendien bij hem verblijven op de dagen dat de vrouw in verband met haar werk afwezig is, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof houdt daarom rekening met een zorgkorting van 20%, hetgeen neerkomt op een bedrag van (20% x € 282,53) = € 56,51 per kind per maand.

5.12

Nu – gelet op de onder 5.2 vastgestelde totale behoefte van de kinderen van € 1.130,12 per maand – het tekort aan draagkracht van de man groter is dan de onder 5.4 vastgestelde zorgkorting is er geen ruimte om die zorgkorting te verzilveren door het bedrag van de zorgkorting op de draagkracht van de man in mindering te brengen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 1 ten dele en faalt grief 2. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 15 februari 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 24 april 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in totaal € 99,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, P.M.M. Mostermans en

J.P. Balkema, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 24 december 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.