Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9836

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
200.098.618
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0375
AR 2014/205

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.098.618

(zaaknummer rechtbank Zutphen sector kanton, locatie Harderwijk 432928)

arrest van de derde kamer van 24 december 2013

in de zaak van



[appellant] ,

wonende te [woonplaats appellant] ([land 1]),

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L. Meys,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats geïntimeerde],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.W. Aartsen.


1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

23 maart 2011 en 7 september 2011, die de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met veertien producties;
- de memorie van antwoord;

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van de procesadvocaten.


2.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op één dossier. Op grond van artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze vóór 1 januari 2013 bij het hof Arnhem aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3 De vaststaande feiten

3.1

[appellant], geboren op [geboortedatum], is op 27 mei 2003 bij (rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde] in dienst getreden, waar hij laatstelijk werkzaam was als servicemedewerker op het tankstation van [geïntimeerde] te [plaats tankstation], tegen een laatstgenoten salaris van € 1.704,56 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

3.2

Op 8 januari 2008 heeft [naam B.V. 1] B.V. aan het CWI te Maastricht toestemming verzocht om op grond van bedrijfseconomische redenen de arbeidsovereenkomst met vier werknemers, die werkzaam waren op de afdeling “Bakery”(de afdeling die verse (brood)producten verkocht) van het tankstation te [plaats tankstation], op te zeggen. Het CWI heeft op 13 maart 2008 deze toestemming verleend, waarna genoemde vennootschap de arbeidsovereenkomst met deze werknemers heeft opgezegd.

3.3 (

De rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] ([naam rechtsvoorganger] B.V.) heeft vervolgens op of omstreeks 22 februari 2010 besloten haar bedrijfsactiviteiten binnen het tankstation te [plaats tankstation] te staken. Met ingang van 1 juni 2010 is [naam B.V. 2] B.V. dit tankstation (in onbemande setting) gaan exploiteren.

3.4

Op 26 februari 2010 heeft [naam rechtsvoorganger] B.V. aan het UWV te Maastricht toestemming verzocht om op grond van bedrijfseconomische redenen de arbeidsovereenkomst op te zeggen met alle werknemers, die werkzaam waren op het tankstation te [plaats tankstation], onder wie [appellant]. [appellant] heeft verweer gevoerd tegen de ontslagaanvraag.

3.5 Het UWV heeft op 13 april 2010 de gevraagde toestemming voor [appellant] verleend.
Het UWV heeft hierbij onder andere het volgende overwogen:

“De ontslagaanvraag is ingediende wegens bedrijfseconomische/bedrijfsorganisatorische redenen.
(…)
De bedrijfseconomische/bedrijfsorganisatorische redenen worden door het UWV marginaal getoetst. Het motief bedrijfseconomische noodzaak behelst meer dan alleen financiële noodzaak tot ontslag. Ook het staken van bedrijfsactiviteiten/het sluiten van een tankstation kan het verval van arbeidsplaatsen binnen een onderneming rechtvaardigen. Het “vrije” bedrijfsleven moet naar eigen zakelijk inzicht beslissingen kunnen nemen, ook al zijn bepaalde (beleids)keuzes die werkgever maakt niet altijd de beste keuzes in de ogen van anderen en roepen deze keuzes vragen op.
De beslissing van werkgever om met ingang van 01 juni 2010 de bedrijfsactiviteiten binnen het tankstation te [plaats tankstation] te staken (sluiten) behoort tot de beleidsvrijheid van werkgever. Hierin kan mijnerzijds niet worden getreden.
Werkgever heeft mij, mede door overlegging van de brief [naam bedrijf] “Tankstation [plaats tankstation]” d.d. 18 februari 2010 en de vertrouwelijke memo’s MT “Station [plaats tankstation]” d.d. 21 december 2009 en d.d. 22 februari 2010, zijn bedrijfseconomische overwegingen alsmede de aanleiding tot deze overwegingen en de beslissing om met ingang van 01 juni 2010 de bedrijfsactiviteiten binnen het tankstation te [plaats tankstation] te staken (sluiten) in voldoende mate (cijfermatig) beargumenteerd en aannemelijk gemaakt.
Door het staken (sluiten), met ingang van 01 juni 2010, van de bedrijfsactiviteiten binnen het tankstation te [plaats tankstation] komen alle arbeidsplaatsen, waaronder die van werknemer, te vervallen.
(…)
Werkgever heeft mij aannemelijk gemaakt dat hij werknemer - door de gemoeide reisafstand, reistijd en reiskosten - (momenteel) niet kan herplaatsen in een passende functie binnen zijn onderneming.

(…)
Uitsluitend de daadwerkelijke staking (sluiting) van de bedrijfsactiviteiten van het tankstation (….), rechtvaardigt de afgifte van deze toestemming.
(…)"

3.6

[naam rechtsvoorganger] B.V. heeft vervolgens bij brief van 23 april 2010 het dienstverband met [appellant] opgezegd met ingang van 1 juni 2010.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd dat de opzegging door [geïntimeerde] van zijn arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is en heeft veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd aan hem een bedrag van € 92.736,-, althans een bedrag dat de kantonrechter juist acht, te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 7 september 2011 de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] een eventuele vordering jegens [geïntimeerde] geldend dient te maken.

4.3

Beide partijen hebben woonplaats in verschillende lidstaten van de Europese Unie. Het hof ontleent zijn bevoegdheid om van het onderhavige geschil kennis te nemen aan artikel
19 lid 1 van de Verordening (EG) 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken in verbinding met artikel 60 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie.

4.4

Het hof zal Nederlands recht toepassen aangezien [appellant] zijn arbeid gewoonlijk heeft verricht in Nederland (artikel 6 lid 2 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) en ook partijen - stilzwijgend - van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.

4.5

Het hof dient in hoger beroep te beoordelen of de opzegging door [geïntimeerde] per 1 juni 2010 van de arbeidsovereenkomst met [appellant] kennelijk onredelijk is:
a) omdat deze is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden;

b) omdat de gevolgen van de opzegging voor [appellant] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [geïntimeerde] bij de opzegging.


4.6 Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.


voorgewende of valse reden (artikel 7:681 lid 1 en lid 2 aanhef en onder a BW)?


4.7 Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is. Een valse reden is een reden die niet bestaat.


4.8 Het hof is van oordeel dat het tot de beleidsvrijheid van [geïntimeerde] behoort om haar organisatie in te richten op de wijze die haar goeddunkt.

Het valt onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde] om beleid te maken en te kiezen welke investeringen zij al dan niet noodzakelijk acht. Binnen die beleidsvrijheid valt ook een eventuele beslissing om (een onderdeel van) het bedrijf te sluiten of af te stoten, met name in een situatie waarin het bedrijf in een verliesgevende situatie komt te verkeren.

4.9

[geïntimeerde] heeft met de door haar overgelegde een brief van [naam bedrijf] “Tankstation [plaats tankstation]” van 18 februari 2010 en de vertrouwelijke memo’s MT “Station [plaats tankstation]” van 21 december 2009 en 22 februari 2010, gemotiveerd uiteengezet dat in de periode van 2007 tot en met 2009 sprake was van dalende omzetten op het tankstation in [plaats tankstation] (€ 2.473.136,- in 2007, € 2.306.268,- in 2008 en
€ 1.939.729,- in 2009) en van een verliesgevende situatie in die jaren (€ 260.885,- verlies in 2007, € 307.697 verlies in 2008, € 285.057,- verlies in 2009) en aldus haar bedrijfseconomische overwegingen en de noodzaak van haar beslissing om met ingang van
1 juni 2010 de bedrijfsactiviteiten binnen het tankstation te [plaats tankstation] te staken (sluiten) voldoende aannemelijk gemaakt. [appellant] heeft onder punt 26 van zijn inleidende dagvaarding aangevoerd dat hij uitdrukkelijk de door [geïntimeerde] getoonde omzetcijfers betwist. Volgens [appellant] zijn de getoonde omzetcijfers lager geweest dan de omzetcijfers waarmee hij bekend is geweest uit hoofde van zijn dienstverband bij het tankstation. [appellant] heeft dit verweer niet onderbouwd, zodat het hof zal uitgaan van de juistheid van de hiervoor vermelde financiële situatie van het tankstation in de periode 2007 tot en met 2009. Het hof neemt voorts in aanmerking dat eerder door [geïntimeerde] getroffen maatregelen, te weten de sluiting met ingang van 1 januari 2008 van de afdeling “Bakery” in het tankstation en het daarmee gepaard gaande ontslag van vier werknemers alsmede de sluiting van het tankstation gedurende de nachtelijke uren tussen 22.00 uur en 6.00 uur, er niet aan hebben kunnen bijdragen het tij van het in zwaar weer verkerende tankstation te keren.

4.10

[appellant] heeft bij zijn memorie van grieven als producties 1 tot en met 3 verklaringen van personeelsleden overgelegd en als productie 4 foto’s van (de omgeving van) het tankstation die een week voor de feitelijke sluiting van het tankstation zijn gemaakt. Volgens [appellant] blijkt uit deze producties dat [geïntimeerde] structureel in gebreke is gebleven om onderhoud te plegen en achterstallig onderhoud in te lopen. Er is sprake geweest van het voeren van een bewust (wan)beleid door [geïntimeerde] met als doel het bemande tankstation om te kleuren naar een onbemand tankstation, aldus [appellant]. [geïntimeerde] heeft de hiervoor vermelde stellingen van [appellant] gemotiveerd betwist.

4.11

Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de door hem bij zijn memorie van grieven als overgelegde producties 1 tot en met 4 enig aanknopingspunt bieden voor zijn stelling dat (de omgeving van) het tankstation niet steeds in een onberispelijke staat (van onderhoud) verkeerde. Deze producties vormen echter geen (voldoende) onderbouwing van de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] jarenlang én bewust én structureel in gebreke is gebleven om noodzakelijk onderhoud aan het tankstation te plegen met het uitsluitende doel het tankstation om te kleuren zoals hiervoor. [appellant] heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] dat de verliesgevende situatie van het tankstation met name veroorzaakt werd door de lage(re) dieselprijzen in België, onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit het door hem gestelde causaal verband tussen het gebrek aan onderhoud en de jarenlange verliesgevende situatie zou kunnen blijken.

4.12

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is geen sprake van een valse of een voorgewende reden als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 en lid 2 aanhef en onder a BW, zodat het ontslag op die grond niet kennelijk onredelijk is.

gevolgen van de beëindiging te ernstig (artikel 7:681 lid 1 en lid 2 aanhef en onder b BW)?

4.13

In artikel 7:681 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen.

4.14

Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk kunnen worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

4.15

Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen. De gegrondheid van de aangevoerde ontslagreden moet worden beoordeeld naar de stand van zaken op het moment van de opzegging.
Nadien intredende omstandigheden kunnen in aanmerking worden genomen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht (Hoge Raad 8 april 2011, LJN BP4804). De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW.

4.16

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] vanwege bedrijfseconomische redenen een zwaarwegend belang had het dienstverband met [appellant] te beëindigen. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 4.8 en 4.9 is overwogen.

4.17

Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, heeft [geïntimeerde] wel degelijk bezien of [appellant] binnen haar organisatie kon worden herplaatst. Die mogelijkheid was er niet. [appellant] heeft niet betwist dat [geïntimeerde] in de provincies Noord Brabant en Limburg in Bladel, Veldhoven, Venlo en Kaatsheuvel, tankstations heeft/had, maar dat plaatsing bij een van deze tankstations geen reëel alternatief was, gelet op de enkele reisafstand (meer dan
100 km) en de daarmee gemoeide reistijd en reiskosten.

4.18

[geïntimeerde] heeft voorts onbetwist gesteld dat zij het Mobiliteitscentrum van het UWV Werkbedrijf heeft ingeschakeld, van wier diensten de voor ontslag voorgedragen werknemers gebruik konden maken. [appellant] heeft van dit aanbod geen gebruik gemaakt.

4.19

[appellant] was ten tijde van de ingangsdatum van de opzegging [leeftijd appellant] jaar en 7 jaar in dienst van [geïntimeerde]. [appellant] is afkomstig uit [land 2], hij is laaggeschoold en heeft geen bijzondere opleiding genoten. Zonder nadere toelichting door [appellant], die ontbreekt, kan op grond van deze omstandigheden alléén niet worden aangenomen dat het aan [appellant] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in de hiervoor omschreven zin.

4.20

Het laatstgenoten salaris van [appellant] bij [geïntimeerde] bedroeg € 1.704,56 bruto per maand (€ 1.335,99 netto per maand), te vermeerderen met vakantietoeslag. [appellant] heeft als productie 14 bij zijn memorie van grieven een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij in België in de periode van januari 2011 tot en met november 2011 een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen van ongeveer € 1.000,- netto per maand. [geïntimeerde] heeft het dienstverband met [appellant] opgezegd per 1 juni 2010. [appellant] heeft geen inzicht verstrekt in zijn persoonlijke en financiële omstandigheden vanaf de datum van deze opzegging. Hij heeft geen informatie verstrekt met betrekking tot de periode van 1 juni 2010 tot 1 januari 2011, met name niet of hij in die periode heeft gewerkt (hij heeft immers pas per 1 januari 2011 een werkloosheidsuitkering ontvangen). [appellant] heeft voorts geen inzicht verstrekt met betrekking tot eventuele sollicitaties die hij in de periode vanaf 1 juni 2010 heeft verricht.
Het hof is dan ook van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] onvoldoende pogingen heeft gedaan om werk te vinden en aldus de door hem gestelde
- ernstige- gevolgen van zijn ontslag te verzachten.

4.21

Vast staat dat [appellant] serieuze plannen had om na zijn ontslag naar [land 3] te gaan om daar te gaan werken, waarbij het hof in het midden laat of [appellant] zou gaan emigreren. Hierdoor heeft [appellant] een situatie gecreëerd waarin hij niet beschikbaar was op de Nederlandse en/of de [land 1] arbeidsmarkt. Deze handelwijze komt voor zijn rekening.

4.22

[geïntimeerde] was bij de beëindiging van het dienstverband bereid een aanvulling te verstrekken op een door [appellant] te ontvangen Werkloosheidsuitkering, op voorwaarde dat [appellant] specificaties van de door hem ontvangen uitkering zou overleggen. Dat heeft hij nagelaten, hetgeen voor zijn rekening dient te blijven. [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van het pleidooi verklaard bereid te zijn deze aanvulling op de Werkloosheiduitkering alsnog te verstrekken op de eerdergenoemde voorwaarde.

4.23

[appellant] heeft voor het eerst in hoger beroep aangevoerd dat hij forse medische beperkingen heeft, waardoor hij een achterstand op de arbeidsmarkt heeft. [geïntimeerde] heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

4.24

[appellant] heeft bij zijn memorie van grieven als producties 7 tot en met 9 (medische) stukken uit mei en juli 2009 overgelegd, waaruit door hem gestelde medische beperkingen zouden blijken. Het hof gaat voorbij aan de inhoud van deze stukken, aangezien deze geen inzicht verstrekken met betrekking tot de medische situatie van [appellant] ten tijde van de opzegging. Dat [appellant] ten tijde van de opzegging geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, is niet gebleken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat [appellant], zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, geen beroep heeft gedaan op de eventuele vernietigbaarheid van de opzegging wegens ziekte. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden aangenomen dat [appellant] ten tijde van de opzegging (zodanige) medische beperkingen had dat hij een achterstand had op de arbeidsmarkt.

4.25

Gelet op alle hiervoor geschetste feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de opzegging door [geïntimeerde] van de arbeidsovereenkomst met [appellant] - zonder financiële compensatie - niet kennelijk onredelijk is, omdat de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband voor [appellant] niet té ernstig in vergelijking met het zwaarwegend belang van [geïntimeerde] bij deze beëindiging.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Door [appellant] zijn geen (voldoende concrete) feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant].

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.769,- voor griffierecht en op € 2.682,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief II in hoger beroep).


5.3 Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk) van 7 september 2011;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.769,- voor griffierecht en op € 2.682,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, B.J. Lenselink en J.P Fokker en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.