Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9784

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-11-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
K13/0252
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 12 Sv. Klaagster wordt niet aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende en is derhalve niet-ontvankelijk in haar beklag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K13/0252

Beschikking

inzake

[klaagster],

te dezen vertegenwoordigd door mr A. Diepeveen,

kantoor houdende te Veenendaal,

klaagster,

tegen

[beklaagde],

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

beklaagde,

bijgestaan door mr C.A.M.J. Raymakers, advocaat te Amsterdam.

Op 5 april 2013 is ter griffie van het hof een klaagschrift binnengekomen van klaagster. Het klaagschrift richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Op 22 november 2013 is de zaak in raadkamer van dit hof behandeld. Bij de behandeling waren klaagster en haar gemachtigde, beklaagde en zijn gemachtigde, alsmede de advocaat-generaal aanwezig. Zij zijn in raadkamer gehoord.

De advocaat-generaal heeft, in overeenstemming met haar schriftelijk verslag, geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht.

Het beklag

Klaagster heeft op 20 december 2012 aangifte gedaan van valsheid in geschrift en oplichting, gepleegd door beklaagde in de periode van 1 april 2008 tot 5 november 2012.

Bij brief van 26 maart 2013 heeft de officier van justitie klaagster meegedeeld dat beklaagde niet vervolgd zal worden, nu er volgens de officier van justitie ten aanzien van beide feiten - kort gezegd- geen sprake van opzet zou zijn.

De beoordeling van het beklag

Klaagster heeft in haar hoedanigheid van voorzitter van de PVV fractie Gelderland aangifte gedaan tegen voormalig gedeputeerde van de provincie Gelderland [beklaagde]. Volgens klaagster heeft beklaagde een deel van de door hem ingediende reiskostendeclaraties niet naar waarheid ingevuld en aldus valsheid in geschrift gepleegd. Het als echt en onvervalst gebruiken van deze declaraties zou kennelijk plaatsgevonden hebben om te maskeren dat hij feitelijk in Zwolle woonde en niet, zoals de Provinciewet vereist, in de provincie Gelderland. Klaagster meent dat beklaagde zich daarmee tevens schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering kan een rechtstreeks belanghebbende schriftelijk beklag doen bij het hof als een strafbaar feit niet vervolgd wordt, de vervolging niet wordt voortgezet of vervolging plaatsvindt door het uitvaardigen van een strafbeschikking.

In raadkamer en in haar aangifte heeft klaagster aangegeven dat zij door de beweerdelijke misleiding haar controlerende taak als lid van Provinciale Staten niet dan wel niet voldoende kon uitoefenen. Zij meent dat zij op die grond als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan slechts degene die door het achterwege blijven van vervolging getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat worden aangemerkt als belanghebbende (Hoge Raad 7 maart 1972, NJ 1973, 35). Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang. Bovendien brengt het relativiteitsvereiste met zich mee dat beoordeeld dient te worden of de overtreden strafbepaling beoogt dit specifieke belang van klaagster te beschermen.

Het hof is van oordeel dat ‘het uitoefenen van een controlerende taak’ een te ruime en vage formulering is om te kunnen spreken van een objectief bepaalbaar en persoonlijk belang. Daarnaast is het gebruikelijk om problemen die zich voordoen bij het uitoefenen van die taak, langs een andere weg dan de strafrechtelijke op te lossen.

Voorts is het hof van oordeel dat het door klaagster aangegeven belang, haar controlerende functie, niet valt onder de door de artikel 225 en/of artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht beschermde belangen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat klaagster niet als rechtstreeks belanghebbende kan worden aangemerkt. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beklag.

Deze beschikking is gegeven door mr G. Mintjes, voorzitter, mr R. van den Heuvel en mr B.F.A. van der Krabben, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr N.E. Versloot, griffier, op en ondertekend door de voorzitter en de griffier.