Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9777

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
24-03-2014
Zaaknummer
200.128.951
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats, verdeling zorg- en opvoedingstaken, vervangende toestemming voor verhuizing en inschrijving kinderen op school. Kinderalimentatie, verwijtbaar inkomensverlies man, 90% norm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.128.951 en 200.134.206

(zaaknummers rechtbank Oost-Nederland/Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 228431 en 240950)

beschikking van de familiekamer van 19 december 2013

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
- in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

en

- in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

verweerder in hoger beroep,

- in beide procedures:

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Arnhem,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

- in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

- in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

verzoekster in hoger beroep,

- in beide procedures:

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.L.A. Ruijs te Oss.

1 Het geding in eerste aanleg

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 19 maart 2013, uitgesproken onder zaaknummer 228431.

in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 april 2013 en 12 augustus 2013, uitgesproken onder zaaknummer 240950.

2 Het geding in hoger beroep

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 16 juni 2013;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 5 augustus 2013;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 7 oktober 2013

- een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) van 4 juli 2013 met als bijlage het raadsrapport van 26 juni 2013;

- een brief van mr. Ruijs van 1 november 2013 met bijlagen, ingekomen op 4 november 2013;

- het journaalbericht van 3 november 2013 van mr. Buijsrogge met bijlagen, ingekomen op

5 november 2013;

- het journaalbericht van 12 november 2013 van mr. Buijsrogge met bijlagen, ingekomen op

13 november 2013.

in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

2.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 19 september 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 6 november 2013;

- een brief van mr. Ruijs van 1 november 2013 met bijlagen, ingekomen op 4 november 2013.

in beide procedures

2.3

Na te noemen [kind 1] en [kind 2] hebben bij brieven van respectievelijk 3 september 2013 en 29 augustus 2013 aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 15 november 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is J.M. Hermsen verschenen.

3 De vaststaande feiten

in beide procedures

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 3 september 2013 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1], verder te noemen: [kind 1], op [geboortedatum] 1997,

- [kind 2], verder te noemen: [kind 2], op [geboortedatum] 1999, en

- [kind 3], verder te noemen: [kind 3], op [geboortedatum] 2003,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

De man is geboren op [geboortedatum] 1971. Het inkomen van de man bij AncoferWaldram Steelplates B.V., waar hij werkte tot 1 januari 2013, bedroeg blijkens de salarisspecificatie van september 2012 € 7.000,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. De ingehouden (pensioen)premies bedroegen in totaal volgens de kolom cumulatieven op de salarisspecificatie van september 2012 afgerond € 7.206,- per jaar.

De man ontvangt sinds 1 januari 2013 een WW-uitkering volgens de betaalspecificaties van 27 augustus, 24 september en 23 oktober 2013 van € 2.540,20 bruto per vier weken, te vermeerderen met vakantietoeslag.

3.4

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1971, vormt met [kind 1], [kind 2] en [kind 3] een gezin.

De vrouw ontvangt een WWB-uitkering, volgens de uitkeringsspecificatie van september 2013 ter hoogte van € 1.014,12 netto per maand.

4 De omvang van het geschil

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

4.1

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van [kind 3], de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders betreffende [kind 1], [kind 2] en [kind 3] en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 19 maart 2013 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en als regeling ter verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vastgesteld dat de kinderen bij de man verblijven gedurende eenmaal per veertien dagen (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur na het avondeten. Voorts heeft de rechtbank in die beschikking bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw met ingang van 19 maart 2013 zal betalen € 510,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

4.3

Bij vonnis in kort geding van 27 september 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover hier van belang, (in reconventie) de vrouw veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, zoals vastgesteld tussen de ouders in de bestreden beschikking van 19 maart 2013, inhoudende dat de kinderen contact hebben met de man met dien verstande dat - voor zover dat nodig is -:

- binnen veertien dagen na betekening van het vonnis er onder begeleiding van BJZ of Lindenhout een gesprek dient plaats te vinden tussen de man en de kinderen zodat zij op adequate wijze met elkaar over het incident van 12 augustus 2013 kunnen spreken;

- indien uit voornoemd gesprek blijkt dat de minderjarigen behoefte hebben aan een opbouw, zullen zij de eerstvolgende oneven week één dag in het weekend bij de man verblijven, waarna veertien dagen later de kinderen overeenkomstig de zorgregeling weer een heel weekend bij de man verblijven van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19:00 uur na het avondeten;

en dat, voor zover dit niet nodig is, de zorgregeling van eenmaal per veertien dagen in de oneven weken van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19:00 uur na het avondeten direct wordt hervat.

4.4

De man is met vijf grieven (genummerd 1, II, III, V en VI) in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 19 maart 2013. De grieven 1 en II zien op de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders. De grieven III, V en VI zien op de draagkracht van de man.

De man verzoekt te bepalen dat [kind 3] zijn hoofdverblijfplaats bij hem heeft en dat [kind 1] en [kind 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben.

Voorts verzoekt de man een regeling ter verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen in die zin dat:

primair: de kinderen afwisselend een week bij hem zijn en een week bij de vrouw met als wisselmoment vrijdag na school;

subsidiair: [kind 3] één keer per veertien dagen (oneven weken) van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur bij de vrouw zal zijn, alsmede dat [kind 2] en [kind 1] één keer per veertien dagen (even weken) van donderdag na school tot zondag 19.00 uur bij hem zijn, waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte tussen partijen verdeeld worden.

Ten slotte verzoekt de man het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen af te wijzen.

4.5

De vrouw is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

De vrouw verzoekt de door rechtbank vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [kind 1] en [kind 2] te vernietigen en te bepalen dat de man recht heeft op contact met [kind 1] en [kind 2] op door [kind 1] en [kind 2] te bepalen momenten.

in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

4.6

Tussen partijen zijn in geschil de verzoeken van de vrouw aan de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] en om [kind 3] en [kind 2] in te schrijven op scholen in [plaats].

4.7

Bij de bestreden beschikking van 12 augustus 2013 heeft de rechtbank de verzoeken van de vrouw zoals weergegeven in 4.6 afgewezen.

4.8

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

De vrouw verzoekt aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats], alsmede aan haar vervangende toestemming te verlenen om [kind 3] in te schrijven op basisschool ‘[C]’ te [plaats] en om [kind 2] in te schrijven op het [D] te [plaats].

in beide procedures

4.9

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

5.1

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.

5.2

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.3

Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat een nader onderzoek te gelasten.

5.4

Nu een overeenstemming tussen de ouders niet mogelijk is gebleken, zal het hof een beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats van [kind 3] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

5.5

Het hof is met de rechtbank en de raad van oordeel dat het niet in het belang van [kind 3] is om de hoofdverblijfplaats bij de vrouw te wijzigen en overweegt daartoe als volgt.

De raad heeft ter mondelinge behandeling geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Uit de raadsrapportage (verder: raadsrapport) van 26 juni 2013 blijkt dat het de wens is van de kinderen dat zij bij elkaar blijven wonen. Op de raad kwam deze wens van alle drie kinderen authentiek over. Volgens de raad is het van groot belang dat voormelde wens wordt gehonoreerd. Dit is een duidelijk verlangen van de kinderen en wijst op een behoefte om als gezin met elkaar de cohesie te willen blijven ervaren. Beide ouders kunnen voor de kinderen een goede opvoedingssituatie creëren. De omstandigheid dat de oudste twee kinderen bij de vrouw wensen te wonen brengt met zich dat ook de hoofdverblijfplaats van [kind 3] bij de vrouw dient te blijven, aldus de raad.

5.6

Het hof neemt het advies van de raad over en maakt dit na eigen onderzoek tot zijn oordeel. Niet is gebleken van een instabiele gezinssituatie bij de vrouw, of dat het thuis of op school met [kind 3] niet goed gaat. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat [kind 3] ten opzichte van de twee andere kinderen in een uitzonderingspositie verkeert en dat hij klem zit tussen de man enerzijds en de vrouw anderzijds. Bij [kind 3] lijkt sprake te zijn van een loyaliteitsconflict. Zoals de raad ook heeft geconstateerd is het voor [kind 3] een erg lastige situatie. Hij heeft het fijn bij beide ouders. Aannemelijk is dat [kind 3] hierdoor teveel onder druk staat en door de ouders wordt gesteld. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het in het belang van [kind 3] is zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw vast te stellen, zodat er zekerheid, duidelijkheid en rust is voor zowel [kind 3], als voor [kind 1] en [kind 2].

5.7

Nu het verzoek van de man de hoofdverblijfplaats van [kind 3] bij hem te bepalen wordt afgewezen dient het hof zich een oordeel te vormen over het verzoek van de man een regeling ten aanzien van de zorg- en opvoedingstaken (verder: zorgregeling) te bepalen waarbij de kinderen afwisselend een week bij hem zijn en een week bij de vrouw zijn. Ook zal het hof oordelen over het verzoek van de vrouw in het incidenteel hoger beroep om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling voor [kind 1] en [kind 2] te vernietigen en te bepalen dat de man recht heeft op contact met [kind 1] en [kind 2] op door [kind 1] en [kind 2] te bepalen momenten.

5.8

De door de man voorgestane zorgregeling is feitelijk co-ouderschap. Voor een verantwoord co-ouderschap is vereist dat het ouderschap eensgezind, in overleg en zonder strubbelingen wordt uitgevoerd. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de communicatie, voor zover deze er al is, tussen de ouders nog steeds bijzonder stroef verloopt. Reeds hierom oordeelt het hof dat het niet in het belang van de kinderen is om het verzoek van de man toe te wijzen. Een zodanige zorgregeling vereist meer overleg tussen de ouders dan nodig is voor de huidige zorgregeling en dan waartoe de ouders in staat zijn. Het hof wijst hierbij op overleg over de concrete invulling van de dagen van de kinderen (zoals hobby’s en sporten). Wat betreft de zorgregeling ten aanzien van [kind 3] is het hof dan ook van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling het meest in zijn belang is. Het hof zal deze zorgregeling daarom bekrachtigen in die zin dat [kind 3] eenmaal per veertien dagen (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur na het avondeten bij de man zal verblijven, waarbij de vrouw [kind 3] op vrijdag naar de man brengt en de man [kind 3] op zondag weer terugbrengt naar de vrouw.

Wat betreft de zorgregeling ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] overweegt het hof als volgt. [kind 1] heeft bij brief van 3 september 2013 aan het hof laten weten geen behoefte te hebben aan contact met de man. [kind 2] heeft bij brief van 29 augustus 2013 aan het hof laten weten graag zelf te willen beslissen wanneer zij naar de man gaat. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man inmiddels met [kind 1] en [kind 2] wel contact heeft via WhatsApp, hetgeen een positieve ontwikkeling is. Duidelijk komt uit de stukken naar voren dat [kind 1] en [kind 2] in ieder geval ruimte willen hebben om zelf te bepalen wanneer en op welke wijze het contact met de man zal plaatsvinden. Naar het oordeel van het hof dient deze wens, gelet op de leeftijd van [kind 1] en [kind 2] (thans 16 jaar en 14 jaar) te worden gevolgd. Dit geldt te meer nu van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij [kind 1] en [kind 2] op deze leeftijd dwingt tot contact met de man. Het voorgaande betekent dat wat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 1] en [kind 2] betreft de bestreden beschikking zal worden vernietigd en het verzoek van de man op dit punt zal worden afgewezen.

Het hof zal verstaan dat het initiatief bij [kind 1] en [kind 2] ligt in hun contact met de man. De afspraken voor contactmomenten dienen in onderling overleg tussen [kind 1], [kind 2] en de ouders te worden vastgesteld.

5.9

Het hof voegt hieraan nog het volgende toe. Beide partijen dienen hun verantwoordelijkheid als ouders te nemen, de strijdbijl te begraven en in het belang van de kinderen te gaan werken aan verbetering van de onderlinge communicatie en het vertrouwen in elkaar, zo nodig door inschakeling van professionele hulp en begeleiding.

Zolang partijen niet erin slagen hun communicatieproblemen op te lossen, zal de verhouding tussen hen spanningsvol blijven en zullen zich in de praktijk problemen bij de zorgregeling blijven voordoen met alle negatieve gevolgen die dat heeft voor het welzijn de kinderen. Op beide ouders rust de taak te voorkomen dat de kinderen in een loyaliteitsconflict raken dan wel dat een reeds aanwezig loyaliteitsconflict groter wordt. Gelet op de leeftijd van de kinderen mag van de ouders worden verwacht dat zij de souplesse betrachten die voor de kinderen noodzakelijk is in de omgang met beide ouders, ter voorkoming van verdere beschadiging van de kinderen.

in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

Ten aanzien van de vervangende toestemming om te verhuizen met de kinderen en de kinderen in te schrijven op een school

5.10

De vrouw heeft het voornemen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, en daarmee samenhangend [kind 3] en [kind 2] op een school in [plaats] in te schrijven. De man kan zich daarmee niet verenigen. Omdat partijen gezamenlijk zijn belast met het ouderlijke gezag over de kinderen heeft de vrouw de toestemming van de man nodig als zij met de kinderen wil verhuizen. Indien, zoals in het onderhavige geval, de man zijn toestemming weigert en de vrouw desalniettemin wenst te verhuizen, kan zij aan de rechter vervangende toestemming verzoeken.

5.11

De vrouw voert - samengevat - in haar beroepschrift en ter mondelinge behandeling aan dat zij wil verhuizen naar [plaats], omdat zij in Arnhem niet aanmerking komt voor een (sociale) huurwoning, aangezien zij geen inkomen en te weinig woonjaren heeft, en niet is te voorzien dat zij op korte termijn wel in aanmerking komt voor een (sociale) huurwoning. In verband met de oplevering van de voormalige echtelijke woning heeft zij sinds begin oktober 2013 geen vaste woon- en verblijfplaats meer. Zij verblijft thans met de kinderen doordeweeks bij een vriendin in [woonplaats] en in het weekend deels bij haar nieuwe vriend en deels bij haar ouders. Haar ouders hebben een huis in [plaats] gekocht (met de mogelijkheid de koopovereenkomst te ontbinden als de vrouw geen vervangende toestemming krijgt om te verhuizen), zodat zij met de kinderen in die woning kan gaan wonen. Daar komt bij dat zij een baan kan aanvaarden in een kledingzaak in [plaats] van haar zwager voor vijftien uur per week. Bovendien hoeft een verhuizing naar [plaats] geen gevolgen te hebben voor de geldende zorgregeling. De geografische afstand is slechts veertig kilometer.

De vrouw is het eens met het advies van de raad zoals blijkt uit het raadsrapport dat de duidelijkheid van een ‘nieuwe start’ de kinderen duidelijkheid biedt en daarmee rust, hetgeen in het belang van de kinderen is.

5.12

De man stelt - kort weergegeven - in zijn verweerschrift en ter mondelinge behandeling dat een verhuizing naar [plaats] niet in het belang van de kinderen is. Volgens de man heeft de vrouw zich niet ingespannen om vervangende woonruimte in [woonplaats] te vinden. De vrouw gaat er volledig aan voorbij dat [kind 2] en [kind 3] van school moeten veranderen, iets wat hij niet in het belang van [kind 2] en [kind 3] acht. De ouders van de vrouw hebben nog geen woning gekocht in [plaats] en zij zouden ook voor de vrouw in [woonplaats] een woning kunnen kopen. De man stelt het jammer te vinden dat [kind 3] niet alleen door de raad is gehoord, maar in aanwezigheid van zijn zus [kind 2]. Het valt namelijk niet uit te sluiten dat er (nog meer) problemen voor [kind 3] ontstaan bij een verhuizing. Dit omdat [kind 3] ook erg gehecht is aan hem en [kind 3] zijn man dan aanzienlijk minder zal zien. Bovendien gaat de raad in het raadsrapport voorbij aan de noodzaak om te verhuizen naar [plaats]. Wat betreft de geografische afstand, die is wellicht niet groot, maar de verbinding [woonplaats]-[plaats] laat te wensen over, zeker nu hij niet over een auto beschikt. De man vreest dat een verhuizing zal leiden tot een verdere uitholling van het ouderschap en van de band die hij heeft met de kinderen.

5.13

De raad vermeldt in het raadsrapport dat een verhuizing na de grote onrust en de vele spanningen rondom de echtscheiding van de ouders wederom een ingrijpende gebeurtenis in het leven van de kinderen zal zijn, maar de raad ziet meer positieve dan negatieve gevolgen van een verhuizing naar [plaats]. Een verandering van woonomgeving en daarmee van sociale contacten in de buurt, met vrienden, de voetbalclub en school, komt het hardst aan voor [kind 3]. [kind 3] lijkt meer dan [kind 2] en [kind 1] een grotere behoefte aan houvast van deze bestaande contacten te hebben, mede gezien zijn jonge leeftijd en zijn aard. De raad is echter van mening dat de ontstane onveiligheidsgevoelens bij [kind 3] meer voort lijken te komen uit de strijdvolle echtscheiding van de ouders dan uit een loslaten van de vertrouwde omgeving. [kind 3] wil de man graag regelmatig zien en vreest een gemis, deels door zijn sterke band met de man, deels door loyaliteit. [kind 3] heeft de meest zorgeloze band met de man en de man wil graag dat [kind 3] bij hem komt wonen; dat heeft [kind 3] in een ernstig loyaliteitsconflict doen belanden. De belasting hiervan dient van hem te worden weggenomen.

[kind 2] toont een houding waarin zij zich flexibel opstelt na een periode van onrust, boosheid, verdriet en zorgen. [kind 2] voelt geen bezwaren in het aangaan van een nieuwe schoolkeuze en het gaan opbouwen van nieuwe sociale contacten. Een verhuizing naar [plaats] vormt voor haar geen bedreiging ten aanzien van het contact zoeken met de man. [kind 2] verlangt naar rust, einde van ruzie tussen de ouders en wil de volledige ruimte en aandacht voor school en vriendinnen conform haar leeftijdsfase.

[kind 1] heeft afstand genomen van de man. Zij kan hierover openlijk praten en kan op dit moment hierin geen andere stap maken. Ook voor haar lijkt een verhuizing naar een andere woonplaats haar een gevoel te geven van weer verder te kunnen gaan met haar eigen leven, een leven waarin zij ook hard moet werken aan de ontstane achterstand in haar schoolresultaten op haar huidige school. Het ernstig verstoorde contact met de man heeft haar pijn, verdriet en boosheid bezorgd wat op termijn aandacht en communicatie noodzakelijk maakt om haar hiervan te ontlasten.

De ontstane emotionele ballast bij de kinderen is onafhankelijk van de woonplaats. Het in ernstige mate belasten van de kinderen met de ruzies en de strijd tussen de ouders heeft geleid tot een breed scala van gevoelens van verscheurdheid bij de kinderen. De oudertaak om de kinderen te helpen met de verwerking van de ingrijpende verandering van de echtscheiding lijkt volledig te hebben ontbroken en de ouders zijn onvoldoende in staat geweest om zich hierin overstijgend op te stellen en naar de kinderen zodanig te handelen.

Het is van groot belang voor de kinderen dat hun wens om bij elkaar te blijven wonen gehonoreerd wordt. Dit is een duidelijk verlangen van de kinderen en wijst op een behoefte om als gezin met elkaar de cohesie te willen blijven ervaren.

Het is niet de afstand in kilometers die een goed en betekenisvol contact tussen de man en de kinderen in de weg zal staan, eerder een volhardende strijd tussen de ouders welke ook zijn weerslag zal kunnen gaan krijgen op de relatie met de vrouw.

De duidelijkheid van een ‘nieuwe start’ biedt de kinderen duidelijkheid en daarmee rust. De raad adviseert dan ook om aan de vrouw vervangende toestemming te geven voor een verhuizing met de kinderen naar [plaats].

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het in het raadsrapport vervatte advies ten aanzien van de verhuizing van de kinderen toegelicht en gehandhaafd.

5.14

Het hof stelt voorop dat in artikel 1:253a BW is opgenomen dat de rechter een zodanige beslissing neemt als deze in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer ook het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. Het hof zal bij deze beslissing dan ook alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen.

5.15

Het hof overweegt als volgt. Het hof neemt het advies van de raad over en maakt dit na eigen onderzoek tot zijn oordeel. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, anders dan de man stelt, voldoende aannemelijk gemaakt dat er voor haar een (financiële) noodzaak bestaat te verhuizen naar [plaats]. Wat er ook zij van de stelling van de man dat de vrouw onvoldoende haar best heeft gedaan om vervangende woning in [woonplaats] te vinden, het is de realiteit dat de vrouw en de kinderen in verband met de oplevering van de voormalige echtelijke woning sinds begin oktober 2013 geen vaste woon- en verblijfplaats meer hebben. De vrouw en de kinderen verblijven nu doordeweeks bij een vriendin in [woonplaats] en in het weekend deels bij de nieuwe vriend van de vrouw in [plaats] (gemeente [plaats]) en deels bij haar ouders in Lieshout. Voor de kinderen is dit, mede gelet op hun schoolcarrière, een onrustige en onwenselijke situatie. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar ouders op korte termijn in [plaats] een woning kunnen kopen, waarin de vrouw met kinderen kan gaan wonen. Het hebben van een vaste woning waar zij langdurig kunnen wonen zal bijdragen aan de benodigde rust voor de kinderen. Bovendien is niet te verwachten dat de vrouw op korte termijn een (huur)woning in [woonplaats] zou kunnen betrekken. Verder heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij de mogelijkheid heeft in [plaats] een baan te aanvaarden voor vijftien uur per week, terwijl het haar nog niet gelukt is om in [woonplaats] en omstreken een baan te vinden.

Het hof overweegt voorts dat [kind 1] en [kind 2] gezien hun leeftijd goed in staat moeten worden geacht in korte tijd een nieuw sociaal netwerk op te bouwen en dat zij aan de raad en het hof te kennen hebben gegeven graag naar [plaats] te willen verhuizen. Zoals de raad ook overweegt zal voor [kind 3] het verhuizen het moeilijkst zijn, omdat hij gezien zijn jonge leeftijd en zijn aard een grotere behoefte heeft aan houvast van bestaande contacten, zoals de sociale contacten in de buurt, vrienden, voetbalclub en school. Daarentegen wil [kind 3] wel het liefste dat [kind 1], [kind 2] en hij bij elkaar blijven wonen. Deze wens van [kind 3] is volgens de raad authentiek. Het is de taak van de ouders aan [kind 3] een veilige opvoedingsomgeving te geven waarin hij kan ervaren dat afstand geen enkele belemmering betekent in een waardevol blijvend contact met de man, zoals ook de raad heeft geconcludeerd. Hoewel iedere verhuizing voor- en nadelen voor kinderen heeft, is het hof ervan overtuigd dat [kind 3], maar ook [kind 1] en [kind 2] hun weg (na verloop van tijd) wel weer zullen vinden. Voorts neemt het hof in aanmerking dat bij een verhuizing de huidige zorgregeling met betrekking tot [kind 3] kan worden blijven nageleefd. Dat door de verhuizing de reisafstand wordt vergroot acht het hof voor de man noch de kinderen te bezwaarlijk. Alle voornoemde belangen en omstandigheden tegen elkaar afwegende, waarbij het belang van de kinderen centraal staat, maar niet doorslaggevend is, komt het hof tot de conclusie dat het belang van de vrouw om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, en [kind 2] en [kind 3] aldaar op een school in te schrijven, zwaarder weegt dan het belang van de man bij een afwijzing van het verzoek van de vrouw. Het door de man aangevoerde is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Het hof zal het verzoek van de vrouw om haar toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen en [kind 2] en [kind 3] aldaar op een school in te schrijven, dan ook toewijzen.

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

Ten aanzien van de kinderalimentatie

5.16

De man betwist niet dat behoefte bestaat aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

5.17

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. De vrouw betwist dat.

5.18

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.19

De man heeft gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn huidige inkomen op basis van zijn uitkering, nu zijn arbeidsovereenkomst bij AncoferWaldram Steelplates B.V. per 1 januari 2013 is beëindigd. De vrouw heeft gesteld dat er aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies en dat daarom ook voor de periode vanaf die datum rekening moet worden gehouden met het inkomen dat hij ontving bij AncoferWaldram Steelplates B.V.

Het hof oordeelt als volgt. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het inkomen dat de man vóór de beëindiging van zijn dienstverband ontving voor herstel vatbaar is. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is gebleken dat de man en zijn werkgever in overleg hebben besloten dat het dienstverband van de man zou eindigen per 1 januari 2013. De man heeft verklaard dat de reden voor de beëindiging van zijn dienstverband is gelegen in het feit dat zijn privéproblemen door de echtscheiding steeds meer zijn werkzaamheden gingen beïnvloeden en naar het oordeel van de werkgever van de man een ongeoorloofde inmenging gingen vormen. Gelet op die gang van zaken acht het hof het voldoende aannemelijk dat de man niet kan terugkeren in zijn baan bij AncoferWaldram Steelplates B.V. Voorts blijkt uit de door de man overgelegde sollicitaties en afwijzingen op sollicitaties dat hij regelmatig activiteiten verricht om werk te vinden, maar dat het hem nog niet gelukt is om een betaalde baan te vinden. Bovendien is de man, omdat hij een WW-uitkering ontvangt, ook verplicht om te solliciteren en wordt hij uit dien hoofde door het UWV gecontroleerd. Het hof is van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat het inkomen van de man niet voor herstel vatbaar is.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de man zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen, had dienen te onthouden van gedragingen die tot zijn ontslag, met als gevolg de inkomensvermindering, hebben geleid. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij getracht heeft te voorkomen dat zijn psychische gesteldheid zijn functioneren in zijn werk zou belemmeren, bijvoorbeeld door professionele hulpverlening in te schakelen. Verder komt het hof niet aannemelijk voor dat de werkgever die de man in december 2011 nog een bedrag aan gratificaties van € 12.500,- heeft toegekend en op 16 juli 2012 een tussentijdse gratificatie van € 2.500,- als teken van waardering voor zijn inzet en inspanningen heeft toegekend, de man wegens het niet goed functioneren had mogen ontslaan, ook al heeft dit plaatsgevonden via een door de man getekende beëindigingsovereenkomst. De man, die al vanaf 1 april 2009 in dienst was bij deze werkgever, had onder de gegeven omstandigheden niet mogen instemmen. Daarbij komt dat uit de stukken ook niet blijkt van enig verzet van de man jegens de wens van de werkgever om tot het einde van het dienstverband van de man te komen.

Het hof is van oordeel dat voornoemd handelen en nalaten aan de man kan worden verweten, dat het daardoor ontstane inkomensverlies aan hem kan worden toegerekend en dat de gevolgen daarvan volledig voor zijn rekening dienen te komen.

5.20

Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van het inkomen dat de man blijkens de in 3.3 genoemde salarisspecificatie van september 2012 bij AncoferWaldram Steelplates B.V. ontving.

Wat betreft de belaste gratificaties van € 17.500,- bruto per jaar waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden en waarvan de man stelt dat hij slechts eenmaal, te weten in 2011, in totaal een dergelijke gratificatie heeft ontvangen overweegt het hof als volgt. Het hof zal in redelijkheid rekening houden met het gemiddelde van de door de man ontvangen gratificaties over de jaren 2010 tot en met 2012, te weten afgerond € 11.500,- bruto per jaar

(2010 € 14.500,-, 2011 € 17.500,- en 2012 € 2.500,-).

5.21

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de op de salarisspecificatie van september 2013 vermelde pensioenpremie, premie WGA Hiaat, alsmede met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.22

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten

van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijk over [kind 1], [kind 2] en [kind 3] voor wie de man onderhoudsplichtig is, nu gesteld noch gebleken is dat die behoefte verschillend is.

5.23

Wat de woonlasten van de man betreft, overweegt het hof als volgt. De man woonde tot 2 oktober 2013 in een huurwoning, waarvan de kale huurprijs € 993,69 bedroeg, zodat het hof met dit bedrag rekening zal houden. De man heeft met ingang van 2 oktober 2013 een andere huurwoning betrokken en de kale huurprijs van deze woning bedraagt € 574,35, zodat het hof in redelijkheid met ingang van 1 oktober 2013 met dit bedrag rekening zal houden.

Wat de kosten van de voormalige echtelijke woning (verder: de woning) betreft heeft de vrouw onbetwist gesteld dat de man de hypothecaire lasten met betrekking tot woning niet meer heeft voldaan sinds september 2012. Het hof zal daarom bij de berekening van de draagkracht van de man alleen rekening houden met zijn huurlasten.

5.24

Uit de stukken blijkt dat de premie van de man voor de zorgverzekering € 166,30 per maand bedraagt. Dit bedrag verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 35,- per maand voor een alleenstaande, zal het hof in de draagkrachtberekening meenemen. Het hof houdt geen rekening met het verplicht eigen risico van € 350,- per jaar, nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft betaald.

5.25

De man stelt dat omgangkosten hoger zijn dan de door de rechtbank vastgestelde omgangskosten van € 95,- per maand. Hij heeft echter nagelaten te onderbouwen hoe hoog de omgangskosten in werkelijkheid zijn. Het hof ziet in de stellingen van de man onvoldoende reden om rekening te houden met een hoger bedrag aan omgangskosten dan

€ 95,- per maand.

5.26

Met de door de man opgevoerde schulden en de daaruit voortvloeiende maandlasten houdt het hof evenmin rekening. Met de door hem in het geding gebrachte afschriften van schulden, waarbij geen concrete toelichting en onderbouwing van de maandlasten zijn gevoegd, heeft de man naar het oordeel van het hof de noodzaak voor het aangaan van de desbetreffende schulden onvoldoende aannemelijk gemaakt.

5.27

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man met zijn ‘oude’ inkomen met ingang van 19 maart 2013 draagkracht voor de door de vrouw in eerste aanleg gevraagde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 600,- per kind per maand.

5.28

Nu het hof uitgaat van het inkomen dat de man ontving vóór de beëindiging van zijn dienstverband, mag de door het hof op te leggen bijdrage niet ertoe leiden dat de man feitelijk niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien en in ieder geval niet tot het resultaat dat zijn inkomen daalt tot beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm.

5.29

Het hof zal daarom hierna aan de hand van het feitelijk inkomen en de hiervoor noodzakelijke lasten van de man toetsen of hij, doordat hij dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 600,- per kind per maand, zakt beneden de hiervoor genoemde 90%-norm.

5.30

Op grond van het voorgaande heeft het hof het besteedbare inkomen van de man op basis van zijn feitelijke inkomen en zijn noodzakelijke lasten berekend als in de aangehechte en door griffier gewaarmerkte draagkrachtberekening. Daaruit blijkt dat de man na betaling van zijn noodzakelijke lasten onvoldoende overhoudt om € 600,- per kind per maand van te kunnen betalen. Het hof heeft het besteedbaar inkomen van de man met ingang van 19 maart 2013 becijferd op € 1.972,- per maand. Voor het toepasselijk bijstandsniveau gaat het hof uit van de alleenstaande norm van € 925,- per maand waarvan 90% uitkomt op € 832,50 per maand. Voor het overige wordt geen rekening gehouden met de lasten die deel uitmaken van de berekening van de draagkracht op grond van het fictieve inkomen.

5.31

Het vorenstaande in aanmerking nemend, concludeert het hof dat het totale inkomen van de man in de periode van 19 maart 2013 tot 1 oktober 2013 zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm indien hij een kinderalimentatie van € 600,- per kind per maand zou moeten voldoen. Rekening houdend met de 90%-norm, moet de man met ingang van 19 maart 2013 in staat worden geacht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 1.139,50 per maand

(€ 1.972,- minus € 832,50), zijnde € 379,83 per kind per maand.

5.32

De man stelt dat de vrouw ook dient bij te dragen in de kosten van de kinderen.

Vast is komen te staan dat de vrouw een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ontvangt van de gemeente Arnhem. Van de vrouw mag verwacht worden dat zij zich tot het uiterste inspant om een betaalde baan te vinden. Gelet op het feit dat de vrouw een uitkering ontvangt is zij ook verplicht om te solliciteren en uit dien hoofde controleert ook de gemeente of de vrouw aan haar sollicitatieverplichtingen voldoet. Nu de vrouw nog geen betaalde baan heeft en leeft van de bijstandsuitkering is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat de vrouw thans niet in staat is bij te dragen in de kosten van de kinderen.

5.33

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw met ingang van 19 maart 2013 geen draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Dit betekent dat er geen reden is de bijdragen van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op een lager bedrag vast te stellen dan zijn draagkracht toelaat.

6 De slotsom

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven genummerd 1, II en III van de man, slagen de grieven genummerd V en VI van de man deels en slaagt de grief van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, deels bekrachtigen en deels vernietigen, en beslissen als hierna zal worden vermeld.

in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief van de vrouw. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen, en beslissen als hierna zal worden vermeld.

in beide procedures

6.3

In de omstandigheid dat partijen elkaars gewezen echtgenoten zijn en het geschil uit de ontbinding van hun huwelijk voortvloeit, ziet het hof aanleiding voor compensatie van de kosten in hoger beroep.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

Het hof heeft twee berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende:

- in het principaal en het incidenteel hoger beroep in de procedure met zaaknummer 200.128.951:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van

19 maart 2013, wat betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van

19 maart 2013, wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

verdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw betreffende [kind 3] aldus dat [kind 3] bij de man verblijft eenmaal per veertien dagen (in de oneven weken) van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 19.00 uur na het avondeten, waarbij de vrouw [kind 3] op vrijdag naar de man brengt en de man [kind 3] op zondag weer terugbrengt naar de vrouw;

wijst het verzoek van de man tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw betreffende [kind 1] en [kind 2] af;

verstaat dat bij [kind 1] en [kind 2] het initiatief ligt in hun contact met de man; afspraken voor contactmomenten dienen in onderling overleg tussen [kind 1], [kind 2] en de ouders te worden vastgesteld;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 19 maart 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 379,83 per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- in hoger beroep in de procedure met zaaknummer 200.134.206:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

12 augustus 2013, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] en het daarmee samenhangende verzoek tot inschrijving van [kind 2] op het [D] te Cuijk en [kind 3] op basisschool ‘[C]’ te [plaats] alsnog toe;

- in hoger beroep in beide procedures:

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Prakke-Nieuwenhuizen en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 19 december 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.