Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9762

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
21-006694-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:2900, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren ter zake doodslag op haar dochter op 2 janauri 2013 te IJsselstein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006694-13

Uitspraak d.d.: 20 december 2013

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 juli 2013 met parketnummer 16-700030-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Overijssel, PIV HvB Zwolle te Zwolle.

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. W.J. Ausma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep te worden bevestigd met overneming van die gronden. Dit laatste lijdt uitzondering voor hetgeen in het vonnis is overwogen ten aanzien van de aan verdachte opgelegde straf, alsmede de door de rechtbank getrokken conclusie betreffende de mate van toerekenbaarheid.

Overwegingen

In de rapportage pro justitia van 29 april 2013, opgemaakt door drs. M.R. Weeda, forensisch psychiater en drs. P.E. Geurkink, forensisch psycholoog wordt door voormelde deskundigen geadviseerd de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde te beschouwen. De rechtbank heeft de gronden en overwegingen waarop het advies van de deskundigen berust overgenomen, maar geconcludeerd dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof ziet in de motivering van de rechtbank noch in hetgeen het hof omtrent de persoon van verdachte is gebleken reden om af te wijken van het door de deskundigen gegeven advies en kan zich om die reden niet met de opvatting van de rechtbank verenigen. Het hof zal verdachte dan ook als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde beschouwen.

Motivering van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren geëist. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd. De officier van justitie heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal eveneens gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren zal worden opgelegd.

Verdachte heeft tijdens een ruzie met haar hevig puberende en rebelse dochter een mes gepakt en haar dochter met dat mes in haar borstkas gestoken ten gevolge waarvan zij is overleden. Verdachte heeft daarmee het leven van haar dochter genomen dat zich in de bloei van haar leven bevond, terwijl zij juist – mede gelet op haar jonge leeftijd – van haar moeder mocht verwachten dat deze haar de veiligheid en bescherming zou bieden, die bij haar rol als meest nabij familielid en opvoeder past. Gelet op de ernst van het feit is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, in een situatie als deze als billijk uitgangspunt heeft te gelden. Daarbij heeft het hof tevens in ogenschouw genomen wat in strafzaken bij dergelijke levensdelicten pleegt te worden opgelegd.

De rechtbank heeft echter aanleiding gezien om in sterke mate van de eis van het openbaar ministerie af te wijken. Als straf verlagende factoren heeft de rechtbank daarbij gelet op de persoon van de verdachte waarbij de rechtbank in het bijzonder heeft gelet op onder meer:

  • -

    het uittreksel justitiële documentatie van verdachte waaruit is gebleken dat zij niet eerder met justitie in aanraking is geweest;

  • -

    het oordeel dat er sprake is van een verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte;

  • -

    de rapportage pro justitia van 29 april 2013 waaruit kan volgen dat de kans op recidive klein is en dat er geen noodzaak bestaat om een behandeling in een juridisch kader te adviseren;

  • -

    de heftige gevoelens van diep berouw en het schuldbesef bij verdachte waarvan ter terechtzitting is gebleken. Verdachte moet immers voortleven met het verlies van haar dochter en de wetenschap dat zij haar om het leven heeft gebracht. Zij zal haar leven lang beseffen dat zij daarmee haar gezin en ieder, voor wie het slachtoffer dierbaar was, onherstelbaar verdriet heeft aangedaan.

Ook het hof betrekt drie van deze omstandigheden bij de bepaling van de strafmaat, maar kent daaraan onvoldoende gewicht toe om op de door de rechtbank gebezigde gronden te besluiten tot een zo radicale reductie van het aantal jaren gevangenisstraf als de rechtbank heeft gedaan. Daarentegen acht het hof verdachte, zoals hierboven is overwogen, ‘slechts’ enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het tenlastegelegde, hetgeen in beginsel tot een zwaardere straf zou moeten leiden dan de door de rechtbank gekozen straf. Om tot een lagere straf dan geïndiceerd te komen, zal het hof dan ook deels andere gronden moeten bezigen dan de rechtbank geeft gekozen.

In straf-verlagende zin heeft de rechtbank terecht in grote mate ook laten meewegen dat de gezinsleden van verdachte, tevens nabestaanden van het slachtoffer, zoals is gebleken uit de ter terechtzitting van de rechtbank afgelegde slachtofferverklaring, jegens verdachte vergevingsgezind zijn, ondanks het gemis van hun dochter en zusje. Zij hebben tot uitdrukking gebracht dat de afwezigheid van verdachte in het gezin een gevoel van een dubbel verlies geeft en de vurige wens geuit dat verdachte haar plaats in het gezin weer kan innemen. In verband daarmee hebben zij zeer nadrukkelijk verzocht verdachte geen gevangenisstraf van lange duur op te leggen. Daarmee wordt immers niet alleen verdachte maar het hele gezin andermaal getroffen.

Ook ter terechtzitting in hoger beroep hebben de nabestaanden blijk gegeven van vergevingsgezindheid jegens verdachte en te kennen gegeven dat de onderhavige zaak slechts slachtoffers heeft opgeleverd. Daarbij hebben zij benadrukt dat, anders dan de appelschriftuur van de officier van justitie zou kunnen doen vermoeden, zij niet meer sympathie voor verdachte dan voor het – qua gedrag soms problematische – slachtoffer koesteren. Uit de voorgedragen slachtofferverklaring volgt voorts dat de gezinsleden slechts wensen dat zij, naast het slachtoffer, niet ook verdachte voor langdurige tijd zullen moeten missen hetgeen met name voor de twee jongste kinderen van het gezin, die ten zeerste gebaat zijn bij de zorg van hun moeder, van groot belang is. De nabestaanden hebben zich, zo is ter terechtzitting van het hof naar voren gekomen, in het vonnis van de rechtbank gehoord en begrepen gevoeld en aan dat vonnis de verwachting ontleend dat zij op afzienbare termijn weer met verdachte herenigd zouden zijn zodat de gezamenlijke rouwverwerking in het gezin in aanwezigheid van verdachte een aanvang kan nemen.

In overweging nemende wat ter terechtzitting van het hof aan de orde is gesteld en in het bijzonder de exceptionele vergevingsgezinde opstelling van de nabestaanden jegens verdachte en de gehechtheid van de gezinsleden aan verdachte als spil van het gezin - welke rol verdachte na het uitzitten van haar straf naar verwachting weer op zich zal nemen -, ziet het hof aanleiding de straf, zoals door de rechtbank is opgelegd, over te nemen en daarmee in zeer aanzienlijke mate van het hierboven geformuleerde uitgangspunt en de in beginsel billijke strafeis van de advocaat-generaal af te wijken. Ook het openbaar ministerie heeft bij het formuleren van zijn eis rekening gehouden met de diverse omstandigheden, maar weegt deze klaarblijkelijk anders dan het hof. In het bijzonder nog heeft het hof ook betekenis toegekend aan het gegeven dat verdachte de straf zoals door de rechtbank eerder is opgelegd, heeft aanvaard door tegen dat vonnis geen appel in te stellen. Daarmee heeft zij bijgedragen aan de door het gezin beoogde en gewenste noodzakelijke aanvaarding van de straf om verder te kunnen met het thans zo ontwrichte gezinsleven.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr P.R. Wery en mr A.W.M. Elders, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen, griffier,

en op 20 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.