Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9745

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
ks 21-005931-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:936, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grensrechterzaak Almere

Veroordeling van 16 jarige verdachte wegens het medeplegen van doodslag en openlijk geweld op grensrechter Nieuwenhuizen op 2 december 2012 te Almere, tot 24 maanden jeugddetentie waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarde. Dadelijke uitvoerbaarheid.

Gevoerde betrouwbaarheidsverweren verworpen.

Overwegingen bewijs van medeplegen, bewuste samenwerking en opzet op doodslag.

Causaliteitsvraag: overwegingen toerekening naar redelijkheid; bewijs van causaliteit. Alternatieve causaliteitsoorzaak verworpen.

Strafmotivering: verdachte heeft, als mede-initiator, de grensrechter meermalen krachtig geschopt. Geen bereidheid om te verklaren over verloop incident.

Naast jeugddetentie tevens gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005931-13

Uitspraak d.d.: 19 december 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juni 2013 met parketnummer 07-661060-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [gebooteplaats] op [1996],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

1 Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 augustus 2013, 26 augustus 2013 (uitspraak tussenarrest) 19 november 2013, 22 november 2013, 29 november 2013, 5 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde het verlenen van medewerking aan de maatregel Hulp en Steun. De advocaat-generaal heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarde gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd, dat:

  • -

    de vordering van [benadeelde1] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van [benadeelde2] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot de bedragen van € 12.874,85 (uitvaartkosten) en € 2.831,40 (kosten schadeberekening), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [benadeelde1] en [benadeelde2] voor het overige niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering;

  • -

    de benadeelde partijen [benadeelde3] en [benadeelde4] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.J. van Essen, naar voren is gebracht.

3 Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

4 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk R. Nieuwenhuizen van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde Nieuwenhuizen is overleden;

1 subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd R. Nieuwenhuizen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een traumatische beschadiging van een wervelslagader, met als gevolg infarcering van de hersenstam) heeft toegebracht, door meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

1 meer subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten R. Nieuwenhuizen), tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze is overleden;

2:
hij op of omstreeks 02 december 2012 te Almere met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten op het terrein van voetbalvereniging Buitenboys, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen R. Nieuwenhuizen en/of [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen en/of het meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Inleidende beschouwing

5.1

Algemeen

Op 2 december 2012 heeft er na afloop van de wedstrijd tussen Buitenboys B3 en Nieuw Sloten B1 op één van de voetbalvelden van voetbalvereniging Buitenboys te Almere een vechtpartij plaatsgevonden, waarbij de grensrechter van de B3 van Buitenboys, Richard Nieuwenhuizen door meerdere personen behorende tot de bezoekende club Nieuw Sloten is geslagen en geschopt. De volgende dag is grensrechter Nieuwenhuizen komen te overlijden. Verdachte wordt onder 1 en 2 – kort gezegd – verweten dat hij een strafbare bijdrage heeft geleverd aan deze vechtpartij. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat verdachte zich – zoals hieronder zal worden overwogen – schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag en aan openlijke geweldpleging. Aan deze vaststelling zullen strafrechtelijke en civielrechtelijke consequenties worden verbonden. Voorafgaand aan deze overwegingen worden enkele inleidende opmerkingen gemaakt ten aanzien van de door het hof gevolgde werkwijze met betrekking tot de beoordeling en waardering van beschikbare verklaringen en fotomateriaal.

5.2

Beoordeling verklaringen

Het incident met betrekking tot grensrechter Nieuwenhuizen heeft zich in een zeer kort tijdbestek voltrokken. De gewelddadige gedragingen richting Nieuwenhuizen, die werden voorafgegaan door een discussie, hebben maximaal 50 seconden geduurd. Bij het incident waren spelers, leiders, trainers en toeschouwers aanwezig en het middelpunt van het incident – Richard Nieuwenhuizen – heeft zich gedurende deze 50 seconden op een tweetal plekken op het veld begeven, te midden van een wirwar van personen. Gelet op dit korte tijdsverloop, deze kluwen van mensen – voor zover het spelers betreft ook nog eens grotendeels in dezelfde tenues – en het verplaatsen door grensrechter Nieuwenhuizen, is het voor getuigen bepaald niet eenvoudig gebleken om een adequate en complete verklaring af te leggen over het geheel van handelingen. In het algemeen kan worden vastgesteld dat de getuigen van het incident niet allemaal ‘de hele film’ hebben gezien. De meeste afgelegde verklaringen zijn dan ook eerder fragmentarisch en beperkt tot de handelingen die bijvoorbeeld zijn verricht op een specifiek moment of door een bepaald persoon. Hierbij heeft de locatie waar de desbetreffende getuige zich bevond ten tijde van zijn waarneming ook een rol gespeeld. Bepaalde handelingen kunnen bijvoorbeeld wel zijn verricht, maar niet zijn waargenomen, simpelweg omdat er iemand in het gezichtsveld stond, of omdat een getuige ver van het incident vandaan stond. In dit licht dient de beoordeling en waardering van de hierboven bedoelde getuigenverklaringen met gepaste behoedzaamheid plaats te vinden. Daarom worden alleen verklaringen van getuigen voor het bewijs gebezigd voor zover deze verklaringen steun vinden (verankerd zijn) in verklaringen van andere getuigen of een ander bewijsmiddel.

In het licht van het voorgaande verdient nog opmerking dat door verschillende raadslieden van de verdachten kritiek is geuit op het zogenoemde ‘shoppen’ in getuigenverklaringen, waarbij uit alle bewijsmiddelen slechts de belastende gedeelten voor het bewijs zouden worden gebezigd en de ontlastende gedeelten zouden worden gepasseerd. Zo zou bijvoorbeeld de ene getuige die belastend heeft verklaard over persoon A en niets heeft verklaard over gedragingen van persoon B, slechts in belastende zin worden gebruikt ten aanzien van persoon A en niet in ontlastende zin ten aanzien van persoon B.

Volstaan wordt met de weergave van het geldend recht op dit onderhavige punt. Naar vaste jurisprudentie dient te worden vooropgesteld dat het aan de rechter – die over de feiten oordeelt en het ten laste gelegde bewezen verklaart – is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering van de bewijsmiddelen behoeft – bijzondere gevallen daargelaten – geen nadere motivering.1

5.3

Foto’s

Een bijzonderheid in deze zaak is dat er door twee toeschouwers foto’s zijn gemaakt, hetgeen tot 11 foto’s van het incident heeft geleid. Dit betekent dat er van voornoemde 50 seconden slechts 11 momenten zijn vastgelegd, waarbij het merendeel van deze vastgelegde fragmenten de laatste fase van deze 50 seconden betreffen. Een aantal foto’s is getoond bij de getuigen- en/of verdachtenverhoren bij de politie en de rechter/raadsheer-commissaris, en ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Over deze foto’s wordt het navolgende opgemerkt.

De foto’s geven slechts een beeld van een momentopname van de gebeurtenissen op het voetbalveld. De foto’s zijn van een afstand genomen en dienen met grote terughoudendheid te worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld ten aanzien van de exacte onderlinge afstanden tussen de betrokkenen. Dit geldt nog sterker voor die foto’s die zijn genomen met gebruikmaking van een telelens. Personen die op de foto dicht bij elkaar lijken te staan, kunnen in werkelijkheid verder van elkaar verwijderd hebben gestaan. Ook kunnen personen die niet op de foto te zien zijn, zich wel degelijk in de kring van vechtenden hebben bevonden. Doordat foto’s een momentopname weergeven, kunnen er op de foto’s geen bewegingen worden waargenomen. Een rennende beweging kan er op een stilstaand beeld uitzien als een trappende beweging, en ook omgekeerd. De foto’s kunnen echter wel – met inachtneming van de hierboven opgesomde voorbehouden door middel van een rechterlijke waarneming – een indicatie geven van de positie van Nieuwenhuizen en welke personen zich op een bepaald moment in de nabijheid bevonden van de gevechtshandelingen, hetgeen vervolgens zonodig kan worden gebruikt bij de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachten en de getuigen over die desbetreffende situatie.

De foto’s zijn op een gegeven moment aan alle verdachten en vrijwel aan iedere getuige getoond. In sommige gevallen heeft dit zelfs meermalen plaatsgevonden. Voor zover ten aanzien hiervan door de verdediging is betoogd dat de nadere getuigenverklaringen hierdoor zijn beïnvloed en op die grond van onwaarde zijn, verdient opmerking dat de foto’s in beginsel aan de verdachten en de getuigen zijn getoond eerst nadat betrokkenen zelf de situatie ter plekke en hetgeen door hen was waargenomen, in hun verklaring hadden beschreven. De foto’s die vervolgens zijn getoond hebben in sommige gevallen geleid tot een aanvullende verklaring, een verduidelijking van de eerdere afgelegde verklaring of een bevestiging dat een bepaalde in de eerdere verklaring genoemde persoon inderdaad een bepaalde handeling heeft verricht. Tegen de gevolgde werkwijze bestaat uit het oogpunt van de (bewijs)waardering van getuigenverklaringen geen bezwaar. Voor zover het tonen van de foto’s heeft geleid tot verklaringen die afwijken van de eerdere verklaring(en) of tot verklaringen waarin pas voor het eerst een persoon wordt beschuldigd, worden deze verklaringen met gepaste behoedzaamheid beschouwd, in de gevallen waarin zij toch voor het bewijs worden gebezigd. Ten aanzien van die verklaringen is telkens getoetst of er een ontoelaatbare beïnvloeding door de foto’s heeft plaatsgevonden.

In bepaalde gevallen hebben getuigen reeds voordat zij hun eerste verklaring hebben afgelegd één of meerdere foto’s bekeken. Dit zijn bijvoorbeeld degenen die de foto’s hebben gemaakt en degenen die toegang hadden tot de foto’s. Ook is één van de foto’s – in geanonimiseerde vorm (geblurd) – geplaatst op de voorpagina van dagblad De Telegraaf. Voor zover getuigen hun eerste verklaring pas hebben afgelegd na het zien van één of meer foto’s, worden ook deze verklaringen met gepaste behoedzaamheid beschouwd en slechts dan voor het bewijs gebezigd wanneer blijkt dat hetgeen waarover is verklaard ook daadwerkelijk door betrokkene zelf is waargenomen.

5.4

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kritisch zijn getoetst en dat deze slechts zijn gebruikt voor zover zij zijn verankerd in andere verklaringen dan wel bewijsmiddelen. Een en ander leidt tot de navolgende overwegingen en bevindingen.

6 Algemene uiteenzetting gang van zaken 2 en 3 december 2012

Hieronder zal eerst een globale beschrijving worden gegeven van de gebeurtenissen op 2 en 3 december 2012. Verderop zal nader worden ingegaan op de specifieke rol die verdachte heeft vervuld. De bronnen die ten grondslag liggen aan deze uiteenzetting worden weergegeven in voetnoten. Deze bronnen fungeren enkel als bewijsmiddel in strafvorderlijke zin indien en voor zover zij in een eventueel later op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen als dragend en redengevend voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Op zondag 2 december 2012 speelde voetbalteam Buitenboys B3 thuis een competitiewedstrijd tegen Nieuw Sloten B1 op één van de kunstgrasvelden van het terrein van Buitenboys B3.2 De wedstrijd, die eindigde in 2-2, werd geleid door scheidsrechter [scheidsrechter].3 Hij werd bijgestaan door twee door de teams aangeleverde grensrechters. Namens Buitenboys B3 was dit Richard Nieuwenhuizen.4 Tijdens de wedstrijd werd er door spelers van Nieuw Sloten veelvuldig commentaar geleverd op het vlaggen door grensrechter Nieuwenhuizen.5 Hierbij werd er op hem gescholden. Na de wedstrijd werd Nieuwenhuizen omstreeks 12.20 uur aangesproken door een aantal spelers van Nieuw Sloten, waarbij ook een trainer/begeleider van Nieuw Sloten betrokken was. Nieuwenhuizen werd hierbij geslagen en ten val gebracht, waarna er op hem werd ingeschopt. Nieuwenhuizen heeft – na te zijn opgekrabbeld – geprobeerd weg te rennen, maar werd kort hierop wederom ten val gebracht. Terwijl hij op de grond lag, werd er opnieuw op hem ingeslagen en ingeschopt. Een van de geweldplegers zegt hier later over dat hij bang was geweest dat Nieuwenhuizen niet meer zou opstaan, omdat hij zo hard werd geschopt.6 Hij werd helemaal ‘kapot geramd.’7 Nieuwenhuizen beschermde zich door zijn armen voor zijn hoofd en borst te brengen. Hij huilde.8

Nieuwenhuizen is, nadat omstanders ingrepen, opgestaan. Hij had bloed aan zijn hand en heeft zijn schoen – die hij bij de schermutselingen verloren had – opgezocht en is van het veld gegaan9. Hij is, nadat hij is verzorgd aan een wond aan zijn hand in de verzorgkamer van de voetbalclub, met zijn zoon [benadeelde1] naar huis gegaan.10 Nieuwenhuizen heeft nog met een aantal mensen op de club gesproken. Hij maakte na afloop van het incident op hen een geschrokken en aangeslagen indruk.11 Zijn jas was stuk en de capuchon van zijn jas hing los.12 Een aantal mensen zag een blauwe dikke wang en iemand zag een dikke lip bij Nieuwenhuizen.13 Nieuwenhuizen klaagde in de verzorgingsruimte op de club over pijn aan zijn schouder.14 Nieuwenhuizen is thuis direct op bed gaan liggen. Hij klaagde tegen zijn zoon over behoorlijke pijn aan hoofd en rug.15 Nieuwenhuizen is in de loop van de middag weer teruggegaan naar de club en heeft plaatsgenomen in een dug-out.16

Rond 15.00 uur die middag, derhalve ongeveer twee en een half uur na het incident, raakte Nieuwenhuizen – gezeten in de dug-out – onwel.17 Hij is per ambulance vervoerd naar het Flevoziekenhuis in Almere. Omdat zijn toestand snel verslechterde, is hij overgebracht naar het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein. In dit ziekenhuis werd een beschadiging van de linker wervelslagader, een zogeheten dissectie, vastgesteld. Ten gevolge hiervan was er een bloedophoping ontstaan tussen de beschadigde wandlagen van de wervelslagader. Door deze bloedophoping werd deze wervelslagader afgesloten, waardoor een herseninfarct is ontstaan. Op 3 december 2012 omstreeks 15.00 uur is Nieuwenhuizen hersendood verklaard en om 17.00 uur is hij komen te overlijden.18

7 Rol van de verdachte

Hieronder volgt een feitelijke beschrijving van de rol van verdachte. Ook hier geldt dat de bronnen ten aanzien van de gedragingen van verdachte worden weergegeven in voetnoten. Voor zover deze verklaringen eveneens als bewijsmiddel zullen worden gebruikt, worden zij opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling.

Verdachte was één van de spelers van team Nieuw Sloten en droeg rugnummer [nummer].19 Direct na de wedstrijd ontstond er een discussie tussen spelers van Nieuw Sloten en de grensrechter. Deze discussie is snel ontaard in geschreeuw, duwen en trekken, waarbij er werd geslagen tegen het gezicht en de nek van de grensrechter. Nieuwenhuizen is toen van achteren neergehaald, waarbij er door medeverdachte [medeverdachte1] krachtig op hem is ingetrapt. Verdachte heeft de grensrechter geschopt aldus medeverdachte [medeverdachte4].20 Trainer [getuige25] heeft verklaard dat hij onder meer van verdachte zelf hoorde dat hij heeft (mee)gevochten.21 [getuige3] verklaart dat verdachte samen met [medeverdachte1] Nieuwenhuizen heeft geschopt. Hierbij deelde verdachte schoppen uit aan de grensrechter.22 Ook [getuige18] dicht verdachte een schoppende rol toe terwijl Nieuwenhuizen op de grond ligt.23 [getuige2] heeft waargenomen dat verdachte als één van de eersten op de grensrechter afliep. Hij stond vooraan in de strijd. En hij was een paar keer aan het trappen tegen Nieuwenhuizen.24 Hij trapte Nieuwenhuizen ter hoogte van de rug. Verdachte trapte volgens [getuige2] met de bovenkant van zijn voet.25

8 Bewijsoverwegingen

8.1

Algemeen

Door de verdediging is verweer gevoerd op het punt van de bewijsbaarheid van daderschap en het daarvoor benodigde opzet alsmede op het punt van verondersteld ontbreken van het voor strafbaarheid benodigde causale verband. Hoewel bij de beoordeling van een ten laste gelegd verwijt het in de praktijk in de rede ligt om eerst aandacht te besteden aan de causaliteitsvraag (ontbreekt deze bij een materieel omschreven delict zoals onder 1 primair is ten laste gelegd, dan komt men aan een nadere beoordeling van de subjectieve kant van de gedraging niet meer toe) is er – mede vanwege de leesbaarheid van dit arrest – voor gekozen de materieel strafrechtelijke lijn te volgen en eerst aandacht te besteden aan de vraag naar het (mede)plegen en het in dat kader benodigde opzet om daarna uitgebreid in te gaan op de causaliteitsvraag.

8.2

Betrouwbaarheidsverweren

Gevoerde betrouwbaarheidsverweren worden slechts besproken indien en voor zover de verklaringen waarop die verweren zien, daadwerkelijk voor het bewijs worden gebezigd.

De voor het bewijs gebruikte verklaringen vinden steun in andere verklaringen en worden – met inachtneming van al hetgeen hierover is gesteld in paragraaf 5 – betrouwbaar geacht. Voor zover deze door de verdediging op uitdrukkelijke wijze nader zijn betwist, wordt hierover nog het navolgende overwogen.

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuige [getuige3], die belastend heeft verklaard over verdachte, betwist en heeft daartoe aangevoerd dat a) deze getuige minder lang dan hij zelf stelde bij verdachte op school heeft gezeten (hetgeen relevant zou zijn in het kader van de herkenning) b) getuige door verdachte uit het team is weggepest (hetgeen getuige een motief zou geven om onjuist te verklaren) en c) getuige is gediagnosticeerd met PDD-NOS.

Hieromtrent wordt het navolgende overwogen. Hoe lang deze getuige bij verdachte op school heeft gezeten is niet van invloed op de betrouwbaarheid van zijn herkenning van verdachte, nu verdachte een teamgenoot is van getuige en alleen al hierom verdachte heeft kunnen herkennen. Het gegeven dat [getuige3] door verdachte uit het team zou zijn weggepest – waarbij gelegenheidshalve wordt aangenomen dat dit daadwerkelijk is geschied – maakt niet dat getuige, die kennelijk weer deel uitmaakt van het team, onjuist heeft verklaard over de rol van verdachte. In dit kader dient ook te worden opgemerkt dat hetgeen getuige heeft verklaard over de rol van verdachte, steun vindt in andere bewijsmiddelen. Ten slotte is het blote gegeven dat een persoon is gediagnosticeerd met PDD-NOS zonder nadere onderbouwing - die ten enenmale ontbreekt - geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring te twijfelen. Het verweer wordt verworpen.

Voor zover de verdediging een betrouwbaarheidsverweer heeft gevoerd ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige2], door te wijzen op – naar de opvatting van de raadsvrouw – tegenstrijdigheden in die verklaringen, dient hierover het volgende te worden opgemerkt. Wat hiertoe door de raadsvrouw is aangedragen ter onderbouwing is niet van dien aard dat zij de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige2] aantasten. Daarbij wordt de verklaring van [getuige2] slechts gebruikt ten aanzien van de handelingen van verdachte, voor zover deze worden ondersteund door andere verklaringen. Het verweer wordt verworpen.

Voor zover de verdediging een betrouwbaarheidsverweer heeft gevoerd ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige18], door te wijzen op – naar de opvatting van de raadsvrouw – tegenstrijdigheden in die verklaringen, dient hierover het volgende te worden opgemerkt. Wat hiertoe door de raadsvrouw is aangedragen ter onderbouwing is niet van dien aard dat zij de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige18] aantasten. Weliswaar is [getuige18] niet zeker in zijn uitlatingen, zijn verklaring is anderszijds feitelijk en authentiek. Daarbij wordt de verklaring van deze getuige slechts gebruikt ten aanzien van de handelingen van verdachte, voor zover deze worden ondersteund door andere verklaringen. Het verweer wordt verworpen.

Tot slot wordt door de verdediging een opmerking gemaakt over een gebrekkige registratie en uitwerking van verklaringen. Er wordt – ook als de pleitnota erop wordt nageslagen – nagelaten dit deel van het pleidooi te voorzien van een onderbouwde conclusie.

Voor zover de verdediging de beschreven tekortkomingen heeft willen plaatsen in de sleutel van aantasting van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen met als conclusie dat deze verklaringen niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden, wordt als volgt overwogen.

De door de getuigen [getuige2] en [getuige3] afgelegde verklaringen konden door de verdediging worden getoetst en zijn ook getoetst door hen als getuige te bevragen in hun verhoren afgelegd ten overstaan van de rechter-commissaris. Voor zover de politieverklaringen niet adequaat zouden zijn weergegeven, heeft de verdediging hierover bij de rechter-commissaris de getuigen nadere vragen kunnen stellen, waarmee – voor zover nodig – adequate compensatie is geboden. Aldus is er geen reden de genoemde verklaringen om die reden van het bewijs uit te sluiten.

De verdediging stelt zich – tegen de achtergrond van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Vidgen tegen Nederland (EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071) – op het standpunt dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte4] dienen te worden uitgesloten van bewijs omdat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. Pogingen om betrokkene als getuige te ondervragen bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris stuitten op diens beroep op het verschoningsrecht.

Het verweer wordt verworpen: de gevallen, waarin het EHRM heeft uitgemaakt dat de vruchten van een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, betreffen zaken waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo'n geval is in het onderhavige geding niet aan de orde. De door de verdediging gelaakte verklaringen vormen namelijk niet het enige en beslissende bewijs, zoals zal blijken uit de te bezigen bewijsmiddelen, die uitgebreider zullen worden opgenomen in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest. Hierbij wordt in het bijzonder gedoeld op in het dossier aanwezige verklaringen van [getuige2], [getuige3] en [getuige18]. Van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm is dan ook geen sprake.

8.3

Medeplegen en opzet

8.3.1

Bewijs van medeplegen

Met betrekking tot het bewijs van medeplegen wordt het navolgende vooropgesteld.

De deelnemingsvorm 'medeplegen' ziet op een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de totstandkoming van een strafbaar feit. Aan het bewijs van medeplegen hoeft het niet zelfstandig verrichten van een uitvoeringshandeling niet zondermeer in de weg te staan, zoals evenmin lijfelijke afwezigheid een beletsel hoeft te vormen. Een vooropgezet plan hoeft aan het medeplegen niet ten grondslag te liggen, want medeplegen kan ook als een opwelling uit de situatie voortspruiten en zelfs stilzwijgend plaatsvinden. Evenmin hoeft iedere medepleger exact op de hoogte te zijn van de bijdragen van de andere medepleger(s) aan het strafbare feit. Wel dient er bij de medepleger sprake te zijn van een zogenoemd 'dubbel' opzet dat bestaat in een wilsgerichtheid, zowel op het tot stand brengen van het feit als op de samenwerking met de andere dader of daders.26 In de doctrine wordt in dit verband wel gesproken van de toereikendheid van een globaal opzet dat met behulp van een voorwaardelijk opzet-redenering tot bewijs kan leiden. Bij medeplegen gaat het om een samendoen, waarbij de samenwerking de kenmerken heeft van een geleverde rechtstreekse en substantiële bijdrage aan het vervullen van de centrale delictsbestanddelen. Bij de beoordeling van de feitelijke gedragingen kunnen als constitutieve elementen voor het bewijs van de nauwe samenwerking worden aangemerkt: de intensiteit van de samenwerking, eventuele taakverdeling, de rol in voorbereiding, uitvoering en afhandeling en het belang van die rol, het zich niet terugtrekken op daarvoor geëigende tijdstippen en aanwezigheid op de beslissende momenten.27

8.3.2

Bewijs van bewuste samenwerking

De vraag of de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten medeplegen opleveren, wordt beoordeeld aan de hand van de hierna te beschrijven feitelijke situatie. De bronnen waarnaar in dit feitelijk relaas wordt verwezen, zullen voor zover zij tot bewijs worden gebezigd worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt thans volstaan met een verwijzing door middel van voetnoten waarbij de tekst van de bronnen zoveel mogelijk wordt weergegeven.

Tijdens de wedstrijd tussen Buitenboys B3 en Nieuw Sloten B1 ontstond er veel onvrede bij de spelers van Nieuw Sloten omdat er veelvuldig werd gevlagd door grensrechter Nieuwenhuizen. De scheidsrechter floot dan af. De sfeer tijdens de wedstrijd is door de scheidsrechter en anderen omschreven als grimmig.28 De ouders van spelers van Nieuw Sloten bemoeiden zich met het spel en de buitenspelpositie van de spelers. In de rust is er door een speler van Nieuw Sloten aan de scheidsrechter gevraagd of de grensrechter kon worden vervangen, omdat ze niet tevreden waren over hem. De scheidsrechter vreesde in de rust door de frustratie bij de spelers van Nieuw Sloten en de bemoeienis van de bij de wedstrijd aanwezige ouders dat er weleens iets mis zou kunnen gaan, en heeft daarom gevraagd om bijstand van bestuursleden van Buitenboys tijdens de tweede helft. De scheidsrechter vertrouwde naar eigen zeggen de jongens van Nieuw Sloten niet.29 In de rust zat Nieuwenhuizen naast getuige [getuige4] op een bankje. Toen de spelers van Nieuw Sloten uit de kleedkamer kwamen voor de tweede helft, ontstond er een gespannen sfeer en keken ze agressief richting [getuige4] en Nieuwenhuizen. Een van de spelers zei tegen [getuige4]: “Jou moet ik niet hebben, maar die teringgrensrechter wel”, waarbij naar Nieuwenhuizen werd gewezen.30 De tweede helft is omschreven als nog grimmiger.31 De scheidsrechter heeft met Nieuwenhuizen afgesproken dat hij hem erbij moest roepen, als Nieuwenhuizen commentaar zou krijgen.32Tijdens de tweede helft uitte één van de spelers van Nieuw Sloten zijn ongenoegen richting Nieuwenhuizen tijdens een situatie van buitenspel. Deze speler werd door de scheidsrechter op zijn gedrag aangesproken, maar een tel later was het weer raak met een andere speler.33 Iedereen van Nieuw Sloten lette, aldus medeverdachte [medeverdachte4], in de tweede helft op de grensrechter.34De spelers van Nieuw Sloten reageerden agressief op de beslissingen van Nieuwenhuizen. Ze schreeuwden en scholden hem uit voor “kankerjood”, “tyfuslijer” en met buitenlandse woorden.35 Door [medeverdachte4] wordt tijdens de wedstrijd al de opmerking gemaakt: “Wij komen hier niet om te voetballen, maar om te rellen.”36 Medeverdachte [medeverdachte3] zegt tijdens de wedstrijd over de grensrechter: “Als ik hem niet pak, dan ben ik een kankerjood”.37 Direct na de wedstrijd liepen jongens van Nieuw Sloten op de grensrechter af om verhaal te halen.38 Deze groep jongens liep niet richting de middencirkel om handen te schudden, maar ze liepen richting Nieuwenhuizen. Daar waren bij medeverdachten [medeverdachte7], [medeverdachte3] en [medeverdachte2].39 Ook medeverdachte [medeverdachte5] stond daarbij, schreeuwde en sloeg Nieuwenhuizen tegen de schouder.40 Zij waren kritiek aan het leveren en verhaal aan het halen omdat de grensrechter niet goed gevlagd zou hebben. Nieuwenhuizen heeft zich kennelijk laten verleiden tot het aangaan van de discussie. Het was allemaal geschreeuw41 en het zag er agressief uit.42 Hierbij heeft [medeverdachte3] geslagen. Het verhaal halen escaleerde verder door de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte1], die de grensrechter ten val bracht43, waarbij zijn schoen door de lucht vloog.44 Er werd vanuit de kluwen van personen die hem omringde op Nieuwenhuizen ingeschopt.45 Verdachte trapte, evenals [medeverdachte1], de grensrechter.46 De grensrechter krabbelde op en rende weg. Er renden spelers van Nieuw Sloten achter de grensrechter aan, waaronder [medeverdachte3]. Zij renden in een soort kommetjesformatie, in een boog, achter Nieuwenhuizen aan.47 Ook een volwassene rende achter Nieuwenhuizen aan.48 Deze volwassene is [medeverdachte5].49 Na enkele meters viel de grensrechter opnieuw op de grond.50 Toen Nieuwenhuizen weer op de grond lag, gingen ze weer met zijn allen trappen.51 Hierbij waren – onder meer – [medeverdachte4], [medeverdachte7] en [medeverdachte3] betrokken. De spelers die achter hem aanzaten gingen weer boven en om hem heen staan in een soort van cirkel. De grensrechter dook in elkaar.52 [medeverdachte7] gaf de grensrechter harde trappen tegen de romp.53 [medeverdachte4] en [medeverdachte5] trapten op het hoofd van Nieuwenhuizen.54 Ook [medeverdachte3] trapte in op Nieuwenhuizen.55

Gelet op het voorgaande en hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van de relatief korte duur van de relevante gedragingen, wordt het voorval waarbij er geweld is gebruikt richting Richard Nieuwenhuizen gezien als één incident. De rechtbank heeft weliswaar een tweedeling aangebracht met als ankerpunt het tot tweemaal toe tegen de grond gaan van Nieuwenhuizen, maar er bestaat in de visie van het hof geen aanleiding in deze verplaatsing door Nieuwenhuizen een onderscheid in het gevecht te maken. De gedragingen zoals die jegens Nieuwenhuizen zijn verricht worden als één aaneengesloten samenstel van gedragingen beschouwd die in één en dezelfde vechtpartij zijn verricht. Het feit dat Nieuwenhuizen ondertussen is opgekrabbeld, wordt achtervolgd en na een paar seconden opnieuw wordt neergehaald waarna door een deel van dezelfde betrokkenen wordt voortgegaan met schoppen, trappen en slaan, maakt niet dat van twee gevechten kan – dan wel moet – worden gesproken. De vraag of er sprake is geweest van medeplegen ziet dus op dit ene incident.

Uit de vorenomschreven weergave van het feitelijk verloop van de wedstrijd wordt afgeleid dat er sprake was van een in toenemende mate agressieve sfeer,56 waarbij bij meerdere betrokkenen, waaronder de scheidsrechter, al in de rust de vrees bestond dat het uit de hand zou kunnen lopen. Er bestond grote onvrede bij de spelers van Nieuw Sloten over de rol van Nieuwenhuizen en zij richtten zich tot hem. Nieuwenhuizen is door verdachte en andere spelers van Nieuw Sloten direct na afloop van de wedstrijd ter verantwoording geroepen. Hierbij traden de betrokken teamgenoten, te weten verdachte, [medeverdachte3], [medeverdachte4], [medeverdachte7], [medeverdachte1] en leider [medeverdachte5] gezamenlijk op. Zij pleegden met zijn allen geweldshandelingen die waren gericht tegen één persoon, namelijk Nieuwenhuizen. De oorsprong voor dit gezamenlijk handelen lag in de onvrede die bestond over het vlaggen van Nieuwenhuizen. Die onvrede bestond al in de rust van de wedstrijd en duurde ook tijdens de tweede helft voort. Vanuit deze gezamenlijk beleefde onvrede hebben voornoemde verdachten in onderlinge gezamenlijkheid actie ondernomen richting het subject van hun onvrede, Richard Nieuwenhuizen. Voorgaand beschreven gezamenlijk – als het ware in teamverband – nagenoeg gelijktijdig uitgeoefend geweld jegens Nieuwenhuizen, waarvoor de kiem al is gelegd gedurende de gehele wedstrijd en direct na de wedstrijd tot uitbarsting is gekomen, wettigt de conclusie dat daarmee het benodigde bewijs voorhanden is voor de bewezenverklaring van een zodanige gezamenlijke uitvoering en een nauwe samenwerking dat deze de kwalificatie “medeplegen” oplevert in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, nu uit de wijze waarop iedere deelnemer zich binnen de groep heeft gemanifesteerd kan worden afgeleid dat men bewust heeft samengewerkt en ieder voor zich ook een substantieel en rechtstreeks aandeel heeft gehad in de gebeurtenissen. Van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden die op dit punt van de bewijsbeslissing tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Hiermee is dan ook het bewijs voor een bewuste en derhalve opzettelijke samenwerking aanwezig.

8.3.3

Bewijs van opzet op de doodslag

De volgende vraag is of bij verdachte, bij wie er zoals hierboven is vastgesteld een bewuste en nauwe samenwerking bestond met zijn medeverdachten, ook het voor medeplegen vereiste opzet bestond op het primair ten laste gelegde gronddelict. Anders gezegd: had verdachte (ook) opzet op de dood van de grensrechter.

Langs jurisprudentiële weg zijn verschillende redeneerpatronen ontwikkeld waarvan de rechtspraak zich kan bedienen wanneer het gaat om het bewijzen van ten laste gelegd opzet. Indien opzet wordt betwist op een teweeggebracht gevolg is het gangbaar te bezien of er gesproken kan worden van 'voorwaardelijk' opzet.

Met betrekking tot het bewijs van voorwaardelijk opzet moet worden vooropgesteld dat opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de opzettelijke levensberoving van Nieuwenhuizen – aanwezig is indien de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich na afloop van de wedstrijd tezamen op grensrechter Nieuwenhuizen gestort en hebben met geschoeide voet vol tegen het lichaam van Nieuwenhuizen geschopt, op het moment dat hij onbeschermd op de grond lag. Nieuwenhuizen werd al liggend tegen het lichaam waaronder zijn hoofd, hals en nek geschopt. Het schoeisel dat verdachte droeg – voetbalschoenen met noppen – is vervaardigd met als doel (onder meer) om zo hard mogelijk tegen een bal te kunnen trappen. Dit wordt naast de hardheid van het schoenmateriaal zelf, met name bewerkstelligd door de aanwezigheid van noppen. Zij voorzien het standbeen van grip op het moment dat er uitgehaald wordt, waardoor een trap met kracht kan worden geplaatst. Deze noppen kunnen daarnaast, wanneer ze het lichaam van een ander treffen, dusdanig letsel toebrengen dat het niet alleen gebruikelijk maar zelfs verplicht is om tijdens een voetbalwedstrijd ter bescherming van de benen scheenbescherming te dragen.

Over de wijze waarop Nieuwenhuizen is getrapt hebben verschillende getuigen een verklaring afgelegd.

[getuige5] verklaart dat er na afloop van het incident op het veld een groepje jongens haar passeert, dat op weg is naar de kleedkamers. Zij verklaart: ‘Ik hoorde één van de jongens zeggen: ‘Zag je wat ik deed?’ Ik hoorde een andere jongen zeggen: ‘Wat?’ Ik zag toen dat de jongen die aan de anderen had gevraagd of zij gezien hadden wat hij had gedaan, zijn knie optrok, zijn tenen omhoog deed en dus de hak naar beneden en dat hij een trappende beweging maakte naar beneden. Ik zag dat de hak daarbij met kracht schuin naar beneden werd gebracht. Ik hoorde de jongen die had gevraagd: ‘Wat?’ daarop zeggen: ‘Ik ook!’57

[getuige2] beschrijft dat Nieuwenhuizen meermalen wordt getrapt door twee spelers van Nieuw Sloten, één ter hoogte van de buik, de ander ter hoogte van de rug van Nieuwenhuizen. Beiden trapten met de bovenkant van hun voet.' 58

[getuige6] verklaart over een speler van Nieuw Sloten die met de onderkant van zijn schoen vol op het hoofd van Nieuwenhuizen trapt, met de noppen dus van zijn voetbalschoen.59

[getuige4] beschrijft in gelijke zin een Nieuw Sloten-speler die vol met de noppen van zijn voetbalschoen Nieuwenhuizen tegen het hoofd schopte ter hoogte van zijn nek. 60

[getuige7] spreekt over vier jongens die trapten met hun wreef en punt.

Over de kracht waarmee is getrapt verklaart deze getuige dat het trappen waren alsof je tegen een bal schopt: ‘Ik zag dat er kracht in de trappen zat omdat hun hele lichaamshouding mee ging en ze hun handen echt in een vechthouding hadden. Ik zag dat ze continu aan het trappen waren.'61

[getuige8] ziet een speler van Nieuw Sloten hard op Nieuwenhuizen schoppen, terwijl deze op de grond lag. 'Ik zag dat hij zijn voet naar achteren haalde en hard schopte tegen de rug van Nieuwenhuizen ergens tussen midden en hoog op de rug. Ik zag dat het lichaam van Nieuwenhuizen bewoog en heen en weer ging door de schop van die speler. Ik zag echt dat die jongen met lange uithalen van de voet schopte.'62

[medeverdachte2] heeft het over een harde trap van een medespeler met diens wreef die de linkerkant van het gezicht van de grensrechter raakt. 63

Uit de beschrijving van laatstgenoemde getuigen volgt dat zowel met de wreef en de punt van de schoen met kracht werd geschopt, maar ook dat met het been van boven naar onderen werd getrapt waarbij Nieuwenhuizen op het lichaam werd geraakt.

Verdachte en zijn medeverdachten schopten met grote kracht aldus onder meer in op de kwetsbare delen van het lichaam, te weten de nek, hals en het hoofd van Nieuwenhuizen. Dit betreffen uit geweldsoogpunt dermate excessieve gedragingen dat deze naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer komt te overlijden.

In aanmerking genomen:

- de aard van de gedragingen van verdachte - zoals onder 6, 7 en in deze paragraaf beschreven – die kunnen worden gekwalificeerd als een door de verdachter geleverde substantiële bijdrage in het totaal van de gewelddadigheden en

- de beschreven omstandigheden waaronder deze gedragingen zijn begaan,

kunnen deze gedragingen worden aangemerkt als zozeer gericht op het mogelijke gevolg – de dood van Nieuwenhuizen – dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Van contra-indicaties hiervoor is niet gebleken. Er is derhalve sprake van (voorwaardelijk) opzet op het gronddelict.

8.4

Causaliteit

8.4.1

Toerekening naar redelijkheid als criterium

Met betrekking tot het bewijs van causaliteit wordt vooropgesteld dat naar geldend recht de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de door de verdachte en/of diens medeplegers verrichte gedragingen – te weten het door hen uitgeoefende geweld gericht op Nieuwenhuizen en diens latere overlijden – dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of dat overlijden redelijkerwijs als gevolg van het uitgeoefende geweld aan verdachte kan worden toegerekend.
In het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 maart 2013 is de invulling van dit criterium nader verfijnd.64 De navolgende aangehaalde passages zijn grotendeels ontleend aan dit arrest.

'Doorgaans is bij de beantwoording van de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat niet aan twijfel onderhevig dat in de keten van gebeurtenissen de gedraging van de verdachte een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg – en staat dat gevolg dus in condicio sine qua non-verband tot de gedraging, welk verband in beginsel als ondergrens van het causaal verband fungeert –, maar gaat het daarbij vooral erom of het ingetreden gevolg redelijkerwijs aan (de gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend.

In meer uitzonderlijke gevallen kan niet zonder meer worden vastgesteld dat een gedraging van de verdachte in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg.'

De onderhavige zaak zou zo'n uitzonderlijk geval kunnen zijn nu volgens de verdediging niet kan worden uitgesloten dat het intreden van het gevolg (de dood van Nieuwenhuizen), onafhankelijk van de gedragingen van de verdachte, alleen door een mogelijke genetische aandoening bij Nieuwenhuizen is veroorzaakt.

Een dergelijke onzekerheid – zo vervolgt laatstgenoemd arrest – 'behoeft niet per se te leiden tot het oordeel dat het gevolg reeds daarom niet meer redelijkerwijs aan (een gedraging van) de verdachte kan worden toegerekend. In eerdere rechtspraak is onder meer beslist dat in dit verband van belang kan zijn in hoeverre de verdachte met zijn gedragingen de kans op het intreden van het gevolg heeft verhoogd (vgl. HR 30 september 2003, LJN AF9666, NJ 2005/69), dat enerzijds bepaald meer moet worden vastgesteld dan dat niet kan worden uitgesloten dat het gevolg door de gedraging is veroorzaakt (vgl. HR 3 juni 2008, LJN BC6907, NJ 2008/343), maar dat anderzijds aan het aannemen van het causaal verband niet in de weg behoeft te staan een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedraging van de verdachte tot het gevolg heeft geleid (vgl. HR 13 juni 2006, LJN AV8535, NJ 2007/48) of dat niet geheel kan worden uitgesloten dat latere handelingen van derden mede hebben geleid tot het gevolg (vgl. HR 28 november 2006, LJN AZ0247, NJ 2007/49).

Het bovenstaande komt erop neer dat in gevallen als de onderhavige voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte ten minste is vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. HR 20 september 2005, LJN AT8303, NJ 2006/86, rov. 3.5). Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.’

8.4.2

Bewijs van causaliteit

Het hof heeft kennis genomen van:

- het door A. Maes, arts en patholoog en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) uitgebrachte sectierapport, gedateerd 6 februari 2013, naar aanleiding van de door haar verrichte sectie op het lichaam van Nieuwenhuizen, alsmede van de processen-verbaal van de verhoren die hebben plaatsgevonden bij de rechter-commissaris op 6 mei 2013 en ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013,

- het door dr. B. Kubat, arts en patholoog en verbonden aan het NFI, uitgebrachte rapport, gedateerd 1 februari 2013, naar aanleiding van door haar verricht neuropathologische onderzoek aan de hersenen alsmede van haar aanvullende rapport, gedateerd 8 maart 2013, naar aanleiding van een tweetal aan haar voorgelegde hypotheses en van de processen-verbaal van de verhoren die hebben plaatsgevonden bij de rechter-commissaris op 3 mei 2013 en ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013,

- het, op verzoek van de verdediging in het kader van een contra-expertise, door prof. dr. C.M. Milroy, forensisch patholoog-anatoom te Ottawa (Canada) uitgebrachte rapport, gedateerd 5 mei 2013 en het proces-verbaal van verhoor dat heeft plaatsgevonden ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013,

- het, op verzoek van de verdediging in het kader van een contra-expertise, door prof. dr. W. Jacobs, docent gerechtelijke geneeskunde te Antwerpen, en prof. dr. E. Beuls uitgebrachte rapport, gedateerd 24 mei 2013 alsmede van een door voornoemde Jacobs (ongedateerd) aanvullend rapport en een proces-verbaal van het verhoor van voornoemde Beuls ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2013.

Gelet op de inhoud van bovenstaande rapporten en processen-verbaal bestaat er tussen de deskundigen overeenstemming over de doodsoorzaak van Nieuwenhuizen, te weten een bilaterale dissectie van de arteriae vertebrales.

Wel verschillen zij van mening over de wijze waarop die dissectie is ontstaan.

De rechtbank heeft in haar vonnis op de navolgende wijze de verschillende standpunten verwoord:

'Kubat, Beuls en Jacobs zijn de mening toegedaan dat het fatale letsel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gewelddadige handelingen op het hoofd, hals en nek van Nieuwenhuizen. Een andere oorzaak sluiten zij vrijwel uit.

Milroy heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel mishandeling de dissectie kan hebben veroorzaakt, het niet uit te sluiten is dat de dissectie niet het gevolg is van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek. Hij verwijst daarbij naar de in zijn opinie abnormale conditie van de arteriae vertebrales van Nieuwenhuizen, te weten segmentale mediolytische arteriopathie (SMA).

Ter terechtzitting [het hof leest: in eerste aanleg] heeft dr. Kubat SMA uitgesloten. Zij stelt dat zij uitgebreider onderzoek heeft gedaan en wel op 23 niveaus in de linker slagader. Zij verklaart in de onmiddellijke nabijheid van de dissectie aangetroffen te hebben: tekenen van verse ontsteking, reactief infiltraat en oedeem. Zij heeft daarover verklaard: “SMA ziet er anders uit, daar zijn geen acute ontstekingsreacties. Ik heb de coupes ook nog voorgelegd aan twee vatenexperts en beiden hebben geen aanwijzingen voor SMA gevonden. Ik sluit SMA uit.“ Dr. Kubat heeft voorts nog verklaard dat de vaatwand normaal was en dat de ontsteking in het beschadigde gebied zat.

De deskundige Maes heeft verklaard dat zij bij de sectie geen aanwijzingen heeft gevonden voor de stelling dat bij Nieuwenhuizen sprake was van onderliggende defecten in de aderen.

Hoewel prof. Beuls aanvankelijk aangaf dat er weliswaar enige tekenen waren die duiden op SMA, maar dat het ook goed zou kunnen dat het een reactie van het lichaam was op de gebeurtenissen, heeft hij zich vervolgens - aangesloten bij de stellige uitsluiting van SMA door dr. Kubat. Hij stelt ter zitting van de rechtbank: “De SMA literatuur is beperkt. Er zijn maar drie gevallen bekend, dat heeft geen waarde. Er zit teveel onzekerheid in de diagnose. Dit komt ook in de literatuur naar voren. (…) SMA is niet overtuigend. Dit zou een uitzonderlijk toeval zijn. (…) Het trauma heeft enkele uren voordien plaatsgevonden. Dit is hoogst uitzonderlijk en het is hoogst onwaarschijnlijk dat de dissectie niet door dat trauma veroorzaakt zou zijn.”

Prof. Milroy heeft ter zitting [het hof leest: in eerste aanleg] verklaard dat SMA een ziekte van de slagaders is die zeldzaam is en waarover weinig vakliteratuur bestaat: “Het is zo zeldzaam, ik heb mijn eerste casus pas 5 jaar geleden gezien en ik ben al 20 jaar arts. Dit is de derde zaak voor mij. Het is zo zeldzaam, 1 of 2 op de 100.000 krijgen het en de meesten overlijden niet.” Milroy verwacht op termijn meer duidelijkheid te verkrijgen door genetisch onderzoek, maar dit veld is nog in ontwikkeling. Milroy stelt dat er in dit geval een genetische test moet worden uitgevoerd om zeker te weten dat sprake is van SMA.

Dr. Kubat en prof. Beuls merken verder nog op dat de literatuur omtrent SMA beperkt is, er bestaat alleen casuïstiek die niet bruikbaar is bij het stellen van diagnosen, zo hebben zij verklaard. Zij stellen dat SMA zich in 99% van de gevallen voordoet in de bloedvaten in de buik of in de hersenen. De halsslagader is volgens hen niet één keer beschreven.'

Milroy is – zo leidt het hof uit het bovenstaande af – de enige deskundige die een voorzichtige kanttekening plaatst bij de mogelijke oorzaak van de dissectie ten gevolge waarvan Nieuwenhuizen is overleden: mogelijk leed Nieuwenhuizen aan een aandoening van de slagaders die segmentale mediolytische arteriopathie (SMA) wordt genoemd. Zijn – nagenoeg niet nader onderbouwde – standpunt reikt niet verder dan dat het niet uit te sluiten is dat de dissectie niet het gevolg is van uitwendig inwerkend geweld op het hoofd, de hals en de nek.

Het bovenstaande leidt tot de navolgende conclusies:

Vast kan worden gesteld dat de gedragingen van de verdachten – gezien de aard van de te bewijzen gewelddadigheden, zoals hierboven omschreven – een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg, te weten de dood van Nieuwenhuizen, hebben geleid.

Vast kan worden gesteld dat de gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten naar hun aard, de omstandigheden waaronder zij werden verricht, geschikt zijn om de dood teweeg te brengen en naar algemene ervaringsregels van dien aard zijn dat zij het vermoeden wettigen dat deze hebben geleid tot het intreden van de dood.

Met in achtneming van de conclusies van deskundigen Kubat, Beuls en Jacobs, kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de dood van Nieuwenhuizen worden toegeschreven aan het op hem uitgeoefende geweld. Maes concludeert – nog stelliger – dat de dood is ingetreden als gevolg van het op Nieuwenhuizen toegepaste geweld. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan voornoemde conclusies.

Bij dit oordeel van het hof wordt ook betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. Aannemelijk is geworden dat de door de verdediging geopperde mogelijkheid van doodsoorzaak door een genetische aandoening (SMA) bij Nieuwenhuizen, hoogstwaarschijnlijk niet tot de dood heeft geleid. Onder verwijzing naar de rapporterende deskundigen Maes, Kubat, Beuls en Jacobs, wordt tot het oordeel gekomen dat deze door de verdediging geopperde (alternatieve) oorzaak van het overlijden naar juridische maatstaven als dermate onaannemelijk moet worden beschouwd dat deze hoogstwaarschijnlijk niet tot de dood van Nieuwenhuizen heeft geleid. Nader genetisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Ook tegen de achtergrond van het gegeven dat Milroy zelf concludeert dat de meeste mensen die lijden aan het hoogst zeldzame SMA – de wetenschap op dit punt staat nog in de kinderschoenen – hieraan niet komen te overlijden, wordt tot het oordeel gekomen dat genetisch onderzoek niet noodzakelijk is. Het onderzoek in eerste aanleg is volledig is geweest.

De verdediging heeft in dit verband naar voren gebracht dat Nieuwenhuizen reeds tijdens de wedstrijd ten val is gekomen en dat dit ook de dissectie zou kunnen hebben veroorzaakt.

Dit dient eveneens als een hoogst onwaarschijnlijke oorzaak van de hand te worden gewezen nu deze val niet meer heeft behelsd dan een struikelpartij waarbij Nieuwenhuizen onmiddellijk opkrabbelde en doorging met vlaggen, terwijl zijn hoofd de grond niet heeft geraakt.65 Dit kan dan – gelet ook op hetgeen de deskundigen over deze val hebben verklaard – evenmin aan bewezenverklaring van het causaal verband in de weg staan.

Het hof is van oordeel dat een andere omstandigheid die geen verband houdt met de gedragingen van verdachte en of zijn medeverdachten, die tot de dood van Nieuwenhuizen heeft geleid als hoogst onwaarschijnlijk moet worden beschouwd.

Afrondend wordt tot het oordeel gekomen dat de dood van Nieuwenhuizen in redelijkheid kan worden toegerekend aan verdachte en zijn mededaders, waarmee het in de onderhavige zaak vereiste causale verband bewezen is. Derhalve kan het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

8.5.

Bewijs van openlijke geweldpleging

Met betrekking tot het bewijs van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging moet het navolgende worden vooropgesteld:

Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in HR 11 november 2003,66 is van het ‘in vereniging’ plegen van geweld in de zin van deze strafbaarstelling sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt.67

Hetgeen hierboven is overwogen in de paragrafen 6, 7 en 8 ten aanzien van de rol die verdachte heeft vervuld tijdens de vechtpartij, wettigt de conclusie dat de gedragingen die aan verdachte worden toegerekend in het kader van het bewijs van medeplegen van doodslag eveneens kunnen worden aangemerkt als een significante bijdrage aan een openlijke geweldpleging. Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, met dien verstande dat de geweldshandelingen ten aanzien van [slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht.

9 Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
hij in de periode van 2 tot en met 3 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk R. Nieuwenhuizen van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet meerdere malen met kracht tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen geschopt en/of getrapt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde Nieuwenhuizen is overleden;

2:
hij op 2 december 2012 te Almere met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op het terrein van voetbalvereniging Buitenboys, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen R. Nieuwenhuizen, welk geweld bestond uit het meerdere malen met kracht schoppen en/of trappen en/of slaan tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

10 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

11 Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

12 Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte speelde op zondag 2 december 2012 samen met zijn teamgenoten een voetbalwedstrijd tegen Buitenboys B3. Bij deze wedstrijd trad Richard Nieuwenhuizen op als grensrechter. Nieuwenhuizen maakte het – als vrijwilliger van de voetbalvereniging – mede voor verdachte mogelijk dat hij daar op dat moment een voetbalwedstrijd kon spelen. Tijdens deze wedstrijd ontstond er onvrede bij verdachte en zijn teamgenoten over de wijze waarop de grensrechter vlagde. Na de wedstrijd zijn zij op agressieve wijze verhaal gaan halen bij de grensrechter. Dit is ontaard in een explosie van geweld, waarbij verdachte en zijn medeverdachten grensrechter Richard Nieuwenhuizen uiteindelijk hebben doodgeschopt. Daarbij heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Nieuwenhuizen heeft liggend op de grond in de uitbarsting van geweld geen kans gehad. Hij heeft zich op geen enkele manier kunnen verweren tegen de kluwen van personen die hem met hun voetbalschoenen schopten en trapten waar ze hem maar raken konden. Op het moment dat hij toch kans zag om weg te komen, om te vluchten voor zijn belagers, werd hij direct opnieuw neergehaald en werd er wederom onverminderd op hem ingetrapt. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten vonden blijkbaar enkel en alleen uit frustratie plaats over door Nieuwenhuizen geïnitieerde onwelkome beslissingen ten aanzien van buitenspel.

Het ontnemen van iemands meest kostbare bezit, zijn leven, kennelijk uitsluitend vanwege de wijze waarop hij als grensrechter zijn hobby vervulde, dient vanuit het oogpunt van vergelding te worden bestraft. Verdachte heeft de nabestaanden onnoemelijk leed toegebracht. In het bijzonder is één van de zonen van het slachtoffer, [benadeelde1], getroffen nu laatstgenoemde ooggetuige is geweest van het geweld jegens zijn vader.

Deze uiterst verwerpelijke gebeurtenis heeft de samenleving in hoge mate geschokt. Op grond van het vorenstaande kan niet anders dan de zwaarste sanctie voor jeugdigen worden opgelegd, te weten een jeugddetentie van aanzienlijke duur.

Bij bepaling van de duur van deze jeugddetentie hebben meerdere factoren meegespeeld, zowel ten voordele als ten nadele van verdachte. Ten nadele van verdachte speelt mee dat hij – blijkens zijn gedrag en opstelling ter zitting – geen blijk heeft gegeven van enig besef over de ernst van de door hem verrichte gedragingen, hetgeen als grievend is ervaren door de nabestaanden van Nieuwenhuizen. Zijn weigering om in hoger beroep een verklaring af te leggen heeft er daarnaast niet toe bijgedragen dat de nabestaanden van Nieuwenhuizen een vollediger beeld hebben gekregen van wat er zich die bewuste dag op het voetbalveld heeft afgespeeld. Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat hij blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 november 2013 niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is – tegen de achtergrond van het gegeven dat verdachte minderjarig was ten tijde van de delicten – een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een passende en noodzakelijke bestraffing. Het voorwaardelijk deel dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Bij de strafoplegging is acht geslagen op wat door de Raad voor de Kinderbescherming in een advies d.d. 4 november 2013 heeft geadviseerd, waarbij de Raad verwijst naar een eerdere rapportage van 21 mei 2013 en dit advies handhaaft. In die rapportage van 21 mei 2013 wordt gemotiveerd geadviseerd om bij een voorwaardelijk strafdeel een bijzondere voorwaarde op te leggen, te weten de Maatregel Hulp en Steun, uit te voeren door de jeugdreclassering. Dit advies wordt overgenomen en aan verdachte zal voornoemde bijzondere voorwaarde worden opgelegd.

Daarbij wordt bevolen dat voornoemde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is, nu er – gelet op het recidiverisico met betrekking tot geweld tegen personen dat door de Raad voor de Kinderbescherming in de rapportage van 21 mei 2013 als hoog wordt getypeerd – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat er sprake is van een reëel recidiverisico kan mede gebaseerd worden op de inhoud van een bijzondere melding van de jeugdinrichting Eikenstein omtrent verdachte. Deze melding behelst de weergave van een incident dat op 11 juli 2013 heeft plaatsgevonden en waarbij verdachte, tijdens zijn verblijf in Eikenstein, een groepsleider heeft mishandeld door hem meerdere keren in het gezicht te slaan. Ter zitting van het hof heeft verdachte dit voorval niet ontkend.

13 Vorderingen van de benadeelde partijen

13.1

Algemene overwegingen

De overwegingen die van toepassing zijn op meerdere of alle benadeelde partijen worden onder 13.1 weergegeven. De gevolgen die deze algemene overwegingen hebben per benadeelde partij worden onder 13.2 tot en met 13.5 verwoord.

13.1.1

Omvang vorderingen

Voor aanvang van de terechtzitting in eerste aanleg hebben de nabestaanden van Richard Nieuwenhuizen, te weten [benadeelde2], [benadeelde1], [benadeelde4] en [benadeelde3] zich elk als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Zij vorderen vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten. [benadeelde2] vordert een bedrag van € 12.874,85 voor uitvaartkosten, van € 2.831,40 voor de overlijdensschadeberekening, van € 211.467,- voor verlies van levensonderhoud en een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade. [benadeelde1] vordert een bedrag van € 11.669,- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade. [benadeelde4] vordert een bedrag van € 4.070,- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade. [benadeelde3] vordert een bedrag van € 1.641,- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade.

De benadeelde partijen vorderen de bedragen voor immateriële schade ter vergoeding van 'shockschade', subsidiair als schade uit onrechtmatige daad ex artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De benadeelde partijen hebben tevens om oplegging van de maatregel tot schadevergoeding verzocht.

De rechtbank heeft beslist op voornoemde vorderingen. De benadeelde partijen hebben zich allen opnieuw gevoegd in hoger beroep, gelet waarop de gehele vorderingen thans wederom aan de orde zijn.

Ter zitting van het hof heeft mr. Y. Moszkowicz, als gemachtigde van de benadeelde partijen, de vorderingen toegelicht en met betrekking tot de vordering verlies levensonderhoud subsidiair toegevoegd dat de bedragen van de overeengekomen alimentatie kunnen worden toegewezen.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de benadeelde partijen gevorderd, dat:

  • -

    de vordering van [benadeelde2] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot de bedragen van € 12.874,85 (uitvaartkosten) en € 2.831,40 (kosten schadeberekening), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van [benadeelde1] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [benadeelde2] en [benadeelde1] voor het overige niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering;

  • -

    de benadeelde partijen [benadeelde4] en [benadeelde3] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

De verdediging stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de vorderingen zich niet lenen voor behandeling in het strafgeding. Daarom verzoekt de verdediging om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. In de berekening van het gederfde levensonderhoud dienen consequenties te worden verbonden aan het feit dat een echtscheiding heeft plaatsgevonden en dat er een echtscheidingsconvenant ligt, welke situatie om een andere berekening vraagt. Daarbij zijn de opbrengsten van de benefietwedstrijd ten onrechte niet in de berekening betrokken. De kosten van berekenen van overlijdensschade roepen als niet redelijke kosten vragen op bij de verdediging. De uitvaartkosten acht de verdediging qua omvang niet redelijk. Voor wat betreft de gevorderde shockschade meent de verdediging dat er geen directe confrontatie met het incident is geweest met uitzondering van [benadeelde1]. De verdediging meent dat het ziektebeeld van [benadeelde1] onvoldoende is onderbouwd. De verdediging meent dat een procedure met betrekking tot shockschade zich niet leent voor behandeling in een strafprocedure. Het door de rechtbank toegewezen bedrag acht de verdediging te hoog.

13.1.2

Materiële schade

Ten aanzien van de uitvaartkosten:

De door [benadeelde2] gevorderde uitvaartkosten zijn toewijsbaar. Op grond van art. 6:108 lid 2 BW is de vorderingsgerechtigde “degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging zijn gekomen”. Aannemelijk is geworden dat [benadeelde2] voornoemde kosten zal moeten dragen. De factuur van de begrafenisondernemer is immers aan haar gericht. Dat de kosten door de voetbalvereniging zijn voorgeschoten doet niet terzake nu duidelijk is geworden dat het een voorschot betreft in die zin dat [benadeelde2] gehouden is om de vereniging te betalen wanneer dat voor haar mogelijk zou zijn. Voor wat betreft de hoogte van de vordering geldt het criterium dat de kosten voor de uitvaart, gelet op de omstandigheden waarin de overledene leefde, in redelijkheid dienen te zijn gemaakt. Aan dit criterium is voldaan, gelet waarop de kosten voor toewijzing in aanmerking komen.

Ten aanzien van de kosten van levensonderhoud:

Aan de vorderingen terzake het verlies aan kosten van levensonderhoud ligt onder meer een overlijdensschadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade, met bijlagen, ten grondslag. Het hof is met betrekking tot de vorderingen van de kinderen van oordeel dat deze rapportage als basis kan dienen voor het aannemen van de gestelde schade voor respectievelijk [benadeelde3] (€ 1.641,-), [benadeelde4] (€ 4.070,-) en [benadeelde1] (€ 11.669,-). Nu de verdediging voornoemd gedeelte van de vorderingen onvoldoende heeft bestreden, komen deze kosten bij voornoemde benadeelde partijen voor toewijzing in aanmerking.

Voor wat betreft de vordering terzake het verlies aan kosten van levensonderhoud van [benadeelde2] ligt aan de vordering eveneens bovengenoemde overlijdensschadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade ten grondslag. Dit gedeelte van de vordering leent zich echter niet voor afdoening binnen het kader van het strafgeding. Onder meer het gegeven dat een echtscheiding heeft plaatsgevonden terwijl partijen in dezelfde gezinssituatie zijn blijven wonen, dient met het oog op de omvang van het schadebedrag binnen het civielrechtelijk kader te worden beoordeeld. Zo is niet aanstonds duidelijk over welk aantal levensjaren de inkomstenderving zou moeten worden berekend. Behandeling van voornoemd gedeelte van de vordering van [benadeelde2] zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Ten aanzien van de kosten schadeberekening:

De kosten van de overlijdensschadeberekening hangen onder meer samen met de toe te wijzen vorderingen terzake het verlies van levensonderhoud van de kinderen. Aannemelijk is dat [benadeelde2] onderhavige kosten ten behoeve van zichzelf en haar kinderen heeft gemaakt. Op grond van art. 6:96 lid 2 sub b BW vormen deze kosten in het buitengerechtelijke traject schade wanneer de kosten als redelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Inschakeling van voornoemd bureau wordt in casu zonder meer redelijk geacht bij overlijdensschade terwijl de in rekening gebrachte kosten ook redelijk zijn te achten. Niet valt in te zien dat wanneer in rechte kosten moeten worden gemaakt om de omvang van de vordering te berekenen, deze kosten dan wel voor rekening van [benadeelde2] zouden moeten blijven. Art. 237 van het Wetboek van Rechtsvordering biedt in zoverre materieel voldoende grondslag voor vergoeding van de onderhavige kosten. Ten slotte overweegt het hof, voor zover het de gevorderde kosten terzake verlies levensonderhoud van [benadeelde2] zelf betreft, dat een niet-ontvankelijkverklaring op zichzelf een toewijzing van dit deel van de vordering evenmin in de weg staat.68

13.1.3

Immateriële schade

In zijn arrest van 9 oktober 2009 heeft de Hoge Raad onder rechtsoverweging 3.5 het volgende overwogen:

Art. 6:108 BW geeft een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare - ongeacht of degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid zich tevens onrechtmatig heeft gedragen jegens deze gerechtigden en ongeacht of die persoon tegenover de overledene een opzetdelict heeft begaan - slechts aanspraak op de in art. 6:108 BW genoemde vermogensschade; het stelsel van de wet staat aan toekenning van een vergoeding voor ook andere materiële en immateriële schade in de weg. Dit is slechts anders indien de dader het oogmerk had aan een derde immateriële schade toe te brengen als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW of als die derde in zijn persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW. Ook degene die opzettelijk een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, met de dood of ernstige verwonding van een (of meer) ander(en) tot gevolg, handelt niet alleen onrechtmatig jegens degene(n) die daardoor is (zijn) gedood of gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval is gedood of gewond. Dit geestelijk letsel dient om uit hoofde van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen in rechte te kunnen worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van shockschade alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van waarneming van het ongeval of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijk begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken.

Art. 8 EVRM noopt - naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in het Taxibusarrest - niet ertoe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan de ouder die een kind verliest als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. Dat is niet anders indien het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk veroorzaakt dodelijk verkeersongeval.

Met in achtneming van het bovenstaande en de omstandigheden zoals die uit het strafdossier naar voren komen, wordt tot het oordeel gekomen dat voor wat betreft de vordering van [benadeelde1] aan de vereisten wordt voldaan en dat van shockschade sprake is. Zoals hierboven omschreven wordt medeplegen van doodslag op de vader van [benadeelde1] bewezenverklaard. Daarmee heeft verdachte [benadeelde1] als nabestaande in zijn belang getroffen terwijl vast is komen te staan dat [benadeelde1] getuige is geweest van het jegens zijn vader uitgeoefende geweld. Hij heeft nog geprobeerd zijn vader van zijn belagers te ontzetten. Aannemelijk is dat deze omstandigheden bij hem een zodanige emotionele schok hebben veroorzaakt dat psychisch letsel als gevolg daarvan bij hem is opgetreden. Dit psychisch letsel is genoegzaam – met een psychiatrische verklaring – onderbouwd en aannemelijk gemaakt. De vordering tot schadevergoeding vanwege immateriële schade van [benadeelde1] kan op grond van het bovenstaande worden toegewezen.

Rest de vraag in welke omvang dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient het smartengeld door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. Die vaststelling geschiedt met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op vergelijkbare gevallen.

Vorenstaande brengt met zich dat de vordering van € 25.000,- terzake immateriële schade dient te worden toegewezen. Hierbij wordt onder meer betekenis toegekend aan het feit dat verdachte met het begaan van het bewezenverklaarde feit een ernstig verwijt wordt gemaakt, terwijl moet worden vastgesteld dat dit handelen van verdachte voor [benadeelde1] zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad. Alles afwegende is het betalen door verdachte (en zijn medeverdachten) van het gevorderde smartengeld van € 25.000,-, als een passende reactie te beschouwen op het onrecht dat door hem [benadeelde1] is aangedaan.

Bij de vorderingen van [benadeelde2], [benadeelde3] en [benadeelde4], gaat het in alle drie de gevallen om een gecompliceerde schadevergoedingskwestie, waarin een aantal ingewikkelde civielrechtelijke vragen beantwoord dienen te worden die – anders dan bij [benadeelde1] – niet aanstonds kunnen worden beantwoord. Een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen in de onderhavige strafprocedure zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Derhalve zijn voornoemde benadeelde partijen voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk in hun vordering, gelet waarop zij dit gedeelte van hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

13.1.4

Opbrengst benefietwedstrijd Buitenboys

Door de verdediging is gesteld dat de opbrengst van de benefietwedstrijd in mindering dient te worden gebracht op de toe te wijzen schadevergoeding. Dit verweer wordt opgevat als een beroep op voordeelstoerekening ex art. 6:100 BW.

In zijn arrest van 1 februari 2002 (NJ 2002, 122) heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 4.5 onder meer het volgende overwogen:

Indien in een concreet geval beoordeeld moet worden of eenzelfde gebeurtenis die voor een benadeelde schade heeft opgeleverd, voor hem tevens een voordeel heeft opgeleverd dat bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht, dient de rechter in de eerste plaats te onderzoeken of het gestelde voordeel in voldoende causaal verband staat met de schadebrengende gebeurtenis. De rechter is vervolgens vrij bepaalde voordelen niet in rekening te brengen indien hem dat niet redelijk voorkomt.

Met inachtneming van het bovenstaande dient de opbrengst van de benefietwedstrijd niet in mindering te worden gebracht bij de vaststelling van de schadevergoeding. Aannemelijk is dat met de benefietwedstrijd veeleer is beoogd de situatie na de dood van R. Nieuwenhuizen voor de nabestaanden te verzachten in ruime en brede zin dan is beoogd te voorzien in de schadeplicht van verdachte jegens de nabestaanden. In zoverre bestaat er onvoldoende causaal verband. Daarnaast is het niet redelijk om de opbrengst van de benefietwedstrijd in mindering te brengen.

13.1.5

Schadevergoedingsmaatregel

Conform de landelijk gemaakte afspraken omtrent de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel bij minderjarigen wordt ten aanzien van het totale bedrag dat ter zake van alle vorderingen is toegewezen in het kader van de schadevergoedingsmaatregel een aantal dagen vervangende jeugddetentie opgelegd van maximaal10 dagen.

13.2

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is – gelet op hetgeen is overwogen onder 13.1 – voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van de hierboven en hieronder genoemde en te noemen bedragen. Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

13.3

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is – gelet op hetgeen is overwogen onder 13.1 – voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van de hierboven en hieronder genoemde en te noemen bedragen. Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

13.4

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde4]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is – gelet op hetgeen is overwogen onder 13.1 – voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van de hierboven en hieronder genoemde en te noemen bedragen. Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

13.5

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is – gelet op hetgeen is overwogen onder 13.1 – voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van de hierboven en hieronder genoemde en te noemen bedragen. Verdachte is hoofdelijk tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De verdachte wordt verwezen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door de Jeugdreclassering, zulks zolang als deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht en dat verdachte binnen dit kader zijn medewerking zal verlenen aan de Maatregel Hulp en Steun, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde2] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.706,25 (vijftienduizend zevenhonderdzes euro en vijfentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde2], een bedrag te betalen van € 15.706,25 (vijftienduizend zevenhonderdzes euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde1] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 36.669,00 (zesendertigduizend zeshonderdnegenenzestig euro) bestaande uit € 11.669,00 (elfduizend zeshonderdnegenenzestig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde1], een bedrag te betalen van € 36.669,00 (zesendertigduizend zeshonderdnegenenzestig euro) bestaande uit € 11.669,00 (elfduizend zeshonderdnegenenzestig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde4] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.070,00 (vierduizend zeventig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde4], een bedrag te betalen van € 4.070,00 (vierduizend zeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde3] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.641,00 (duizend zeshonderdeenenveertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde3], een bedrag te betalen van € 1.641,00 (duizend zeshonderdeenenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.H. van Krugten, griffier,

en op 19 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 ECLI:NL:HR:2013:54.

2 Wedstrijdformulier, pagina 56 van het einddossier met als onderzoeksnaam ART23.

3 Verklaring [scheidsrechter] d.d. 3 december 2012, pagina 236 en verder van voornoemd dossier.

4 Verklaring [getuige6] d.d. 2 december 2012, pagina 121 en verder van voornoemd dossier.

5 Verklaring [scheidsrechter] d.d. 3 december 2012, pagina 236 en verder van voornoemd dossier.

6 Verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 202 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

7 Verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

8 Verklaring [benadeelde1] d.d. 2/3 december 2012, pagina 98 en verder van voornoemd dossier.

9 Verklaring [getuige10] 5 december 2012, pagina 431 en verder van voornoemd dossier en verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 202 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

10 Verklaring [getuige11] d.d.18 december 2012, pagina 702 en verder van voornoemd dossier.

11 Verklaringen [getuige10] 5 december 2012 en L.J.P. Elferink d.d. 20 december 2012, resp. pagina 431 en verder en pagina 630 en verder van voornoemd dossier.

12 Verklaringen van [getuige6] d.d. 2 december 2012 en van [getuige13] d.d. 10 januari 2013, resp. pagina 121 en verder en pagina 674 en verder van voornoemd dossier

13 Verklaringen [getuige14] d.d. 4 december 2012, [getuige15] d.d. 4 december 2012 en [getuige8] d.d. 4 december 2012, resp. pagina 398 en verder, pagina 270 en verder en pagina 403 en verder van voornoemd dossier.

14 Verklaring [getuige26] d.d. 7 januari 2013, pagina 646 en verder van voornoemd dossier.

15 Verklaring [benadeelde1] d.d. 13 december 2012, pagina 113 en verder van voornoemd dossier.

16 Verklaring [getuige11] d.d.18 december 2012, pagina 702 en verder van voornoemd dossier.

17 Verklaring [getuige16] d.d. 18 december 2012, pagina 707 en verder van voornoemd dossier.

18 Vastlegging schouw door schouwarts d.d. 3 december 2012, pagina 31 en verder van het forensisch dossier bij voornoemd dossier.

19 Verklaring medeverdachte [verdachte] d.d. 3 december 2012, pagina 105 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

20 Verklaring medeverdachte [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

21 Verklaring [getuige25] d.d. 6 december 2012, pagina 438 en verder van voornoemd dossier.

22 Verklaring [getuige3] d.d. 12 december 2012, pagina 220 en verder van voornoemd dossier.

23 Verklaring [getuige18] d.d. 4 december 2012, pagina 297 en verder van voornoemd dossier.

24 Verklaring [getuige2] d.d. 19 december 2012, pagina 349 en verder van voornoemd dossier.

25 Verklaring [getuige2] d.d. 19 december 2012, pagina 356 en verder van voornoemd dossier.

26 ECLI:NL:PHR:2002:AD9962; ECLI:NL:PHR:2008:BC6157; ECLI:NL:PHR:2013:885; ECLI:NL:PHR:2013:1081.

27 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, 5de druk, 2012, paragraaf VII, 2.2 e.v.

28 Onder meer verklaring [getuige17] d.d. 2 december 2012, pagina 154 en verder van voornoemd dossier.

29 Verklaring [scheidsrechter] d.d. 3 december 2012, pagina 236 en verder van voornoemd dossier.

30 Verklaring [getuige4] d.d. 24 december 2012, pagina 172 en verder van voornoemd dossier.

31 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

32 Verklaring [scheidsrechter], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 4 april 2013.

33 Wedstrijdverslag, opgesteld door [scheidsrechter], pagina 242 en verder van voornoemd dossier.

34 Verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van voornoemd dossier.

35 Verklaring [benadeelde1] d.d. 7 december 2012, pagina 101 en verder van voornoemd dossier.

36 Verklaring [getuige2] d.d. 4 december 2012, pagina 349 en verder en verklaring van [getuige18] d.d. 4 december 2012, pagina 297 en verder van voornoemd dossier.

37 Verklaring [getuige19] d.d. 27 december 2012, pagina 510 en verder van voornoemd dossier.

38 Verklaring [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 26 april 2013.

39 Verklaring [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 26 april 2013.

40 Verklaring [medeverdachte2] d.d. 13 december 2012, pagina 537 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier, verklaring [getuige20] op 21 maart 2013 afgelegd bij de rechter-commissaris en verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

41 Verklaring [getuige21] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2013.

42 Verklaring [getuige7] bij de rechter-commissaris d.d. 12 maart 2013.

43 Verklaring [getuige1] d.d. 2 december 2012, pagina 139 en verder van voornoemd dossier.

44 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

45 Verklaring [getuige2] d.d. 4 december 2012, pagina 349 en verder van voornoemd dossier.

46 Verklaring [getuige3] d.d. 12 december 2012, pagina 220 en verder.

47 Verklaring [benadeelde1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 mei 2013.

48 Verklaring [benadeelde1] d.d. 7 december 2012, pagina 101 en verder van voornoemd dossier.

49 Verklaring [benadeelde1] d.d. 13 december 2012, pagina 113 en verder van voornoemd dossier en verklaring [medeverdachte2] d.d. 13 december 2012, pagina 537 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

50 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

51 Verklaring [getuige2] d.d. 4 december 2012, pagina 349 en verder van voornoemd dossier.

52 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

53 Verklaring [getuige8] d.d. 4 december 2013, pagina 403 en verder van voornoemd dossier.

54 Verklaring [benadeelde1] d.d. 7 december 2012, pagina 101 en verder van voornoemd dossier.

55 Verklaring [benadeelde1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 mei 2013 en verklaring van [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

56 Verklaring [getuige8] d.d. 4 december 2013, pagina 403 en verder van voornoemd dossier.

57 Verklaring [getuige5] d.d. 6 december 2012, pagina 486 en verder van voornoemd dossier.

58 Verklaring [getuige2] d.d. 19 december 2012, pagina 356 en verder van voornoemd dossier.

59 Verklaring [getuige6] d.d.2 december 2012, pagina 122 en verder van voornoemd dossier.

60 Verklaring [getuige4] d.d. 2 december 2012, pagina 172 en verder van voornoemd dossier.

61 Verklaring [getuige7] d.d. 3 december 2012, pagina 248 en verder van voornoemd dossier.

62 Verklaring [getuige8] d.d. 24 december 2012, pagina 403 en verder van voornoemd dossier.

63 Verklaring [medeverdachte2] d.d. 13 december 2012, pagina 538 en verder van het persoonsdossiers bij voornoemd dossier.

64 ECLI:NL:HR:2012:BT6397.

65 Verklaring van [benadeelde1] op 2 mei 2013 bij de rechter-commissaris; verklaring van [getuige22] op 25 maart 2013 bij de rechter-commissaris; verklaring van [getuige2] op 9 april 2013 bij de rechter-commissaris.

66 ECLI:NL:HR:2003:AL6209.

67 ECLI:NL:PHR:2013:89.

68 HR 23 november 2010, LJN BM 9405.