Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9735

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
ks 21-005982-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:937, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Grensrechterzaak Almere

Veroordeling van 17 jarige verdachte wegens het plegen van openlijk geweld op grensrechter Nieuwenhuizen op 2 december 2012 te Almere, tot 12 maanden jeugddetentie waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarde.

Vrijspraak voor het medeplegen van doodslag op grensrechter Nieuwenhuizen nu zijn rol bij de geweldshandelingen ter zake dit feit niet met voldoende nauwkeurigheid is vast te stellen.

Gevoerde betrouwbaarheidsverweren verworpen.

Overwegingen bewijs van medeplegen, bewuste samenwerking en opzet op doodslag.

Strafmotivering: verdachte heeft de grensrechter geschopt.

Vorderingen benadeelde partijen hebben betrekking op doodslag; onvoldoende rechtstreeks verband met bewezenverklaarde; niet-ontvankelijkverklaring.

Afwijzing verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005982-13

Uitspraak d.d.: 19 december 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juni 2013 met parketnummer 07-661064-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

1 Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

2 Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 13 augustus 2013, 26 augustus 2013 (uitspraak tussenarrest), 19 november 2013, 22 november 2013, 25 november 2013, 29 november 2013, 5 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde het verlenen van medewerking aan de maatregel Hulp en Steun.

Ten aanzien van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd, dat:

  • -

    de vordering van [benadeelde1] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van [benadeelde2] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot de bedragen van € 12.874,85 (uitvaartkosten) en € 2.831,40 (kosten schadeberekening), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [benadeelde1] en [benadeelde2] voor het overige niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering;

  • -

    de benadeelde partijen [benadeelde3] en [benadeelde4] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

Deze op schrift gestelde vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. M.J. van Weerden, naar voren is gebracht.

3 Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

4 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk R. Nieuwenhuizen van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde Nieuwenhuizen is overleden;

1 subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd R. Nieuwenhuizen, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een traumatische beschadiging van een wervelslagader, met als gevolg infarcering van de hersenstam) heeft toegebracht, door meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

1 meer subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 02 tot en met 03 december 2012 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten R. Nieuwenhuizen), tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze is overleden;

2:
hij op of omstreeks 02 december 2012 te Almere met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten op het terrein van voetbalvereniging Buitenboys, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen R. Nieuwenhuizen en/of [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen en/of het meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen en/of slaan en/of stompen tegen het lichaam van die [slachtoffer].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Inleidende beschouwing

5.1

Algemeen

Op 2 december 2012 heeft er na afloop van de wedstrijd tussen Buitenboys B3 en Nieuw Sloten B1 op één van de voetbalvelden van voetbalvereniging Buitenboys te Almere een vechtpartij plaatsgevonden, waarbij de grensrechter van de B3 van Buitenboys, Richard Nieuwenhuizen door meerdere personen behorende tot de bezoekende club Nieuw Sloten is geslagen en geschopt. De volgende dag is grensrechter Nieuwenhuizen komen te overlijden. Verdachte wordt onder 1 en 2 – kort gezegd – verweten dat hij een strafbare bijdrage heeft geleverd aan deze vechtpartij. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat verdachte zich – zoals hieronder zal worden overwogen – schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Aan deze vaststelling zullen strafrechtelijke consequenties worden verbonden. Voorafgaand aan deze overwegingen worden enkele inleidende opmerkingen gemaakt ten aanzien van de door het hof gevolgde werkwijze met betrekking tot de beoordeling en waardering van beschikbare verklaringen en fotomateriaal.

5.2

Beoordeling verklaringen

Het incident met betrekking tot grensrechter Nieuwenhuizen heeft zich in een zeer kort tijdbestek voltrokken. De gewelddadige gedragingen richting Nieuwenhuizen, die werden voorafgegaan door een discussie, hebben maximaal 50 seconden geduurd. Bij het incident waren spelers, leiders, trainers en toeschouwers aanwezig en het middelpunt van het incident – Richard Nieuwenhuizen – heeft zich gedurende deze 50 seconden op een tweetal plekken op het veld begeven, te midden van een wirwar van personen. Gelet op dit korte tijdsverloop, deze kluwen van mensen – voor zover het spelers betreft ook nog eens grotendeels in dezelfde tenues – en het verplaatsen door grensrechter Nieuwenhuizen, is het voor getuigen bepaald niet eenvoudig gebleken om een adequate en complete verklaring af te leggen over het geheel van handelingen. In het algemeen kan worden vastgesteld dat de getuigen van het incident niet allemaal ‘de hele film’ hebben gezien. De meeste afgelegde verklaringen zijn dan ook eerder fragmentarisch en beperkt tot de handelingen die bijvoorbeeld zijn verricht op een specifiek moment of door een bepaald persoon. Hierbij heeft de locatie waar de desbetreffende getuige zich bevond ten tijde van zijn waarneming ook een rol gespeeld. Bepaalde handelingen kunnen bijvoorbeeld wel zijn verricht, maar niet zijn waargenomen, simpelweg omdat er iemand in het gezichtsveld stond, of omdat een getuige ver van het incident vandaan stond. In dit licht dient de beoordeling en waardering van de hierboven bedoelde getuigenverklaringen met gepaste behoedzaamheid plaats te vinden. Daarom worden alleen verklaringen van getuigen voor het bewijs gebezigd voor zover deze verklaringen steun vinden (verankerd zijn) in verklaringen van andere getuigen of een ander bewijsmiddel.

In het licht van het voorgaande verdient nog opmerking dat door verschillende raadslieden van de verdachten kritiek is geuit op het zogenoemde ‘shoppen’ in getuigenverklaringen, waarbij uit alle bewijsmiddelen slechts de belastende gedeelten voor het bewijs zouden worden gebezigd en de ontlastende gedeelten zouden worden gepasseerd. Zo zou bijvoorbeeld de ene getuige die belastend heeft verklaard over persoon A en niets heeft verklaard over gedragingen van persoon B, slechts in belastende zin worden gebruikt ten aanzien van persoon A en niet in ontlastende zin ten aanzien van persoon B.

Volstaan wordt met de weergave van het geldend recht op dit onderhavige punt. Naar vaste jurisprudentie dient te worden vooropgesteld dat het aan de rechter – die over de feiten oordeelt en het ten laste gelegde bewezen verklaart – is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering van de bewijsmiddelen behoeft – bijzondere gevallen daargelaten – geen nadere motivering.1

5.3

Foto’s

Een bijzonderheid in deze zaak is dat er door twee toeschouwers foto’s zijn gemaakt, hetgeen tot 11 foto’s van het incident heeft geleid. Dit betekent dat er van voornoemde 50 seconden slechts 11 momenten zijn vastgelegd, waarbij het merendeel van deze vastgelegde fragmenten de laatste fase van deze 50 seconden betreffen. Een aantal foto’s is getoond bij de getuigen- en/of verdachtenverhoren bij de politie en de rechter/raadsheer-commissaris, en ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Over deze foto’s wordt het navolgende opgemerkt.

De foto’s geven slechts een beeld van een momentopname van de gebeurtenissen op het voetbalveld. De foto’s zijn van een afstand genomen en dienen met grote terughoudendheid te worden geïnterpreteerd, bijvoorbeeld ten aanzien van de exacte onderlinge afstanden tussen de betrokkenen. Dit geldt nog sterker voor die foto’s die zijn genomen met gebruikmaking van een telelens. Personen die op de foto dicht bij elkaar lijken te staan, kunnen in werkelijkheid verder van elkaar verwijderd hebben gestaan. Ook kunnen personen die niet op de foto te zien zijn, zich wel degelijk in de kring van vechtenden hebben bevonden. Doordat foto’s een momentopname weergeven, kunnen er op de foto’s geen bewegingen worden waargenomen. Een rennende beweging kan er op een stilstaand beeld uitzien als een trappende beweging, en ook omgekeerd. De foto’s kunnen echter wel – met inachtneming van de hierboven opgesomde voorbehouden door middel van een rechterlijke waarneming – een indicatie geven van de positie van Nieuwenhuizen en welke personen zich op een bepaald moment in de nabijheid bevonden van de gevechtshandelingen, hetgeen vervolgens zonodig kan worden gebruikt bij de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachten en de getuigen over die desbetreffende situatie.

De foto’s zijn op een gegeven moment aan alle verdachten en vrijwel aan iedere getuige getoond. In sommige gevallen heeft dit zelfs meermalen plaatsgevonden. Voor zover ten aanzien hiervan door de verdediging is betoogd dat de nadere getuigenverklaringen hierdoor zijn beïnvloed en op die grond van onwaarde zijn, verdient opmerking dat de foto’s in beginsel aan de verdachten en de getuigen zijn getoond eerst nadat betrokkenen zelf de situatie ter plekke en hetgeen door hen was waargenomen, in hun verklaring hadden beschreven. De foto’s die vervolgens zijn getoond hebben in sommige gevallen geleid tot een aanvullende verklaring, een verduidelijking van de eerdere afgelegde verklaring of een bevestiging dat een bepaalde in de eerdere verklaring genoemde persoon inderdaad een bepaalde handeling heeft verricht. Tegen de gevolgde werkwijze bestaat uit het oogpunt van de (bewijs)waardering van getuigenverklaringen geen bezwaar. Voor zover het tonen van de foto’s heeft geleid tot verklaringen die afwijken van de eerdere verklaring(en) of tot verklaringen waarin pas voor het eerst een persoon wordt beschuldigd, worden deze verklaringen met gepaste behoedzaamheid beschouwd, in de gevallen waarin zij toch voor het bewijs worden gebezigd. Ten aanzien van die verklaringen is telkens getoetst of er een ontoelaatbare beïnvloeding door de foto’s heeft plaatsgevonden.

In bepaalde gevallen hebben getuigen reeds voordat zij hun eerste verklaring hebben afgelegd één of meerdere foto’s bekeken. Dit zijn bijvoorbeeld degenen die de foto’s hebben gemaakt en degenen die toegang hadden tot de foto’s. Ook is één van de foto’s – in geanonimiseerde vorm (geblurd) – geplaatst op de voorpagina van dagblad De Telegraaf. Voor zover getuigen hun eerste verklaring pas hebben afgelegd na het zien van één of meer foto’s, worden ook deze verklaringen met gepaste behoedzaamheid beschouwd en slechts dan voor het bewijs gebezigd wanneer blijkt dat hetgeen waarover is verklaard ook daadwerkelijk door betrokkene zelf is waargenomen.

5.4

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen kritisch zijn getoetst en dat deze slechts zijn gebruikt voor zover zij zijn verankerd in andere verklaringen dan wel bewijsmiddelen. Een en ander leidt tot de navolgende overwegingen en bevindingen.

6 Algemene uiteenzetting gang van zaken 2 en 3 december 2012

Hieronder zal eerst een globale beschrijving worden gegeven van de gebeurtenissen op 2 en 3 december 2012. Verderop zal nader worden ingegaan op de specifieke rol die verdachte heeft vervuld. De bronnen die ten grondslag liggen aan deze uiteenzetting worden weergegeven in voetnoten. Deze bronnen fungeren enkel als bewijsmiddel in strafvorderlijke zin indien en voor zover zij in een eventueel later op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen als dragend en redengevend voor de bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Op zondag 2 december 2012 speelde voetbalteam Buitenboys B3 thuis een competitiewedstrijd tegen Nieuw Sloten B1 op één van de kunstgrasvelden van het terrein van Buitenboys B3.2 De wedstrijd, die eindigde in 2-2, werd geleid door scheidsrechter [scheidsrechter].3 Hij werd bijgestaan door twee door de teams aangeleverde grensrechters. Namens Buitenboys B3 was dit Richard Nieuwenhuizen.4 Tijdens de wedstrijd werd er door spelers van Nieuw Sloten veelvuldig commentaar geleverd op het vlaggen door grensrechter Nieuwenhuizen.5 Hierbij werd er op hem gescholden. Na de wedstrijd werd Nieuwenhuizen omstreeks 12.20 uur aangesproken door een aantal spelers van Nieuw Sloten, waarbij ook een trainer/begeleider van Nieuw Sloten betrokken was. Nieuwenhuizen werd hierbij geslagen en ten val gebracht, waarna er op hem werd ingeschopt. Nieuwenhuizen heeft – na te zijn opgekrabbeld – geprobeerd weg te rennen, maar werd kort hierop wederom ten val gebracht. Terwijl hij op de grond lag, werd er opnieuw op hem ingeslagen en ingeschopt. Een van de geweldplegers zegt hier later over dat hij bang was geweest dat Nieuwenhuizen niet meer zou opstaan, omdat hij zo hard werd geschopt.6 Hij werd helemaal “kapot geramd.”7 Nieuwenhuizen beschermde zich door zijn armen voor zijn hoofd en borst te brengen. Hij huilde.8

Nieuwenhuizen is, nadat omstanders ingrepen, opgestaan. Hij had bloed aan zijn hand en heeft zijn schoen – die hij bij de schermutselingen verloren had – gezocht en is van het veld gegaan9. Hij is, nadat hij is verzorgd aan een wond aan zijn hand in de verzorgkamer van de voetbalclub, met zijn zoon [benadeelde1] naar huis gegaan.10 Nieuwenhuizen heeft nog met een aantal mensen op de club gesproken. Hij maakte na afloop van het incident op hen een geschrokken en aangeslagen indruk.11 Zijn jas was stuk en de capuchon van zijn jas hing los.12 Een aantal mensen zag een blauwe dikke wang en iemand zag een dikke lip bij Nieuwenhuizen.13 Nieuwenhuizen klaagde in de verzorgingsruimte op de club over pijn aan zijn schouder.14 Nieuwenhuizen is thuis direct op bed gaan liggen. Hij klaagde tegen zijn zoon over behoorlijke pijn aan hoofd en rug.15 Nieuwenhuizen is in de loop van de middag weer teruggegaan naar de club en heeft plaatsgenomen in een dug-out.16

Rond 15.00 uur die middag, derhalve ongeveer twee en een half uur na het incident, raakte Nieuwenhuizen – gezeten in de dug-out – onwel.17 Hij is per ambulance vervoerd naar het Flevoziekenhuis in Almere. Omdat zijn toestand snel verslechterde, is hij overgebracht naar het St. Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein. In dit ziekenhuis werd een beschadiging van de linker wervelslagader, een zogeheten dissectie, vastgesteld. Ten gevolge hiervan was er een bloedophoping ontstaan tussen de beschadigde wandlagen van de wervelslagader. Door deze bloedophoping werd deze wervelslagader afgesloten, waardoor een herseninfarct is ontstaan. Op 3 december 2012 omstreeks 15.00 uur is Nieuwenhuizen hersendood verklaard en om 17.00 uur is hij komen te overlijden.18

7 Rol van de verdachte

Hieronder volgt een feitelijke beschrijving van de rol van verdachte. Ook hier geldt dat de bronnen ten aanzien van de gedragingen van verdachte worden weergegeven in voetnoten. Voor zover deze verklaringen eveneens als bewijsmiddel zullen worden gebruikt, worden zij opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling.

Verdachte was een van de spelers van Nieuw Sloten en droeg rugnummer [nummer].19 In afwijking van zijn medespelers droeg verdachte een opvallende rode broek en witte sokken.20 Na de wedstrijd ontstond er een discussie tussen spelers van Nieuw Sloten en de grensrechter. De discussie is ontaard in een schreeuwpartij met duwen en trekken, waarbij er werd geslagen tegen het gezicht en de nek van de grensrechter. Verdachte erkent hierbij betrokken te zin geweest maar ontkent elke geweldpleging.21 Nieuwenhuizen is daarbij vervolgens door een medespeler van achteren neergehaald, waarbij er door anderen krachtig op hem is ingetrapt. Grensrechter Nieuwenhuizen wilde vervolgens wegrennen. Verdachte heeft hem toen geduwd en is zelf ten val gekomen. Hij heeft liggend op de grond – en naar eigen zeggen ter afwering – trappende bewegingen gemaakt in de richting van Nieuwenhuizen. Daarna is de grensrechter weggerend en is hij – na een achtervolging – opnieuw neergehaald. Vervolgens is er onverminderd op hem ingetrapt. Verdachte is nadat hij is opgestaan in de richting van de kluwen mensen rondom de grensrechter gehold. Hij heeft zich daar rondom begeven en bij gevoegd. Hij heeft lijfelijk contact gehad met een speler van Buitenboys, hij sloeg deze aldus zijn verklaring met zijn vuist op diens schouder toen deze kwam aanrennen. Ter zitting heeft hij op foto DSC_0132 [benadeelde1] aangewezen als degene op wie hij boos was. [benadeelde1] heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd zijn vader te ontzetten en daartoe diens belagers probeerde weg te duwen.22

8 Bewijsoverwegingen

8.1

Algemeen

Door de verdediging is verweer gevoerd op het punt van de bewijsbaarheid van daderschap en het daarvoor benodigde opzet alsmede op het punt van verondersteld ontbreken van het voor strafbaarheid benodigde causale verband. Hoewel bij de beoordeling van een ten laste gelegd verwijt het in de praktijk in de rede ligt om eerst aandacht te besteden aan de causaliteitsvraag (ontbreekt deze bij een materieel omschreven delict zoals onder 1 primair is ten laste gelegd dan komt men aan een nadere beoordeling van de subjectieve kant van de gedraging niet meer toe) is er – mede vanwege de leesbaarheid van dit arrest – voor gekozen de materieel strafrechtelijke lijn te volgen en eerst aandacht te besteden aan de vraag naar het (mede)plegen en het in dat kader benodigde opzet om daarna uitgebreid in te gaan op de causaliteitsvraag.

8.2

Betrouwbaarheidsverweren

Gevoerde betrouwbaarheidsverweren worden slechts besproken indien en voor zover de verklaringen waarop die verweren zien, daadwerkelijk voor het bewijs worden gebezigd.

De voor het bewijs gebruikte verklaringen vinden steun in andere verklaringen en worden – met inachtneming van al hetgeen hierover is gesteld in paragraaf 5 – betrouwbaar geacht. Voor zover deze door de verdediging op uitdrukkelijke wijze nader zijn betwist, wordt hierover nog het navolgende overwogen.

De verdediging heeft verweer gevoerd ten aanzien van de situatie waarbij aan [benadeelde1] op 13 december 2012 door de politie foto’s zijn getoond van de situatie waarin zijn vader op de grond lag, waarbij getuige verdachte heeft aangewezen als één van de personen die geweldshandelingen verrichtte. De stelling van de verdediging is dat er door het tonen van een foto sprake was een fotoconfrontatie, waarbij aan allerlei voorwaarden uit de desbetreffende Aanwijzing moet zijn voldaan.

Deze stelling vindt geen steun in het recht. Het betreft geen fotoconfrontatie met als doel een voor een voor de getuige onbekende verdachte te identificeren, maar een confrontatie met een foto van een situatie die [benadeelde1] reeds meermalen had beschreven. De verbalisanten hebben de verklaring van hem over hetgeen hij had waargenomen en/of ondervonden, willen toetsen aan de hand van deze foto’s. Opmerking verdient dat het tonen van de foto de zijn verklaring niet anders heeft gemaakt. [benadeelde1] heeft zijn verklaring slechts nader ingevuld, door te stellen dat de persoon op de foto (te weten verdachte) degene was die hij in zijn eerdere verklaringen reeds had beschreven als een van de personen die geweldshandelingen verrichtte. Dit verweer is door de verdediging in de context van artikel 359a van het Wetboek van Stafvordering geplaatst. Nu van vormverzuimen om de hierboven benoemde reden geen sprake is, dient het verweer te worden verworpen.

Voor zover de verdediging daarnaast – mede in verband met wat hierboven over het tonen van de foto is aangevoerd – de betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde1] heeft willen betwisten, wordt opgemerkt dat de getuige zeer specifiek is in zijn verklaringen die hij heeft afgelegd bij de politie. Hij scheert nadrukkelijk niet alle spelers over één kam en differentieert naar gelang van de rollen die de verschillende betrokkenen hebben vervuld. Zoals hierboven is opgemerkt, heeft het tonen van een foto ten opzichte van zijn eerdere verklaringen geen substantiële wijzigingen teweeggebracht. Hij geeft juist een nadere invulling van hetgeen hij eerder heeft verklaard en herkent op de getoonde foto verdachte als degene over wie hij eerder had verklaard dat hij geweldshandelingen had verricht. Gelet op dit gegeven – dat wordt beschouwd tegen de achtergrond dat de verklaring van getuige ten aanzien van de gedragingen van verdachte steun vindt in andere bewijsmiddelen – wordt de verklaring van [benadeelde1] betrouwbaar geacht en kan deze verklaring voor het bewijs worden gebezigd. Tot een andere conclusie nopende verweren van de verdediging worden verworpen.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het hierboven al genoemde verhoor van [benadeelde1] in de context van – wederom – artikel 359a Wetboek van Strafvordering betoogd dat dit verhoor dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu er geen auditieve opname is gemaakt, hetgeen in strijd is met de desbetreffende Aanwijzing. Het beweerdelijke vormverzuim dient aan de hand van de volgende factoren te worden beoordeeld;

  1. het belang dat het geschonden voorschrift dient;

  2. de ernst van het verzuim

  3. en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, waarbij van belang is in hoeverre de verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Het belang van het geschonden voorschrift is evident, de Aanwijzing beoogt (mede) de verdediging nadien in staat te stellen om de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen te controleren. Het verzuim is ontstaan doordat opnameapparatuur niet heeft gewerkt. Hoewel dit voor het resultaat geen verschil maakt – de verklaring is niet opgenomen – kan hieruit wel worden afgeleid dat men – conform de aanwijzing – de intentie had om het verhoor op te nemen. Dit maakt het verzuim echter niet minder ernstig. Het verweer van de verdediging stuit echter af op het laatste aspect, namelijk het beoordelen in hoeverre de verdachte daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. De verdachte is niet in zijn verdediging geschaad, omdat de raadsvrouw nadien – [benadeelde1] is bij de rechter-commissaris gehoord – de mogelijkheid had om hem te bevragen naar de wijze waarop voornoemd verhoor heeft plaatsgevonden. De verdediging is bij dit verhoor op 2 mei 2013 aanwezig geweest, in de persoon van de raadsvrouw die thans dit verweer voert. Daarbij is [benadeelde1] ook daadwerkelijk bevraagd. Omtrent het voor de verdediging cruciale punt – het tonen van de foto’s – heeft de getuige geantwoord op vragen van mr. Van Weerden:

U houdt mij voor dat ik ben verhoord op 2 en 7 december 2012 en dat ik later nog een derde keer ben gehoord [het hof begrijpt: op 13 december 2012]. U vraagt mij of de politie mij heeft verteld waarom ik een derde keer terug moest komen. Niet dat ik mij kan herinneren. U vraagt mij of de politie tijdens het laatste verhoor dingen heeft gezegd over de foto’s. Ze hebben mij dingen gevraagd bij de foto’s, maar ze hebben er geen dingen over gezegd. Het sprak voor zich waar mijn vader was op de foto’s. Ik had de foto’s niet eerder gezien en ik heb ze daarna ook niet meer gezien. Ik had toen niet al van anderen vernomen dat ze foto’s hadden gezien.

Hieruit blijkt dat de verdachte – door het bestaan van de controlemogelijkheid waarvan gebruik is gemaakt – niet in zijn verdediging is geschaad. Dat deze controle niet het voor de verdediging gewenste resultaat heeft opgeleverd, betekent niet dat er achteraf een beroep kan worden gedaan op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Tegen de achtergrond van het vorenstaande wordt het verweer van de verdediging verworpen.

Ten aanzien van de verklaring van [getuige23] heeft de raadsvrouw een betrouwbaarheidsverweer gevoerd, omdat getuige – kort gezegd – verdachte eerst belast op het moment dat hij bij de rechter-commissaris wordt gehoord en niet valt te zeggen of deze belastende verklaring berust op zijn eigen waarneming of dat dit een conclusie is die hij achteraf heeft getrokken.

Ook deze getuige is ten overstaan van de rechter-commissaris in aanwezigheid van de raadsvrouw gehoord en wel op 16 april 2013. Hetgeen getuige [getuige23] heeft waargenomen is kennelijk zijn eigen herinnering. Zijn verklaring wordt daarom betrouwbaar geacht. Daarbij verdient opmerking dat de verklaring van [getuige23] slechts voor het bewijs van gedragingen van verdachte wordt gebezigd, voor zover deze bevestiging vindt in overige bewijsmiddelen. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen en de verklaring kan voor het bewijs worden gebezigd.

De raadsvrouw stelt zich – tegen de achtergrond van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Vidgen tegen Nederland (EHRM 10 juli 2012, LJN BX3071) – op het standpunt dat de verklaringen van de getuige [medeverdachte4] dienen te worden uitgesloten van de eventuele bewijsvoering omdat de verdediging niet op enig moment in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. Pogingen om [medeverdachte4] te ondervragen bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris stuitten op diens beroep op het verschoningsrecht.

Dit verweer wordt op de navolgende gronden verworpen. De gevallen, waarin het EHRM heeft uitgemaakt dat de vruchten van een in het opsporingsonderzoek afgelegde getuigenverklaring van het bewijs dienen te worden uitgesloten omdat de verdediging niet in enig stadium van het geding in de gelegenheid is geweest haar ondervragingsrecht uit te oefenen, betreffen zaken waarin een bewezenverklaring alleen of in beslissende mate ('solely or to a decisive degree') berust op de verklaring van die getuige. Zo'n geval is in het onderhavige geding niet aan de orde. De door de verdediging gelaakte verklaringen vormen namelijk niet het enige en beslissende bewijs, zoals zal blijken uit de te bezigen bewijsmiddelen, die uitgebreider zullen worden opgenomen in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest. Hierbij wordt in het bijzonder gedoeld op in het dossier aanwezige verklaringen van [getuige23] en [benadeelde1]. Van schending van de door het EHRM in de zaak Vidgen omschreven norm is dan ook geen sprake.

8.3

Medeplegen en opzet

8.3.1

Eisen voor het bewijs van medeplegen

Met betrekking tot het bewijs van medeplegen moet het navolgende worden vooropgesteld.

De deelnemingsvorm 'medeplegen' ziet op een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de totstandkoming van een strafbaar feit. Aan het bewijs van medeplegen hoeft het niet zelfstandig verrichten van een uitvoeringshandeling niet zondermeer in de weg te staan, net zoals lijfelijke afwezigheid een beletsel hoeft te vormen. Een vooropgezet plan hoeft aan het medeplegen niet ten grondslag te liggen, want medeplegen kan ook als een opwelling uit de situatie voortspruiten en zelfs stilzwijgend zijn. Evenmin hoeft iedere medepleger exact op de hoogte te zijn van de bijdragen van de andere medepleger(s) aan het strafbare feit. Wel dient er bij de medepleger sprake te zijn van een zogenoemd 'dubbel' opzet dat bestaat in een wilsgerichtheid, zowel op het tot stand brengen van het feit als op de samenwerking met de andere dader of daders.23 In de doctrine wordt in dit verband wel gesproken van de toereikendheid van een globaal opzet dat met behulp van een voorwaardelijk opzet-redenering tot bewijs kan leiden. Bij medeplegen gaat het om een samendoen, waarbij de samenwerking de kenmerken heeft van een geleverde rechtstreekse en substantiële bijdrage aan het vervullen van de centrale delictsbestanddelen. Bij de beoordeling van de feitelijke gedragingen kunnen als constitutieve elementen voor het bewijs van de nauwe samenwerking worden aangemerkt: de intensiteit van de samenwerking, eventuele taakverdeling, de rol in voorbereiding, uitvoering en afhandeling en het belang van die rol, het zich niet terugtrekken op daarvoor geëigende tijdstippen en aanwezigheid op de beslissende momenten.24

8.3.2

Ontoereikend bewijs voor het primair ten laste gelegde

De vraag of de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten medeplegen opleveren, wordt beoordeeld aan de hand van de hierna te beschrijven feitelijke situatie. De bronnen waarnaar in dit feitelijk relaas wordt verwezen, zullen voor zover zij tot bewijs worden gebezigd worden opgenomen in een eventueel later op te maken aanvulling. Ten behoeve van de leesbaarheid wordt thans volstaan met een verwijzing middels voetnoten waarbij de tekst van de bronnen zoveel mogelijk wordt weergegeven.

Tijdens de wedstrijd tussen Buitenboys B3 en Nieuw Sloten B1 ontstond er onvrede bij de spelers van Nieuw Sloten omdat er veelvuldig werd gevlagd door de grensrechter van Buitenboys, Richard Nieuwenhuizen. De scheidsrechter floot dan af. De sfeer tijdens de wedstrijd is door de scheidsrechter en anderen omschreven als grimmig.25 De ouders van Nieuw Sloten bemoeiden zich met het spel en de buitenspelpositie van de spelers. In de rust is er door een speler van Nieuw Sloten aan de scheidsrechter gevraagd of de grensrechter kon worden vervangen, omdat ze niet tevreden waren over hem. De scheidsrechter vreesde in de rust door de frustratie bij de spelers van Nieuw Sloten en de bemoeienis van de bij de wedstrijd aanwezige ouders dat er weleens iets mis zou kunnen gaan, en heeft daarom gevraagd om bijstand van bestuursleden van Buitenboys tijdens de tweede helft. De scheidsrechter vertrouwde naar eigen zeggen de jongens van Nieuw Sloten niet.26 In de rust zat Nieuwenhuizen naast getuige [getuige4] op een bankje. Toen de spelers van Nieuw Sloten uit de kleedkamer kwamen voor de tweede helft, ontstond er een gespannen sfeer en keken ze agressief richting [getuige4] en Nieuwenhuizen. Een van de spelers zei tegen [getuige4]: “Jou moet ik niet hebben, maar die teringgrensrechter wel”, waarbij naar Nieuwenhuizen werd gewezen.27 De tweede helft is omschreven als nog grimmiger.28 De scheidsrechter heeft met Nieuwenhuizen afgesproken dat hij hem erbij moest roepen, als Nieuwenhuizen commentaar zou krijgen.29Tijdens de tweede helft uitte één van de spelers van Nieuw Sloten zijn ongenoegen richting Nieuwenhuizen tijdens een situatie van buitenspel. Deze speler werd door de scheidsrechter op zijn gedrag aangesproken, maar een tel later was het weer raak met een andere speler.30 Iedereen van Nieuw Sloten lette in de tweede helft op de grensrechter.31De spelers van Nieuw Sloten reageerden agressief op de beslissingen van Nieuwenhuizen. Ze schreeuwden en scholden hem uit voor “kankerjood”, “tyfuslijer” en met buitenlandse woorden.32 Door medeverdachte [medeverdachte4] wordt tijdens de wedstrijd al de opmerking gemaakt: “Wij komen hier niet om te voetballen, maar om te rellen.”33 Medeverdachte [medeverdachte3] zegt tijdens de wedstrijd over de grensrechter: “Als ik hem niet pak, dan ben ik een kankerjood”.34 Direct na de wedstrijd liepen jongens van Nieuw Sloten op de grensrechter af om verhaal te halen.35 Deze groep jongens liep niet richting middencirkel om handen te schudden, maar ze liepen richting Nieuwenhuizen. Daar waren bij verdachte met medeverdachten [medeverdachte7] en [medeverdachte3].36 Ook medeverdachte [medeverdachte5] stond daarbij en schreeuwde.37 Zij waren kritiek aan het leveren en verhaal aan het halen omdat de grensrechter niet goed gevlagd zou hebben. Nieuwenhuizen heeft zich kennelijk laten verleiden tot het aangaan van de discussie. Het was allemaal geschreeuw38 en het zag er agressief uit.39 In deze fase heeft medeverdachte [medeverdachte3] geslagen. Het verhaal halen escaleerde verder door de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte1], die de grensrechter ten val bracht40, waarbij zijn schoen door de lucht vloog.41 Er werd vanuit de kluwen van personen die hem omringde op Nieuwenhuizen ingeschopt.42 Medeverdachte [medeverdachte6] trapte, net zoals medeverdachte [medeverdachte1], de grensrechter.43 De grensrechter krabbelde op en rende weg. Er renden spelers van Nieuw Sloten achter de grensrechter aan, waaronder – zoals hierboven omschreven – verdachte en medeverdachte [medeverdachte7]. Zij renden in een soort kommetjesformatie, in een boog, achter Nieuwenhuizen aan.44 Ook een volwassene rende achter Nieuwenhuizen aan.45 Deze volwassene is medeverdachte [medeverdachte5].46 Na 15 tot 20 meter viel de grensrechter opnieuw op de grond.47 Toen Nieuwenhuizen weer op de grond lag, gingen ze weer met zijn allen trappen.48 Hierbij waren – onder meer – medeverdachten [medeverdachte4], [medeverdachte7] en [medeverdachte3] betrokken. De spelers die achter hem aanzaten gingen weer boven en om hem staan in een soort van cirkel. De grensrechter dook in elkaar, ter bescherming.49 Medeverdachte [medeverdachte7] gaf de grensrechter harde trappen tegen de romp.50 Medeverdachten [medeverdachte4] en [medeverdachte5] trapten op het hoofd van Nieuwenhuizen.51 Ook medeverdachte [medeverdachte3] trapte in op Nieuwenhuizen.52

Gelet op het voorgaande en hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van de relatief korte duur van de relevante gedragingen, wordt het voorval waarbij er geweld is gebruikt richting Richard Nieuwenhuizen gezien als één incident. De rechtbank heeft weliswaar een tweedeling aangebracht met als ankerpunt het tot tweemaal toe tegen de grond gaan van Nieuwenhuizen, maar er bestaat in de visie van het hof geen aanleiding in deze verplaatsing door Nieuwenhuizen een onderscheid in het gevecht te maken. De gedragingen zoals die jegens Nieuwenhuizen zijn verricht worden als één aaneengesloten samenstel van gedragingen beschouwd die in één en dezelfde vechtpartij zijn verricht. Het feit dat Nieuwenhuizen ondertussen is opgekrabbeld, wordt achtervolgd en na een paar seconden opnieuw wordt neergehaald waarna door een deel van dezelfde betrokkenen wordt voortgegaan met schoppen, trappen en slaan, maakt niet dat van twee gevechten kan dan wel moet worden gesproken. De vraag of er sprake is geweest van medeplegen ziet dus op dit ene gebeuren.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben zich na afloop van de wedstrijd tezamen op grensrechter Nieuwenhuizen gestort, waarbij er vanuit de groep belagers met geschoeide voet vol tegen het lichaam van Nieuwenhuizen is geschopt.

Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen te komen, moet de vraag worden beantwoord of verdachte een substantiële en rechtstreekse bijdrage heeft geleverd aan het strafbare feit.

Na grondige bestudering van het strafdossier moet geconcludeerd worden dat er geen toereikend bewijs voorhanden is om bovengenoemde vraag in bevestigende zin te beantwoorden. Vaststaat dat er voortdurende betrokkenheid is van verdachte bij het geweldsincident. Ongewis blijft evenwel wat de precieze rol van verdachte in dit geheel is geweest waar het gaat om het door hem toegepaste geweld op Nieuwenhuizen. Met name komt uit de voorhanden zijnde getuigenverklaringen (met name van de verklaringen van de getuigen [benadeelde1], [getuige23] en [getuige24]) onvoldoende concreet tot uitdrukking dat de bijdrage van verdachte aan de gewelddadigheden van dien aard is geweest dat de conclusie is gewettigd dat zijn gedrag voor de uitvoering van het onder 1 ten laste gelegde feit van substantiële betekenis is geweest in de zin van de deelnemingsvorm ‘medeplegen’.

Bij de beoordeling van de feiten zijn – met inachtneming van de hierboven in paragraaf 5.3 geformuleerde behoedzaamheid – de van het incident beschikbare foto’s betrokken.53 Buiten kijf staat dat verdachte daarop prominent naar voren komt, waarbij hij is te herkennen aan zijn afwijkend gekleurde – namelijk fel rode – voetbalbroek en witte in plaats van grijze sokken. Ontegenzeggelijk zijn op de foto’s lichaamshoudingen van verdachte waar te nemen die de nodige vragen oproepen, maar het gaat te ver om uitsluitend op grond van de stilstaande beelden conclusies te trekken ten aanzien van aan de verdachte toe te rekenen handelingen.

Nu de precieze rol van verdachte met betrekking tot het geweld in de getuigenverklaringen niet concreet wordt omschreven terwijl anderzijds verdachte zelf een andersluidende verklaring over zijn handelingen heeft afgelegd, ontbreekt het toereikend bewijs van de verdachte toegedichte geweldshandelingen, waaraan het oordeel kan worden gekoppeld dat er sprake van een bewuste samenwerking in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en gericht op de onder 1 ten laste gelegde feiten. In het verlengde van het bovenstaande blijkt namelijk evenmin voldoende van gedragingen van verdachte waaruit volgt dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood van Nieuwenhuizen heeft aanvaard, of dat hij jegens hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen dan wel hem opzettelijk heeft willen mishandelen.

Op grond van het vorenstaande wordt verdachte vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd.

8.4.

Bewijs van openlijke geweldpleging

Met betrekking tot het bewijs van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging moet het navolgende worden vooropgesteld:

Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in HR 11 november 200354 is van het ‘in vereniging’ plegen van geweld in de zin van deze strafbaarstelling sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt.55

Hetgeen hierboven is overwogen in de paragrafen 6, 7 en 8.3 ten aanzien van de rol die verdachte heeft vervuld tijdens de vechtpartij, wettigt de conclusie dat de gedragingen van verdachte kunnen worden gekwalificeerd als een wezenlijke bijdrage aan het geweld in de zin van openlijke geweldpleging. Verdachte is immers van meet af aan voortdurend betrokken bij het incident dat begon met het verhaal halen bij de grensrechter. Hij is degene die tezamen met medeverdachten op agressieve wijze met Nieuwenhuizen in discussie gaat, waarbij wordt geschreeuwd en gebaren worden gemaakt. Hij heeft vervolgens bewijsbaar enig geweld toegepast gedurende de daaropvolgende vechtpartij. Verdachte heeft jegens Nieuwenhuizen – die wegrende – obstructie gepleegd. Verdachte heeft toen hij op de grond lag in de richting van Nieuwenhuizen van zich afgetrapt. Nieuwenhuizen stond op dat moment bij verdachte. Verdachte is vervolgens betrokken geweest bij de korte achtervolging van Nieuwenhuizen. Hij heeft ten slotte in de kluwen van vechtenden waarin werd geschopt, getrapt en geslagen tegen Nieuwenhuizen, zelf een vuistslag toegebracht aan een speler van Buitenboys. Verdachte heeft met deze gedragingen een significante of wezenlijke bijdrage geleverd. Het feit dat verdachte zelf de in de bewezenverklaring genoemde gedragingen van schoppen, trappen en slaan tegen Nieuwenhuizen niet heeft verricht doet naar geldend recht aan het voorgaande niet af.56

Het hof is evenwel van oordeel dat geweldshandelingen van verdachte en openlijk geweld ten aanzien van [slachtoffer] niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal van dat gedeelte van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

9 Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2:
hij op 2 december 2012 te Almere met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten op het terrein van voetbalvereniging Buitenboys, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen R. Nieuwenhuizen, welk geweld bestond uit het meerdere malen met kracht schoppen en/of trappen en/of slaan tegen het hoofd en/of de nek en/of het lichaam van die Nieuwenhuizen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

10 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

11 Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

12 Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte speelde op zondag 2 december 2012 samen met zijn teamgenoten een voetbalwedstrijd tegen Buitenboys B3. Bij deze wedstrijd trad Richard Nieuwenhuizen op als grensrechter. Nieuwenhuizen maakte het – als vrijwilliger van de voetbalvereniging – mede voor verdachte mogelijk dat hij daar op dat moment een voetbalwedstrijd kon spelen. Tijdens deze wedstrijd ontstond er onvrede bij verdachte en zijn teamgenoten over de wijze waarop de grensrechter vlagde. Na de wedstrijd is verdachte tezamen met een aantal teamgenoten op agressieve wijze verhaal gaan halen bij de grensrechter. Verdachte was hierbij van aanvang af met enkele medeverdachten aanwezig. Er werd in de richting van Nieuwenhuizen geschreeuwd en er werden agressieve gebaren gemaakt, Dit is ontaard in een uitbarsting van geweld jegens Nieuwenhuizen waaraan laatstgenoemde zich heeft getracht te onttrekken maar door verdachte werd tegengehouden. Verdachte heeft toen al liggend op de grond geschopt om zich direct daarop weer bij de vechtende medeverdachten te voegen.

Nieuwenhuizen heeft liggend op de grond in de overmacht van geweld geen kans gehad. Hij heeft zich op geen enkele manier kunnen verweren tegen de kluwen van personen die hem met hun voetbalschoenen schopten en trapten waar ze hem maar raken konden. Het wordt verdachte aangerekend dat hij aan het geweld een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten vonden kennelijk enkel en alleen uit frustratie plaats over door Nieuwenhuizen geïnitieerde onwelkome beslissingen ten aanzien van buitenspel.

Toeschouwers van de wedstrijden op de voetbalvelden zijn ongewild getuige geweest van deze verwerpelijke gebeurtenis. Uit de getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat de vechtpartij met verontwaardiging is waargenomen.

Op grond van het vorenstaande acht het hof gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het werd gepleegd, jeugddetentie van aanzienlijke duur passend en geboden.

Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat hij blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 november 2013 niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is – tegen de achtergrond van het gegeven dat verdachte minderjarig was ten tijde van het delict – een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, een passende en noodzakelijke bestraffing. Het voorwaardelijk deel dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.

Bij de strafoplegging is acht geslagen op wat door de Raad voor de Kinderbescherming in een advies d.d. 4 november 2013 heeft geadviseerd, waarbij de Raad verwijst naar een eerdere rapportage van 29 april 2013 en dit advies handhaaft. In die rapportage van 29 april 2013 wordt gemotiveerd geadviseerd om bij een voorwaardelijk strafdeel een bijzondere voorwaarde voor de duur van één jaar op te leggen, te weten de Maatregel Hulp en Steun, uit te voeren door de jeugdreclassering. Dit advies wordt overgenomen en aan verdachte zal voornoemde bijzondere voorwaarde worden opgelegd. Echter, in afwijking van voornoemd advies, wordt – gelet op het belang dat de verdachte heeft bij een goede begeleiding door de jeugdreclassering – bij de bijzondere voorwaarde een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Gelet op het voorgaande en met name hetgeen is bepaald over de duur van de straf, wordt het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis – zoals door de raadsvrouw ter terechtzitting gedaan – afgewezen.

13 Benadeelde partijen

13.1

Omvang vorderingen

Voor aanvang van de terechtzitting in eerste aanleg hebben de nabestaanden van Richard Nieuwenhuizen, te weten [benadeelde2], [benadeelde1], [benadeelde4] en [benadeelde3] zich elk als benadeelde partij in dit strafproces gevoegd. Zij vorderen vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van de bewezen verklaarde feiten. [benadeelde2] vordert een bedrag van € 12.874,85 voor uitvaartkosten, van € 2.831,40 voor de overlijdensschadeberekening, van € 211.467,- voor verlies van levensonderhoud en een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade. [benadeelde1] vordert een bedrag van € 11.669,- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade. [benadeelde4] vordert een bedrag van € 4.070,- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade. [benadeelde3] vordert een bedrag van € 1.641,- voor verlies van levensonderhoud en € 25.000,- als immateriële schade.

De benadeelde partijen vorderen de bedragen voor immateriële schade ter vergoeding van “ 'shockschade', subsidiair als schade uit onrechtmatige daad ex artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De benadeelde partijen hebben tevens om oplegging van de maatregel tot schadevergoeding verzocht.

De rechtbank heeft beslist op voornoemde vorderingen. De benadeelde partijen hebben zich allen opnieuw gevoegd in hoger beroep, gelet waarop de gehele vorderingen thans wederom aan de orde zijn.

Ter zitting van het hof heeft mr. Y. Moszkowicz, als gemachtigde van de benadeelde partijen, de vorderingen toegelicht en met betrekking tot de vordering verlies levensonderhoud subsidiair toegevoegd dat de bedragen van de overeengekomen alimentatie kunnen worden toegewezen.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de benadeelde partijen gevorderd, dat:

  • -

    de vordering van [benadeelde2] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot de bedragen van € 12.874,85 (uitvaartkosten) en € 2.831,40 (kosten schadeberekening), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    de vordering van [benadeelde1] hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

  • -

    [benadeelde2] en [benadeelde1] voor het overige niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering;

  • -

    de benadeelde partijen [benadeelde4] en [benadeelde3] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

De verdediging stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de vorderingen zich niet lenen voor behandeling in het strafgeding. Daarom verzoekt de verdediging om de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair is de verdediging van oordeel dat de vorderingen dienen te worden afgewezen. In de berekening van het gederfde levensonderhoud dienen consequenties te worden verbonden aan het feit dat een echtscheiding heeft plaatsgevonden hetgeen om een andere berekening vraagt. Daarbij zijn de opbrengsten van de benefietwedstrijd ten onrechte niet in de berekening betrokken. De kosten van berekenen van overlijdensschade roepen als niet redelijke kosten vragen op bij de verdediging. De uitvaartkosten acht de verdediging qua omvang niet redelijk. Voor wat betreft de gevorderde shockschade meent de verdediging dat er geen directe confrontatie met het incident is geweest met uitzondering van [benadeelde1]. De verdediging zou daarbij graag toetsen in hoeverre sprake is van een ziektebeeld bij [benadeelde1]. De verdediging meent dat een procedure met betrekking tot shockschade zich niet leent voor behandeling in een strafprocedure.

13.2

Beoordeling

Het hof komt niet toe aan de behandeling van de vorderingen tot schadevergoeding. Hierboven is overwogen dat verdachte zal worden veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Verdachte wordt vrijgesproken van de feiten waarin de dood verdachte in strafrechtelijke zin kan worden toegerekend. Het hof stelt vast dat ingevolge de vorderingen en hun onderbouwing zowel de materiële als immateriële schade ziet op schade zoals die is geleden als gevolg van het overlijden van Richard Nieuwenhuizen. Nu het hof niet tot een veroordeling terzake van de tenlastegelegde levensdelicten komt, doet zich de situatie voor dat er geen rechtstreeks verband kan worden vastgesteld tussen hetgeen gevorderd is en het bewezenverklaarde feit. Dit leidt ertoe dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet kunnen worden ontvangen.

De verdachte wordt telkens verwezen in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

14 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door de Reclassering of een door de reclassering nader aan te wijzen reclasseringsinstelling, zulks zolang als deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht en dat verdachte binnen dit kader zijn medewerking zal verlenen aan de Maatregel Hulp en Steun, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde1] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde4] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.H. van Krugten, griffier,

en op 19 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 ECLI:NL:HR:2013:54.

2 Wedstrijdformulier, pagina 56 van het einddossier met als onderzoeksnaam ART23.

3 Verklaring [scheidsrechter] d.d. 3 december 2012, pagina 236 en verder van voornoemd dossier.

4 Verklaring [getuige6] d.d. 2 december 2012, pagina 121 en verder van voornoemd dossier.

5 Verklaring [scheidsrechter] d.d. 3 december 2012, pagina 236 en verder van voornoemd dossier.

6 Verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 202 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

7 Verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

8 Verklaring [benadeelde1] d.d. 2/3 december 2012, pagina 98 en verder van voornoemd dossier.

9 Verklaring [getuige10] d.d. 5 december 2012, pagina 431 en verder van voornoemd dossier en verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 202 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

10 Verklaring [getuige11] d.d.18 december 2012, pagina 702 en verder van voornoemd dossier.

11 Verklaringen [getuige10] d.d. 5 december 2012 en [getuige12] d.d. 20 december 2012, resp. pagina 431 en verder en pagina 630 en verder van voornoemd dossier.

12 Verklaringen van [getuige6] d.d. 2 december 2012 en van [getuige13] d.d. 10 januari 2013, resp. pagina 121 en verder en pagina 674 en verder van voornoemd dossier

13 Verklaringen [getuige14] d.d. 4 december 2012, [getuige15] d.d. 4 december 2012 en [getuige8] d.d. 4 december 2012, resp. pagina 398 en verder, pagina 270 en verder en pagina 403 en verder van voornoemd dossier.

14 Verklaring H.M.[getuige15] d.d. 7 januari 2013, pagina 646 en verder van voornoemd dossier.

15 Verklaring [benadeelde1] d.d. 13 december 2012, pagina 113 en verder van voornoemd dossier.

16 Verklaring [getuige11] d.d.18 december 2012, pagina 702 en verder van voornoemd dossier.

17 Verklaring [getuige16] d.d. 18 december 2012, pagina 707 en verder van voornoemd dossier.

18 Vastlegging schouw door schouwarts d.d. 3 december 2012, pagina 31 en verder van het forensisch dossier bij voornoemd dossier.

19 Verklaring verdachte d.d. 11 december 2012, pagina 519 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

20 Verklaring [getuige25] d.d. 8 december 2012, pagina 451 en verder van voornoemd dossier.

21 Verklaring verdachte d.d. 11 december 2012, pagina 519 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

22 Verklaring [benadeelde1] d.d. 13 december 2013, pagina 113 en verder van voornoemd dossier.

23 ECLI:NL:PHR:2002:AD9962; ECLI:NL:PHR:2008:BC6157; ECLI:NL:PHR:2013:885; ECLI:NL:PHR:2013:1081.

24 Zie J. de Hullu, Materieel strafrecht, 5de druk, 2012, paragraaf VII, 2.2 e.v.

25 Verklaring [getuige17] d.d. 2 december 2012, pagina 154 en verder van voornoemd dossier.

26 Verklaring [scheidsrechter] d.d. 3 december 2012, pagina 236 en verder van voornoemd dossier.

27 Verklaring [getuige4] d.d. 24 december 2012, pagina 172 en verder van voornoemd dossier.

28 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

29 Verklaring [scheidsrechter], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 4 april 2013.

30 Wedstrijdverslag, opgesteld door [scheidsrechter], pagina 242 en verder van voornoemd dossier.

31 Verklaring [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van voornoemd dossier.

32 Verklaring [benadeelde1] d.d. 7 december 2012, pagina 101 en verder van voornoemd dossier.

33 Verklaring [getuige2] d.d. 4 december 2012, pagina 349 en verder en verklaring van [getuige18] d.d. 4 december 2012, pagina 297 en verder van voornoemd dossier.

34 Verklaring [getuige19] d.d. 27 december 2012, pagina 510 en verder van voornoemd dossier.

35 Verklaring [medeverdachte6] bij de rechter-commissaris d.d. 26 april 2013.

36 Verklaring [medeverdachte6] bij de rechter-commissaris d.d. 26 april 2013.

37 Verklaring [verdachte] d.d. 13 december 2012, pagina 537 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier en verklaring [getuige20] op 21 maart 2013 afgelegd bij de rechter-commissaris.

38 Verklaring [getuige21] bij de rechter-commissaris d.d. 19 maart 2013.

39 Verklaring [getuige7] bij de rechter-commissaris d.d. 12 maart 2013.

40 Verklaring [getuige1] d.d. 2 december 2012, pagina 139 en verder van voornoemd dossier.

41 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

42 Verklaring [getuige2] d.d. 4 december 2012, pagina 349 en verder van voornoemd dossier.

43 Verklaring [getuige3] d.d. 12 december 2012, pagina 220 en verder.

44 Verklaring [benadeelde1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 mei 2013.

45 Verklaring [benadeelde1] d.d. 7 december 2012, pagina 101 en verder van voornoemd dossier.

46 Verklaring [benadeelde1] d.d. 13 december 2012, pagina 113 en verder van voornoemd dossier.

47 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

48 Verklaring [getuige2] d.d. 4 december 2012, pagina 349 en verder van voornoemd dossier.

49 Verklaring [getuige14] d.d. 4 december 2012, pagina 398 en verder van voornoemd dossier.

50 Verklaring [getuige8] d.d. 4 december 2013, pagina 403 en verder van voornoemd dossier.

51 Verklaring [benadeelde1] d.d. 7 december 2012, pagina 101 en verder van voornoemd dossier.

52 Verklaring [benadeelde1], afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 2 mei 2013 en verklaring van [medeverdachte4] d.d. 8 december 2012, pagina 211 en verder van het persoonsdossier bij voornoemd dossier.

53 Foto’s DSC_0126, DSC_0127, IMG_9148, IMG_9149, IMG_9150, DSC_0129, DSC_0130, DSC_0131 en DSC_0132.

54 ECLI:NL:HR:2003:AL6209 en ECLI:NL:HR:2013:132.

55 ECLI:NL:PHR:2013:89.

56 ECLI:NL:HR:2013:BZ9287.