Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9673

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
200.134.040-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing van eerder uit huis geplaatste kinderen. Kinderen veilig gehecht aan de pleegouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.134.040/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/134638 JL RK 13-479)

beschikking van de familiekamer van 12 december 2013

inzake

Raad voor de Kinderbescherming regio Midden Nederland locatie Lelystad,

kantoorhoudend te Lelystad,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de raad,

tegen

[verweerders],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de ouders dan wel de moeder respectievelijk de vader,

verweerders in hoger beroep,

advocaat: mr. J.A. Neslo, kantoorhoudende te Almere.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering Utrecht,

kantoorhoudende te Lelystad,

hierna te noemen: LJ&R,

2 [pleegouders],

wonende op een (tot voor kort) geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 14 juni 2013 is het verzoek van de raad om verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in 2007] en [minderjarige 2], geboren[in 2009], afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen op 6 september 2013, heeft de raad het hof verzocht voormelde beschikking van de kinderrechter te vernietigen en opnieuw rechtdoende machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van de ondertoezichtstelling.

2.2

Het hof heeft de ouders en de overige belanghebbenden in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

2.3

Het hof heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen van LJ&R van 24 oktober 2013, alsmede van de overige stukken waaronder de brief met bijlage van de raad van 16 oktober 2013.

2.4

De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 22 november 2013, waarbij zijn verschenen dhr. M. Dolieslager namens de raad, mr. Neslo namens de ouders, mw. Molina en dhr. Boon namens LJ&R en voorts zijn de pleegouders verschenen. Door mr. Neslo zijn pleitaantekeningen overgelegd. De pleegouders hebben ook aantekeningen overgelegd van hetgeen zij ter zitting naar voren hebben gebracht.

2.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek aldus aangepast, onder toelichting dat de ondertoezichtstelling laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden Nederland van 12 september 2013 is verlengd tot 23 december 2013, dat machtiging tot uithuisplaatsing wordt gevraagd tot laatstgenoemde datum. Het hof is niet gebleken van bezwaren of beletselen voor die aanpassing van het verzoek.

3 Feiten en achtergronden

3.1

De moeder, geboren [in 1981]
[in 1981], en de vader, geboren [in 1963], zijn [in 2005] in Rusland met elkaar getrouwd en hebben zich daarna in Nederland gevestigd.

3.2

De vader heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder de Russische nationaliteit. Zij wonen thans in [woonplaats]. De moeder heeft een verblijfsvergunning hier te lande tot 27 juni 2017.

3.3

Uit het huwelijk zijn voornoemde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.

3.4

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn eind juni 2010 geplaatst in een pleeggezin op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing die werd afgegeven bij het verzoek om (voorlopige) ondertoezichtstelling van de minderjarigen. Sindsdien hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezin bij de pleegouders verbleven tot aan hun thuisplaatsing.

3.5

[in 2011] is een derde kind geboren uit het huwelijk van de ouders [minderjarige 3]. [minderjarige 3] is vanaf de dag van haar geboorte uit thuis geplaatst.

3.6

[minderjarige 1] is in december 2011 gediagnosticeerd met een progressieve spierziekte (anti SRP positieve necrotiserende myositis met daarbij ernstige proximale spierzwakte).

3.7

Op 15 januari 2013 heeft de raad van LJ&R bericht gehad van het voornemen tot terugplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders met het verzoek om dat voornemen te toetsen. Het traject om de kinderen terug te laten keren naar de ouders is op 4 september 2012 meegedeeld aan De Rading (Jeugd- en Opvoedhulp) en per 19 september 2012 is gestart met de (aanpassing van de) bezoekregeling. LJ&R heeft op 8 januari 2013 besloten tot terugplaatsing. Op basis van de beschikbare informatie kon de raad niet voorshands instemmen met het besluit van LJ&R.

3.8

De pleegouders hebben op 21 januari 2013 een verzoek ingediend bij de kinderrechter om de beslissing van LJ&R om de verblijfplaats van de kinderen te wijzigen, ongedaan te maken. De raad is op 14 februari 2013 een onderzoek gestart dat op 18 april 2013 is afgerond met het advies om de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te laten voortduren.

3.9

Bij beschikking van 13 mei 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland het verzoek van de pleegouders tot het ongedaan maken van het besluit van de gezinsvoogdijinstelling van 8 januari 2013 tot wijziging van de verblijfplaats van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2], afgewezen. De kinderrechter was van oordeel dat de ouders voldoende mogelijkheden hebben om de kinderen een veilige en stabiele thuissituatie te bieden mits ouders openstaan voor hulpverlening in de thuissituatie en de ouders zich tot het uiterste inspannen om met pleegouders tot een goede verstandhouding te komen.

3.10

De raad heeft op 23 mei 2013 besloten om een onderzoek te starten in het kader van zijn toetsende taak nu voormeld verzoek van de pleegouders door de kinderrechter is afgewezen. De machtiging uithuisplaatsing liep op dat moment tot 23 september 2013. In onderling overleg hebben de raad en LJ&R aanvankelijk de terugplaatsing van de kinderen opgeschort, maar in contact met de school van [minderjarige 1] vernam de raad dat zij op 14 juni 2013 zal worden teruggeplaatst naar de ouders. De raad heeft daarin aanleiding gezien om op 14 juni 2013 een verzoekschrift in te dienen bij de kinderrechter tot verlening van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin voor duur van de ondertoezichtstelling.

3.11

Laatstgenoemd verzoek is dezelfde dag ter terechtzitting behandeld door de kinderrechter in bijzijn van de ouders, bijgestaan door hun advocaat en een aantal vertegenwoordigers van de raad en LJ&R en vervolgens bij de hier bestreden beschikking van 14 juni 2013 afgewezen.

3.12

Op 14 augustus 2013 heeft de raad zijn onderzoek afgerond. In het desbetreffende rapport van bevindingen concludeert de raad, zeer kort gezegd, dat niet aan de voorwaarden voor terugplaatsing van de kinderen bij de ouders wordt voldaan. Onder meer is opgemerkt dat er weinig is veranderd in de persoonlijke situatie van de ouders die geleid heeft tot verwaarlozing en onderstimulering van de kinderen, dat nog steeds psychologisch dan wel psychiatrisch onderzoek nodig is naar de ouders, dat ouders onvoldoende in staat zijn om de kinderen vrij te laten zijn in het contact met de pleegouders, dat de kinderen gehecht zijn geraakt in het gezin bij de pleegouders, daar zijn opgebloeid en dat terugplaatsing zeer schadelijk is voor de kinderen.

3.13

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft de raad besloten het onderhavig hoger beroep in te stellen, teneinde de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4 De motivering

4.1

Ter beoordeling staat het verzoek van de raad om verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin voor de duur van de ondertoezichtstelling.

4.2

Op grond van artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter (lees: in hoger beroep het hof), indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.
Het vierde lid van dat artikel bepaalt dat de kinderrechter eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing kan verlenen zonder dat daarbij een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de kinderbescherming en de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van die wet geen besluit strekkend tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter de machtiging verleent, is de stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad met niet-tenuitvoerlegging instemt.

4.3

Het hof is uit de stukken gebleken dat er in de aanloop naar de onderhavige maatregelen van kinderbescherming en ten tijde dat die maatregelen voor het eerst zijn uitgesproken, diverse signalen waren dat de opvoedingssituatie van de kinderen bij de ouders zeer zorgelijk was. Zo is door de moeder aangifte gedaan bij de politie tegen de vader in verband met mishandeling, verhuist het gezin in korte tijd van Amsterdam naar Utrecht en weer terug, wordt in mei 2010 door het consultatiebureau geconstateerd dat het huis van de ouders ernstig vervuild is, zijn er financiële problemen met onder meer als gevolg dat de woning is afgesloten van gas en elektriciteit en de kinderen onvoldoende verzorgd kunnen worden en geeft de moeder aan dat ze geïsoleerd is geraakt. De kinderen zijn verwaarloosd en achter in hun ontwikkeling. De ouders blijken daarbij niet, althans onvoldoende, mee te werken aan hulpverlening. Een en ander heeft medio 2010 tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de pleegouders geleid.

4.4

LJ&R heeft ervoor gekozen om de kinderen per 14 juni 2013, tegen het uitdrukkelijk advies van diverse professionele instellingen waaronder de raad en De Rading Jeugdhulp, terug te plaatsen bij de ouders. De kinderen waren op dat moment al zo'n drie jaren in het pleeggezin, alwaar zij zich blijkens onder meer de bevindingen van de raad als weergegeven in zijn rapport van 14 augustus 2013, veilig hadden gehecht en goed werden verzorgd. Het hof beschikt niet over andersluidende, objectief verifieerbare, informatie voor wat betreft de situatie van de kinderen bij de pleegouders. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht het hof voorts aannemelijk dat niet aan de noodzakelijke randvoorwaarden voor een verantwoorde terugkeer van de kinderen was voldaan ten tijde van de terugplaatsing. Zo was onvoldoende duidelijk of er in de persoonlijke situatie van de ouders een wezenlijke verandering was opgetreden, met name voor wat betreft hun pedagogische vaardigheden en persoonlijke problematiek en was ook de financiële- en woonsituatie van de ouders nog onzeker. De vader en de moeder hebben beiden geen werk en er is sprake van schulden. Bovendien bleek op geen enkele wijze dat ouders bereid waren om zich in het belang van de kinderen in te spannen voor een goede verstandhouding met de pleegouders. Daarnaast lieten de kinderen in de periode dat de omgang met de ouders (in aanloop naar terugplaatsing) wordt geïntensiveerd, grote gedragsproblemen zien, liet de hygiëne van de kinderen na een omgangsweekend te wensen over, had [minderjarige 1] weer vaker somatische klachten en was er bij [minderjarige 2] sprake van terugval in zindelijkheid. Aldus kunnen naar het oordeel van het hof, hoewel in deze procedure de beslissing dient te worden genomen op basis van de huidige situatie, vraagtekens worden geplaatst bij de (wijze van) terugplaatsing van de kinderen bij de ouders. Dit wordt bevestigd door het navolgende.

4.5

Inmiddels is gebleken dat door de gezinsvoogdijinstelling geen zicht kan worden verkregen op de situatie van de kinderen bij de ouders sinds hun terugplaatsing. Uit informatie van de school komen daarover zorgelijke signaleren naar voren. Voorts laten de ouders de kinderen niet vrij het contact met de pleegouders. In dit verband heeft LJ&R geen verweer gevoerd met betrekking tot het verzoek van de raad in hoger beroep, maar in zijn brief van 24 oktober 2013 en ter zitting wel een toelichting gegeven op de gang van zaken sinds de terugplaatsing. Onder meer is opgemerkt dat de ouders, naar thans is gebleken, voorafgaand aan de thuisplaatsing van de kinderen geen volledige openheid van zaken hadden gegeven over hun financiële situatie en huisvesting. Voorts erkent LJ&R dat er grote samenwerkingsproblemen met de ouders zijn. De ouders gaan het gesprek met de gezinsvoogd uit de weg en zij kan niet meer in contact komen met de ouders, laat staan door middel van eigen waarneming de situatie van de kinderen beoordelen. Hulpverlening van GGZ-Divers is ingezet maar de moeder heeft na drie gesprekken met de psycholoog aangegeven dat zij geen behoefte heeft aan behandeling, waarna de hulp is stopgezet. LJ&R heeft besloten om de uitvoering van de ondertoezichtstelling over te dragen aan BJZ Flevoland. Bij de brief van LJ&R van 24 oktober 2013 zijn een aantal bijlagen gevoegd, waaronder een e-mail van [psycholoog], psycholoog bij GGZ Divers d.d. 28 augustus 2013 aan LJ&R, een evaluatieverslag IPT van Vitree gedateerd 4 oktober 2013 en een faxbericht van de kinderarts [kinderarts] van het Wilhelmina Kinderziekenhuis d.d. 5 juli 2013. Uit deze stukken blijkt onder andere dat de ouders weliswaar zorgzaam en betrokken zijn en dat de kinderen goed worden verzorgd maar dat de thuisplaatsing van de kinderen dermate problematisch is verlopen met zo enorm veel twijfel, dat het IPT traject zeer uitzonderlijke vormen heeft aangenomen. LJ&R heeft desgevraagd ter zitting aan voormelde toelichting toegevoegd dat de gesloten opstelling van de ouders sinds de terugplaatsing van de kinderen ook voor LJ&R als een complete (negatieve) verassing is gekomen.

4.6

Alles afwegende - waaronder met name het ontbreken van zicht op de opvoedingssituatie van de kinderen bij de ouders door de gezinsvoogdijinstelling in relatie tot de grote zorgen die er waren ten tijde van de uithuisplaatsing in 2010, de omstandigheid dat de ouders niet aan hun eigen problemen en opvoedcapaciteiten hebben gewerkt en de zorgen ontkennen of bagatelliseren, alsmede onveilige hechting van de kinderen aan de ouders en de veilige hechting in het gezin bij de pleegouders en het afhouden door de ouders van een onbelast contact van de kinderen met de pleegouders - volgt het hof de raad in zijn standpunt dat de hier bedoelde machtigingen noodzakelijk zijn. Het hof oordeelt het in het belang van de kinderen, van wie met name [minderjarige 1] door haar ziekte extra kwetsbaar is, dat zij weer bij de pleegouders worden geplaatst. Zij zijn daar veilig gehecht en er is geen enkele aanwijzing is dat de opvoedingssituatie van de kinderen bij de pleegouders tekortschiet. Integendeel, de pleegouders zijn betrokken op het belang van de kinderen, blijkende bijvoorbeeld uit het feit dat zij het contact tussen de kinderen en de ouders nimmer hebben belemmerd. De recente positieve berichten vanuit met name Vitree leiden niet tot een ander oordeel omdat het hof aannemelijk acht, zoals door diverse hulpverlener is aangegeven, dat ouders het contact met de hulpverlening als instrument inzetten. Het na de thuisplaatsing van de kinderen buiten de deur houden van de gezinsvoogdijinstelling lijkt dit ook te bevestigen. Het gevaar bestaat dat het gezinssysteem zich sluit zodra de ouders onvoldoende druk ervaren om hulpverlening te accepteren. De druk vanuit de ondertoezichtstelling is al onvoldoende gebleken omdat de gezinsvoogd wordt geweerd.

5 De slotsom

5.1

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven nu daarin het verzoek van de raad is afgewezen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 14 juni 2013 waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

verleent met ingang van heden voor de duur van de ondertoezichtstelling (tot 23 december 2013) machtiging tot uithuisplaatsing voor plaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in 2007] en [minderjarige 2], geboren[in 2009] bij de pleegouders, hiervoor genoemd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, G.M. van der Meer en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 december 2013 in bijzijn van de griffier.