Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9672

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
200.082.327-01 200.082.473-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie, deels met toepassing nieuwe richtlijn van de werkgroep Alimentatienormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 12 december 2013

Zaaknummers 200.082.327/200.082.473

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende op een geheim adres,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

tevens gemachtigde van

[jongmeerderjarige 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [jongmeerderjarige 1],

en van

[jongmeerderjarige 2],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: [jongmeerderjarige 2],

advocaat mr. M.M.J. Arts, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

voorheen advocaat mr. M. Vos, kantoorhoudende te Groningen,

thans advocaat mr. C. Heijs, kantoorhoudende te Groningen.

De inhoud van de tussenbeschikking van 16 juli 2013 wordt hierbij overgenomen.

Het verdere procesverloop

Het hof heeft kennisgenomen van de stukken die na de tussenbeschikking van 16 juli 2013 zijn binnengekomen, waaronder een brief met bijlagen van 24 september 2013 van mr. Heijs en een brief met bijlagen van 26 september 2013 van mr. Arts.

Ter zitting van 10 oktober 2013 zijn de zaken met nummers 200.082.327 en 200.082.473 behandeld. Verschenen zijn de vrouw, mr. Arts, de man en mr. Heijs. In de zaak met nummer 200.082.327 is tevens [jongmeerderjarige 1] verschenen. Mr. Heijs heeft het woord mede gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota. Tevens heeft mr. Heijs opnieuw productie 2, behorende bij haar brief van 25 september 2013, overgelegd, te weten de draagkrachtberekening van de man, waarbij rekening wordt gehouden met de volledige hypotheeklasten, aangezien deze berekening abusievelijk niet volledig was gekopieerd.

De verdere beoordeling

Ten aanzien van zaaknummer 200.082.327

Het voortgezet gebruik van de echtelijke woning

1.

Ter zitting heeft mr. Arts het verzoek van de vrouw inzake het voortgezet gebruik van de echtelijke woning ingetrokken. De grieven hieromtrent behoeven derhalve geen bespreking meer.

2.

Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vrouw inzake het voortgezet gebruik van de echtelijke woning afwijzen.

Ten aanzien van de alimentatie

De ingangsdatum

3.

Het hof overweegt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Doorgaans wordt in echtscheidingsprocedures, zoals waarvan hier sprake is, gebruik makend van deze vrijheid, de ingangsdatum door de rechter gesteld op de dag van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en dient de onderhoudsplichtige er rekening mee te houden dat er een nabetalingsverplichting kan ontstaan zolang geen definitieve alimentatiebeschikking is gegeven. In het onderhavige geval ziet het hof, gelet op hetgeen is aangevoerd, geen aanleiding af te wijken van dat uitgangspunt, zodat de ingangsdatum zal worden bepaald op 2 april 2012.

De behoefte van de kinderen

4.

Voor de vaststelling van de behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen is in samenwerking met het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (het NIBUD) een rekenmodel ontwikkeld, gebaseerd op CBS-cijfers, dat is neergelegd in het Trema-rapport en de daarbij behorende bijlage 'tabel eigen aandeel kosten van kinderen'.

5.

In dat rekenmodel is, naast het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen, het netto gezinsinkomen in de laatste periode van de relatie een belangrijke factor. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de behoefte van het kind gerelateerd is aan het welstandsniveau van de ouders.

6.

Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, te weten over 2007 en de eerste helft van 2008,
€ 4.100,- per maand bedroeg. Derhalve zal het hof de behoefte van de kinderen berekenen aan de hand van dit netto gezinsinkomen.

7.

Aangezien [jongmeerderjarige 1], [jongmeerderjarige 2] en [kind 3] ten tijde van het uiteengaan van partijen - in juni 2008 - respectievelijk 15, 13 en 11 jaar oud waren, levert dit volgens de CBS-Nibudtabel 6 kinderbijslagpunten op. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 4.100,- en 6 kinderbijslagpunten, bedraagt de behoefte van de kinderen op grond van het voormelde rekenmodel afgerond € 1.173,- per maand, oftewel € 391,- per kind per maand in 2008. Geïndexeerd naar 2012 bedraagt de behoefte van de kinderen afgerond € 1.274,- per maand, ofwel € 425,- per kind per maand.

De behoefte van de vrouw

8.

Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

9.

Doorgaans betekent dit dat de behoefte gelijkgesteld wordt aan 60% van het daadwerkelijk genoten netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, verminderd met de kosten van de kinderen en zonder overigens rekening te houden met de fiscale voordelen. Het hof ziet in het onderhavige geval geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

10.

Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen zijn partijen ter zitting overeengekomen dat het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, te weten over 2007 en de eerste helft van 2008, € 4.100,- per maand bedroeg. Derhalve zal het hof hiervan uitgaan bij de bepaling van de behoefte van de vrouw.

11.

Hiervoor is reeds overwogen dat de kosten van de kinderen € 1.274,- per maand bedragen.

12.

Uitgaande van het netto gezinsinkomen van € 4.100,- per maand en van de kosten van de kinderen van € 1.274,- per maand, kan de behoefte van de vrouw worden becijferd op 60 % van € 2.826,- (€ 4.100,- - € 1.274,-) netto per maand. Dat resulteert in een nettobehoefte van € 1.696,- per maand.

* De behoeftigheid; het inkomen van de vrouw

13.

Vast staat dat de vrouw over de periode vanaf 2 april 2012 inkomsten genereert bij [werkgever 1]. Uit de door de vrouw overgelegde brief van 12 juli 2013 volgt dat zij daarnaast met ingang van 1 augustus 2013 inkomsten uit haar dienstbetrekking bij het [werkgever 2] heeft. Het hof constateert echter op grond van de salarisspecificatie van de vrouw van juli 2013 dat zij in ieder geval reeds per 1 januari 2013 een dienstverband heeft bij deze werkgever. Onduidelijk is of en in hoeverre de vrouw ook over 2012 inkomsten heeft gegenereerd uit haar dienstbetrekking bij het [werkgever 2]. Het had op haar weg gelegen in ieder geval haar aangifte inkomstenbelasting over 2012, dan wel een jaaropgave over 2012 inzake haar dienstbetrekking bij het [werkgever 2] over te leggen.

14.

Nu de vrouw onvoldoende informatie heeft verschaft inzake haar inkomen over 2012, zal het hof bij de bepaling van haar inkomen over de periode vanaf 2 april 2012 uitgaan van het inkomen dat de vrouw zowel bij [werkgever 1] als bij het [werkgever 2] genereert.

15.

De vrouw is in haar draagkrachtberekening d.d. 26 september 2013 uitgegaan van een bedrag van € 31.275,- bruto per jaar aan inkomsten uit arbeid inzake haar dienstbetrekkingen bij [werkgever 1] en het [werkgever 2]. De man is van mening dat de bruto inkomsten uit arbeid van de vrouw € 35.573,51 per jaar bedragen. Hij houdt daarbij rekening met de structurele vergoeding van € 18,60 per maand, € 223,20 per jaar, € 1.298,03 in verband met de salderingsregelingen, de structurele eindejaarsuitkeringen van
€ 1.380,- bij [werkgever 1] en € 74,89 en (€ 40,- x 12= ) € 480,- bij het [werkgever 2]. Ter zitting heeft de man aangevoerd dat de vrouw daarnaast nog een eindejaarsuitkering ontvangt van € 479,99 bruto per jaar.

16.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling dat de door de man genoemde bedragen geen structurele vergoedingen dan wel (eindejaars)uitkeringen betreffen, onvoldoende onderbouwd. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat het bedrag van € 1.380,- betrekking heeft op de vergoeding van reiskosten, volgt het hof haar daarin niet, nu in de salarisspecificaties is vermeld dat dit een eindejaarsuitkering betreft.

17.

Gelet op het voorgaande zal het hof met ingang van 2 april 2012 uitgaan van een bedrag van afgerond € 36.054,- (€ 35.573,51 + € 479,99) aan bruto inkomsten uit arbeid per jaar van de vrouw, ofwel € 2.468,- netto per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening van het netto inkomen van de vrouw.

18.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat zij wegens de ontruiming van de woning, waarin zij tot 8 augustus 2013 verbleef, niet de beschikking had over de benodigde financiële stukken, volgt het hof haar daarin niet. Op grond van de stukken is het hof van oordeel dat de vrouw reeds lange tijd ervan op de hoogte was dat zij haar woning spoedig zou moeten verlaten. Zo heeft de vrouw een vaststellingsovereenkomst met de man gesloten waarin is afgesproken dat de vrouw de woning zou verlaten. Derhalve had de vrouw ervoor kunnen zorgdragen dat haar persoonlijke bescheiden elders werden ondergebracht. Voor zover zij, vanwege de ontruiming, niet over de benodigde financiële stukken beschikt, dient dat voor haar eigen rekening en risico te komen.

19.

Nu de behoefte van de vrouw € 1.696,- netto per maand bedraagt en de vrouw een bedrag van € 2.468,- netto per maand aan inkomsten genereert, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof geen resterende behoefte aan partneralimentatie.

20.

Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, afwijzen.

De draagkracht van de man

* Het inkomen

21.

Uit de stukken is gebleken dat de man (middellijk) aandeelhouder is van [bedrijf 1], [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] De man is directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 1]

22.

De man heeft aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met een inkomen van € 58.524,- bruto per jaar. De vrouw is van mening dat bij de bepaling van het inkomen tevens de onttrekkingen en dividenduitkeringen in aanmerking moeten worden genomen.

23.

Uit het deskundigenrapport van [deskundige] van 21 maart 2013 volgt dat de man over de jaren 2007 tot en met 2011 een inkomen van gemiddeld
€ 58.518,- bruto per jaar genoot. Tevens blijkt hieruit dat de man over de jaren 2007 tot en met 2011 bedragen in rekening courant heeft opgenomen, waaronder een bedrag van € 16.758,- netto in 2011. De deskundige heeft aangegeven dat de man over 2007, 2008 en 2009 een bedrag van in totaal € 53.412, € 52.472,- respectievelijk € 80.684,- netto heeft ontvangen vanuit [bedrijf 1] Over 2010 en 2011 heeft de man volgens de deskundige een bedrag van
€ 46.729,- respectievelijk € 55.587,- netto ontvangen vanuit [bedrijf 1] Voorts komt uit het deskundigenrapport naar voren dat een salarisverhoging in de periode van 2007 tot en met 2011 op grond van de liquiditeitspositie van [bedrijf 1] niet mogelijk was. Tevens heeft de deskundige geconcludeerd dat de man, gelet op de liquiditeitspositie van [bedrijf 1], zijn inkomen over de periode 2007 tot en met 2011 niet had kunnen verhogen door het uitkeren van dividend dan wel door middel van additionele onttrekkingen in rekening-courant.

24.

Gelet op het voorgaande zal het hof bij de bepaling van het inkomen van de man uitgaan van het feitelijk genoten inkomen van de man. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de man zijn inkomen had kunnen verhogen, gaat het hof aan die stelling voorbij, nu zij haar stelling, in het licht van de bevindingen van het onderzoek van de deskundige, onvoldoende nader heeft onderbouwd. Het hof zal de opnamen uit rekening-courant buiten beschouwing laten bij de bepaling van het inkomen van de man, nu deze opnamen leningen betreffen en door de man dienen te worden terugbetaald. Tevens neemt het hof daarbij in aanmerking dat de deskundige heeft geconcludeerd dat de man zijn inkomen niet had kunnen verhogen door middel van additionele onttrekkingen in rekening-courant.

Het hof zal derhalve bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van een inkomen van € 58.524,- bruto per jaar.

* De premies voor lijfrenten

25.

De man heeft in zijn draagkrachtberekening een bedrag van € 540,- per jaar opgevoerd aan premies voor lijfrenten en daartoe een aantal betalingsbewijzen overgelegd. Het hof zal rekening houden met dit bedrag aan premies voor lijfrenten. Voor zover de vrouw ter zitting heeft aangevoerd dat de hoogte van het bedrag aan premies voor lijfrenten onredelijk is, is het hof van oordeel dat zij haar stelling, gelet op de betwisting door de man, onvoldoende nader heeft onderbouwd.

* De premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval

26.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat het door de man opgevoerde bedrag van € 4.851,- per jaar aan premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval onevenredig hoog is en dat dit een voorziening betreft die door de onderneming van de man zou moeten worden getroffen, omdat de man in loondienst van deze onderneming is. Met de man is het hof van oordeel dat een directeur-grootaandeelhouder van een B.V. zich privé zal moeten verzekeren tegen de risico's voor arbeidsongeschiktheid. Nu het door de man opgevoerde bedrag van € 4.851,- per jaar het hof niet onredelijk voorkomt in relatie tot het inkomen van de man, zal het hof hiermee rekening houden bij de bepaling van de draagkracht van de man.

* De hypothecaire lasten inzake de voormalige echtelijke woning

27.

Ter zitting is gebleken dat de man gerekend tot 1 augustus 2012 gedurende acht maanden de hypothecaire lasten van de voormalige echtelijke woning niet heeft voldaan. Derhalve zal het hof over de periode van 2 april 2012 tot 1 augustus 2012 geen rekening houden met de hypothecaire lasten inzake de voormalige echtelijke woning bij de berekening van de draagkracht van de man.

28.

Tevens is ter zitting naar voren gekomen dat over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 de man een bedrag van € 410,- per maand en de vrouw een bedrag van € 500,- per maand heeft voldaan inzake de hypothecaire lasten van de voormalige echtelijke woning. Gelet hierop zal het hof over de periode van
1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 een bedrag van € 410,- per maand aan hypothecaire lasten inzake de voormalige echtelijke woning in aanmerking nemen bij de bepaling van de draagkracht van de man.

29.

Voorts is tijdens de behandeling ter zitting gebleken dat de man over de periode vanaf 1 maart 2013 de volledige hypothecaire lasten van de voormalige echtelijke woning voldoet. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat zij over de periode van
1 maart 2013 tot 8 augustus 2013 hypotheeklasten heeft voldaan, is het hof van oordeel dat zij haar stelling onvoldoende met stukken heeft onderbouwd. Het door de vrouw overgelegde overzicht van betalingen acht het hof daartoe onvoldoende.

Niet, althans onvoldoende, weersproken is dat de man geen fiscaal voordeel meer ontvangt inzake de hypothecaire lasten. Gelet op het voorgaande zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man, voor wat betreft de periode vanaf
1 maart 2013, rekening houden met de hypothecaire lasten inzake de voormalige echtelijke woning van € 910,- per maand onder de post 'niet aftrekbare hypothecaire lasten'.

* Het forfait overige eigenaarslasten

30.

De man heeft een bedrag van € 228,- opgevoerd aan forfait overige eigenaarslasten. Volgens de man bestaat dit uit een bedrag van € 95,- aan forfaitaire eigenaarslasten ten aanzien van de voormalige echtelijke woning, de helft van de eigenaarslasten ten aanzien van de woning waarin hij nu verblijft, te weten € 48,-, een bedrag van € 73,94 inzake de woonverzekering ten behoeve van de voormalige echtelijke woning en een bedrag van € 133,79 aan waterschapslasten inzake de voormalige echtelijke woning.

31.

Het hof zal inzake de voormalige echtelijke woning rekening houden met een bedrag van € 95,- aan forfaitaire eigenaarslasten, nu de man deze woning volledig in eigendom heeft en om die reden eigenaarslasten verschuldigd is. Dat de man gedurende een bepaalde periode de hypothecaire lasten niet, dan wel niet volledig, heeft voldaan, maakt dat niet anders. Voor zover de man heeft gesteld dat er rekening moet worden gehouden met een hoger forfaitair bedrag aan woonlasten dan € 95,- per maand, volgt het hof hem daarin niet. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aangetoond dat hij een hoger bedrag dan € 95,- per maand aan overige eigenaarslasten dient te voldoen. Weliswaar heeft de man stukken overgelegd inzake de gemeentelijke belastingen van € 376,16 respectievelijk € 413,04 en waterschapslasten van € 133,79 respectievelijk € 142,90 inzake de voormalige echtelijke woning over 2012 respectievelijk 2013, maar daarmee heeft hij slechts aangetoond dat hij een bedrag van € 555,94 per jaar, ofwel afgerond € 46,- per maand, respectievelijk € 509,95 per jaar, ofwel afgerond € 43,- per maand, dient te voldoen aan overige eigenaarslasten. Hoewel de man tevens een bedrag van € 73,94 per maand in aanmerking heeft genomen in verband met de woonverzekering ten behoeve van de voormalige echtelijke woning, blijkt uit het polisblad van deze woonverzekering dat deze premie voor slechts een bedrag van € 38,27 per maand betrekking heeft op verzekering voor schade aan de woning zelf. Ook indien het hof rekening houdt met een bedrag van € 38,37 per maand in verband met de opstalverzekering, heeft de man niet aangetoond dat hij een hoger bedrag dan € 95,- per maand aan overige eigenaarslasten dient te voldoen.

Het hof zal inzake de woning waarin de man thans verblijft rekening houden met de helft van de forfaitaire eigenaarslasten, nu de man onweersproken heeft gesteld dat deze lasten in aanmerking moeten worden genomen.

Gelet op het voorgaande zal het hof rekening houden met een totaalbedrag van
(€ 95,- + € 48,- =) € 143,- aan forfaitaire eigenaarslasten.

* Andere bijzondere kosten

32.

De man heeft een bedrag van € 254,- per maand aan premies inzake de spaarverzekeringen ten behoeve van de kinderen opgevoerd als last onder de post 'andere bijzondere kosten'. De vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat de oudste twee kinderen inmiddels meerderjarig zijn en dat de premies voor hen om die reden niet meer behoren te worden opgevoerd.

33.

De man heeft daarop te kennen gegeven dat hij tot 1 september 2013 een bedrag van € 254,- per maand aan dergelijke premies heeft voldaan voor alle drie kinderen en dat hij vanaf september 2013 nog een bedrag van € 136,- per maand voldoet aan premies inzake spaarverzekeringen ten behoeve van het jongste kind. Nu de vrouw deze stelling van de man niet heeft betwist, zal het hof voor wat betreft de periode van 2 april 2012 tot - om doelmatigheidsredenen nu per die datum om andere redenen al een "knip" moet worden gemaakt - 1 augustus 2013 rekening houden met een bedrag van € 254,- per maand aan premies inzake de spaarverzekeringen ten behoeve van de kinderen.

* Schulden

34.

De man heeft in zijn draagkrachtberekening een bedrag van € 576,- per maand aan rente en aflossing op schulden opgevoerd. De man heeft aangevoerd dat dit de rekening courant schuld aan van [bedrijf 1] betreft, die hij is aangegaan om de hypotheeklasten van de woning en de achterstanden hierin te kunnen voldoen. Het hof acht de stelling van de man dat het ontstaan van deze schuld is gelegen in de omstandigheid dat de vrouw steeds heeft geweigerd de voormalige echtelijke woning te verlaten, op grond van de stukken en de behandeling ter zitting, aannemelijk. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw de voormalige echtelijke woning niet heeft verlaten, ondanks dat partijen dit in een vaststellingsovereenkomst hebben laten vastleggen. Tevens acht het hof van belang dat de vrouw de woning pas heeft verlaten in het kader van een ontruiming door een gerechtsdeurwaarder. Derhalve zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de rente en aflossing op deze schuld.

* Overige kosten

35.

De man heeft in zijn draagkrachtberekening de hypothecaire lasten met ingang van 1 maart 2013 opgevoerd onder de post 'kinderalimentatie', nu deze lasten per die datum niet meer fiscaal aftrekbaar zijn. Zoals het hof reeds heeft overwogen, heeft het hof de hypothecaire lasten met ingang van 1 maart 2013 opgevoerd als niet aftrekbare hypotheekrente.

De draagkrachtberekeningen van de man

36.

Hetgeen hiervoor is overwogen en de niet betwiste posten in de door de man opgestelde draagkrachtberekening van 10 oktober 2013, zoals die ter zitting is overgelegd, leiden tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

37.

Uit draagkrachtberekening I volgt dat de man over de periode van 2 april 2012 tot 1 augustus 2012 een bedrag van € 361,- beschikbaar heeft voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen (tarieven 2012-2), ofwel afgerond € 120,- per kind per maand. Aangezien fiscaal voordeel over deze kosten over deze periode niet meer kan worden genoten is daarmee geen rekening gehouden.

38.

Uit draagkrachtberekening II volgt dat de man over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 een bedrag van € 195,- beschikbaar heeft voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen (tarieven 2012-2), ofwel € 65,- per kind per maand.

39.

Uit draagkrachtberekening III volgt dat de man over de periode van 1 maart 2013 tot 1 augustus 2013 geen draagkracht heeft voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen.

De draagkracht van de vrouw

* Het inkomen

40.

Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen gaat het hof uit van een bedrag van
€ 36.054,- (€ 35.573,51 + € 479,99) aan bruto inkomsten uit arbeid.

* De te hanteren bijstandsnorm

41.

De vrouw is in haar draagkrachtberekening van 26 september 2013 uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.

42.

Het hof is echter met de man van oordeel dat de norm voor een alleenstaande dient te worden gehanteerd bij de berekening van de draagkracht van de vrouw. Om te bepalen wat ieders deel in de kosten van de kinderen is, dient de draagkracht van beide ouders te worden berekend. Daarbij geldt als uitgangspunt bij beide ouders de bijstandsnorm voor een alleenstaande en niet voor een alleenstaande ouder.

* De woonlasten

43.

Zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen, is gebleken dat de vrouw over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 een bedrag van € 500,- per maand aan woonlasten inzake de voormalige echtelijke woning, waarin zij destijds verbleef, heeft voldaan. Derhalve zal het hof over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 uitgaan van dat bedrag aan woonlasten.

44.

Tevens is vast komen te staan dat de vrouw over de periode van
2 april 2012 tot 1 augustus 2012 en de periode van 1 maart 2013 tot 1 augustus 2013 geen woonlasten heeft voldaan inzake de voormalige echtelijke woning waarin zij verbleef. Gelet hierop zal het hof over die perioden uitgaan van de in de bijstandsnorm verdisconteerde wooncomponent van € 213,- per maand.

45.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij vanaf (naar het hof begrijpt) 8 augustus 2013 in vakantiebungalowparken verblijft en dat haar woonlasten vanaf die periode
€ 1.200,- per maand bedragen. Gezien het feit dat er daardoor in de draagkracht van de vrouw op het punt van de woonlasten per 8 augustus 2013 een wijziging heeft plaatsgevonden zal het hof hierna de draagkracht van de vrouw over de periode vanaf 1 augustus 2013 berekenen volgens de uitgangspunten van de nieuwe rekenwijze voor het berekenen van alimentatie, zoals deze gelden vanaf
1 april 2013.

* De ziektekosten

46.

Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw een bedrag van € 106,- respectievelijk € 38,- per maand verschuldigd is inzake de nominale premie basisverzekering ZVW en premie aanvullende ziektekostenverzekering. Derhalve zal het hof hiermee rekening houden over de periode vanaf 2 april 2012.

47.

Het hof zal geen rekening houden met het verplichte eigen risico, nu de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij dit daadwerkelijk heeft gerealiseerd.

48.

De man heeft ter zitting aangevoerd dat uit de door hem gemaakte proefberekening volgt dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 54,- per maand aan zorgtoeslag. Nu de vrouw deze stelling niet heeft betwist, zal het hof daarmee rekening houden over de periode vanaf 2 april 2012.

* Overige kosten

49.

Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met de door de vrouw opgevoerde kosten van de kinderen van € 600,-, nu deze bij de berekening van de draagkracht van de vrouw buiten beschouwing worden gelaten.

De draagkrachtberekening van de vrouw

50.

Hetgeen hiervoor is overwogen en de niet betwiste posten in de draagkrachtberekening van de vrouw van 26 september 2013, leiden tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

51.

[jongmeerderjarige 2] heeft op 22 maart 2013 de leeftijd van 18 jaar bereikt. Gelet hierop heeft het hof bij de beoordeling van de draagkracht van de vrouw over de periode van 2 april 2012 tot (om doelmatigheidsreden) 1 maart 2013 rekening gehouden met het kindgebonden budget voor twee kinderen en over de periode vanaf 1 maart 2013 met het kindgebonden budget voor één kind, nu de vrouw daarvoor in aanmerking komt. Ten aanzien van de periode vanaf 1 maart 2013 heeft het hof een bedrag van € 54,- per maand (ofwel € 648,- per jaar) in aanmerking genomen, nu de man ter zitting heeft aangegeven dat de vrouw hierop recht heeft en de vrouw dit niet heeft betwist.

52.

Tevens heeft het hof rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, nu de vrouw recht op deze korting heeft.

53.

Uit draagkrachtberekening I (tarieven 2012-2) volgt dat de vrouw over de periode van 2 april 2012 tot 1 augustus 2012 een bedrag van € 1.189,- per maand beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

54.

Uit draagkrachtberekening II (tarieven 2012-2) volgt dat de vrouw over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 een bedrag van € 988,- beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

55.

Uit draagkrachtberekening III (tarieven 2013-1) volgt dat de vrouw over de periode van 1 maart 2013 tot 1 augustus 2013 een bedrag van € 1.102,- beschikbaar heeft voor kinderalimentatie.

Draagkrachtvergelijking

56.

In beginsel dienen de onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht te voorzien in de kosten van de kinderen. Aan de hand van de hiervoor bepaalde draagkracht van partijen zal worden vastgesteld in welke mate door ieder van partijen in de behoefte van de kinderen behoort te worden voorzien. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, bedraagt de behoefte van de kinderen € 426,- per kind per maand. Het aandeel van partijen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen wordt berekend door de draagkracht van de betreffende ouder te delen door de totale draagkrachtruimte van partijen gezamenlijk en vervolgens te vermenigvuldigen met de behoefte van de kinderen.

57.

De totale draagkracht van partijen voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen over de periode van 2 april 2012 tot 1 augustus 2012 bedraagt
(€ 361,- + € 1.189,- =) € 1.550,- per maand. Het hof berekent het aandeel van de man in de behoefte derhalve op afgerond € 99,- per kind per maand (€ 361,- /
€ 1.550,- x € 425,- = € 99,-).

58.

Derhalve zal het hof de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1] en de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2] en [kind 3] over de periode van 2 april 2012 tot 1 augustus 2012 bepalen op € 99,- per kind per maand.

59.

De totale draagkracht van partijen voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 bedraagt
(€ 195,- + € 988,- =) € 1.183,- per maand. Aangezien de totale draagkracht lager is dan de totale behoefte van de kinderen dient elk van de ouders tot de grens van de eigen draagkracht in die behoefte bij te dragen. Daarom zal het hof de door de man over deze periode te betalen bijdrage vaststellen op € 65,- per kind per maand.

60.

Het hof zal de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1] en de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2] en [kind 3] over de periode van 1 maart 2013 tot 8 augustus 2013 op nihil bepalen, nu uit draagkrachtberekening III ten aanzien van de man blijkt dat de man over die periode geen draagkracht beschikbaar heeft voor een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen.

Ten aanzien van de kinderalimentatie per 8 augustus 2013

61.

Gezien het feit dat er in de draagkracht van de vrouw op het punt van de woonlasten per 8 augustus 2013 een wijziging heeft plaatsgevonden, zoals het hof reeds hiervoor heeft overwogen, zal het hof de draagkracht van de vrouw over de periode vanaf 8 augustus 2013 berekenen volgens de uitgangspunten van de nieuwe rekenwijze voor het berekenen van alimentatie, zoals deze gelden vanaf
1 april 2013.

62.

Ter berekening van de door de man verschuldigde bijdrage over de periode vanaf 8 augustus 2013, zal het hof allereerst het eigen aandeel in de behoefte van de kinderen opnieuw vaststellen, nu het hof bij vaststelling van de behoefte met ingang van 1 januari 2013 het kindgebonden budget beschouwt als een bijdrage in de behoefte van de kinderen. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen dient daarom te worden vermeerderd met het kindgebonden budget voor zover partijen daarop ten tijde van hun huwelijk recht hadden. Vervolgens dient de behoefte van de kinderen aan de hand van de tabel te worden bepaald. Ten slotte dient het kindgebonden budget na het uiteengaan van partijen te worden berekend en te worden afgetrokken van de behoefte van de kinderen. Wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen.

63.

Gelet op het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan van
€ 4.100,- per maand, gaat het hof ervan uit dat zij ten tijde van het verbreken van de samenleving geen aanspraak konden maken op het kindgebonden budget, zodat aansluiting kan worden gezocht bij de eerder berekende behoefte van de kinderen in 2008 van € 1.173,- per maand, geïndexeerd naar 2013, te weten € 1.296,- per maand, ofwel € 432,- per kind per maand.

64.

De man heeft ter zitting gesteld dat het kindgebonden budget waarop de vrouw - ten aanzien van [kind 3] - in 2013 aanspraak kan maken, € 54,- per maand bedraagt. Nu de vrouw deze stelling niet heeft betwist, zal het hof hiervan uitgaan. Gelet op de onder rechtsoverweging 7 genoemde uit de tabel afgeleide bedragen, bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [kind 3] - rekening houdend met het kindgebonden budget - € 378,- per maand. Nu de vrouw ten aanzien van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] geen kindgebonden budget ontvangt, zal het hof, mede gelet op de onder rechtsoverweging 7 genoemde bedragen, uitgaan van een aandeel van de ouders in hun kosten van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] van € 432,- per kind per maand.

65.

Uitgangspunt in de nieuwe richtlijn is dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige.

66.

Het bedrag aan draagkracht van partijen wordt in deze vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Daarbij houdt het hof rekening met het huidige NBI (netto besteedbaar inkomen) van partijen. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

67.

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning.

68.

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen gaat het hof uit van een inkomen van de man van € 58.542,- bruto per jaar. Uit de aan deze beschikking gehechte berekening blijkt dat de man een bedrag van € 3.349,- netto per maand genereert. Het hof heeft bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man rekening gehouden met de premies voor lijfrenten van € 540,- per jaar, de premies voor uitkering bij invaliditeit, ziekte of ongeval van € 4.851,- per jaar alsmede de algemene heffingskorting en arbeidskorting.

69.

De man heeft verzocht rekening te houden met de door hem te betalen hypotheek- en eigenaarslasten inzake de voormalige echtelijke woning. Het hof begrijpt dit verzoek als een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. In die gevallen waar sprake is van schulden, andere lasten of een lager inkomen dan € 1.250,-, kan de vaststelling van een bijdrage op basis van de tabel tot een onaanvaardbare situatie leiden voor de onderhoudsplichtige. Van een onaanvaardbare situatie is sprake indien de onderhoudsplichtige bij de vast te stellen bijdrage niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien, of van zijn inkomen na vermindering van de lasten minder dan 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm overhoudt. Het hof zal derhalve eerst de eventueel vast te stellen bijdrage berekenen zonder rekening te houden met de aanvaardbaarheidstoets.

70.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule ( 70% x (€ 3.349,- - (0,3 x € 3.349,- + € 850,-) afgerond € 1.046,- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel van € 58,- per maand, derhalve in totaal € 1.104,- per maand.

71.

Zoals het hof reeds eerder heeft overwogen gaat het hof uit van een inkomen van de vrouw van € 36.054,- bruto per jaar. Rekening houdend met de premie arbeidsongeschiktheid van € 24,- per jaar, de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de alleenstaande-ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, bedraagt haar netto inkomen € 2.391,- per maand. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.

72.

De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule ( 70% x (€ 2.391,- - (0,3 x € 2.391,- + € 850,- )) afgerond € 577,- per maand.

73.

Gelet op de nieuwe richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen komt het hof aan de beoordeling van de overige stellingen ten aanzien van de lasten van partijen, in het bijzonder de woonlasten van de vrouw en de bijzondere kosten, te weten de premies voor de spaarverzekeringen, niet toe. Ingevolge deze nieuwe richtlijn is immers bij de berekening van de draagkracht reeds forfaitair rekening gehouden met de lasten van partijen.

74.

Onderhoudsplichtigen dienen in beginsel naar rato van hun draagkracht te voorzien in de kosten van de kinderen. Aangezien de totale draagkracht van de man en de vrouw groter is dan de totale behoefte van de kinderen, zal het hof het aandeel van de vrouw in de kosten van [jongmeerderjarige 1], [jongmeerderjarige 2] en [kind 3] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking.

75.

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het aandeel van de man in de kosten van [kind 3] bedraagt derhalve (€ 1.104 / € 1.681 x € 378 = afgerond) € 248,-. Het aandeel van de man in de kosten van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] bedraagt (€ 1.104 / € 1.681 x € 432 = afgerond)
€ 284,- per kind. Het aandeel van de vrouw in de kosten van [kind 3] bedraagt
(€ 577 / € 1.681 x € 378 = afgerond) € 130,- en dat in de kosten van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] (€ 577 / € 1.681 x € 432 = afgerond) € 148,- per kind.

76.

Derhalve komt van de behoefte van [kind 3] € 248,- per maand voor rekening van de man en € 130,- per maand voor rekening van de vrouw. Van de behoefte van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] komt € 284,- per kind per maand voor rekening van de man en
€ 148,- per kind per maand voor rekening van de vrouw.

77.

Gelet op de hoogte van het inkomen van de man in combinatie met zijn lasten, zoals die blijken uit draagkrachtberekening III van de man, die aan deze beschikking is gehecht, is het hof van oordeel dat de man bij een vast te stellen bijdrage ten aanzien van [kind 3] van € 248,- per maand en ten aanzien van [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] van € 248,- per kind per maand niet meer in de noodzakelijke kosten van bestaan kan voorzien. Aangezien de man de hypothecaire lasten inzake de voormalige echtelijke woning van € 910,- per maand en de overige eigenaarslasten van € 95,- per maand voor zijn eigen rekening neemt en deze lasten voortvloeien uit het huwelijk van partijen, zal het hof deze ook in de periode vanaf 8 augustus 2013 blijven meenemen in de draagkrachtberekening, en wel in het kader van de aanvaardbaarheidstoets. Dit betekent dat het draagkrachtloos inkomen van de man in het kader van de kinderalimentatie verhoogd wordt met deze kosten van in totaal € 1.005,- (€ 910,- + € 95,-) per maand.

78.

De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule ( 70% x (€ 3.349,- - (0,3 x € 3.349,- + € 850,- + € 1.005,- (in verband met de aanvaardbaarheidstoets)) afgerond € 343,- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel van € 58,- per maand voor [kind 3], derhalve in totaal € 401,- per maand.

79.

Nu uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat al geruime tijd structureel geen omgang plaatsvindt tussen de vader en [kind 3], [kind 3] thans de leeftijd van 16 jaar heeft en naar het oordeel van het hof niet is te verwachten dat binnen afzienbare tijd omgang tussen de vader en [kind 3] zal worden hervat, zal het hof geen rekening houden met kosten ten aanzien van omgang, ofwel de zorgkorting.

80.

De totale draagkracht van partijen voor een onderhoudsbijdrage voor de kinderen bedraagt in deze periode derhalve (€ 401,- + € 577,- =) € 978,- per maand. Aangezien de totale draagkracht lager is dan de totale behoefte van de kinderen dient elk van de ouders tot de grens van de eigen draagkracht in die behoefte bij te dragen. Daarom zal het hof de door de man over deze periode te betalen bijdrage vaststellen op € 134,- per kind per maand.

Ten aanzien van zaaknummer 200.082.473

* Het verzoek van de vrouw tot verrekening van de helft van de waarde van de voormalige echtelijke woning

81.

Vast staat dat de man de voormalige echtelijke woning van partijen volledig in eigendom heeft en dat zowel de man als de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypothecaire geldleningen ten aanzien van deze woning. Tevens is gebleken dat bij verkoop van de voormalige echtelijke woning, de hypothecaire geldleningen niet volledig kunnen worden afgelost uit de verkoopopbrengst.

82.

Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de vrouw geen bedrag toekomt inzake de verrekening van de waarde van de voormalige echtelijke woning. Partijen zijn overeengekomen dat, bij verkoop van de voormalige echtelijke woning, het opgebouwde spaartegoed van de aan de hypothecaire geldleningen verbonden levensverzekering wordt uitgekeerd en in mindering wordt gebracht op de restschuld. Partijen zijn het erover eens dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze restschuld. Naar het oordeel van het hof is de hiervoor omschreven overeenkomst tussen partijen in overeenstemming met het recht. Gelet op het voorgaande zal het hof bepalen overeenkomstig hetgeen is overeengekomen. De overige grieven terzake behoeven derhalve geen bespreking meer.

* De verrekening van de waarde van [bedrijf 1]

83.

Het hof stelt voorop dat partijen niet hebben voldaan aan de overeengekomen verrekenplicht in de huwelijkse voorwaarden zodat -op grond van artikel 1:141 lid 3 BW- wordt vermoed dat hun beider vermogens op de peildatum, 28 juni 2008, zijn gevormd uit inkomsten die verrekend hadden moeten worden. Het bewijsvermoeden van dit artikel strekt zich in beginsel ook uit tot de onderneming van de man, [bedrijf 1]

84.

Bij beschikking van 8 december 2011 heeft het hof zich onvoldoende voorgelicht geacht om een beslissing te kunnen nemen ten aanzien van - onder meer - de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Bij beschikking van 5 juli 2012 heeft het hof [deskundige] als deskundige benoemd inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen en hem verzocht om - onder meer - te onderzoeken of er sprake is van te verrekenen vermogen. Op 25 maart 2013 is het deskundigenbericht gedateerd 21 maart 2013 bij het hof binnengekomen.

85.

Gebleken is dat de man directeur-grootaandeelhouder is van [bedrijf 1] Vast staat dat de man zijn werkzaamheden in eerste instantie uitoefende in de vorm van een eenmanszaak. De man is deze eenmanszaak in 1996 - tijdens het huwelijk van partijen - gestart, handelend onder de naam [bedrijf 4]. Met ingang van 1 april 1998 heeft de man zijn activiteiten voortgezet in [bedrijf 3] Op 13 maart 2000 zijn met terugwerkende kracht naar 1 januari 2000 [bedrijf 3] en [bedrijf 4] opgericht. De activiteiten van [bedrijf 3] zijn voortgezet in deze B.V.'s. Ook zijn op 13 maart 2000 [bedrijf 2] en [bedrijf 1] opgericht. Op 25 maart 2002 is [bedrijf 5] opgericht en op 30 november 2008 is deze B.V. ontbonden. [bedrijf 2] heeft een deelneming van
100 % in [bedrijf 3] en[bedrijf 4]. Ook heeft [bedrijf 2] een deelneming van 100% in [bedrijf 5] gehad. [bedrijf 1] heeft een deelneming van 50 % in [bedrijf 2]

86.

De deskundige heeft in zijn deskundigenrapport van 21 maart 2013 geconcludeerd dat de aandelen van [bedrijf 1] zijn verkregen met verrekenbaar overgespaard inkomen en dat de waarde van de aandelen in [bedrijf 1] derhalve tot het te verrekenen vermogen behoren. De volgende redenering van de deskundige ligt ten grondslag aan zijn conclusie.

87.

Volgens de deskundige is onbekend of, en zo ja met hoeveel kapitaal de eenmanszaak en [bedrijf 3] zijn gestart en hoe de financiering van beide ondernemingen heeft plaatsgevonden. De deskundige heeft aangegeven dat uit de jaarrekening van 1999 volgt dat het eigen vermogen per
31 december 1999 van [bedrijf 3] f 402.829,- bedroeg en dat het aandeel van de man hierin f 225.012,- bedroeg. Dit aandeel bestaat uit het aandeel van de man in de resultaten over 1998 en 1999 van f 504.283,- minus privéopnamen van per saldo f 279.271,-.

De deskundige heeft te kennen gegeven dat de storting op het aandelenkapitaal van f 150.000,- van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] heeft plaatsgevonden door inbreng van activa en passiva van [bedrijf 3], waaronder een post goodwill van f 1.136.000,-.

De storting op de aandelen van [bedrijf 2] heeft volgens de deskundige plaatsgevonden door inbreng van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] De storting op de aandelen van [bedrijf 1] heeft vervolgens mede plaatsgevonden door inbreng van het aandeel van 50 % in [bedrijf 2]

Op grond van het voorgaande heeft de deskundige geconcludeerd dat de gehele vennootschapsstructuur is ontstaan uit inbreng van alle activa en passiva van de [bedrijf 3]. Aangezien volgens de deskundige op grond van artikel 8 jo. 5 van de huwelijkse voorwaarden van partijen het aandeel van de man in het kapitaal van de vennootschap onder firma [bedrijf 3] is te beschouwen als overgespaard inkomen, is zijn conclusie dat financiering van de oprichting van [bedrijf 1] uit overgespaard inkomen heeft plaatsgevonden.

88.

De man stelt zich op het standpunt dat de deskundige ten onrechte heeft geconcludeerd dat de oprichting van de ondernemingen is gefinancierd met verrekenbaar, overgespaard inkomen. Volgens de man heeft de deskundige ten onrechte gesteld dat de kapitaalopbouw in de eenmanszaak en nadien in [bedrijf 3], te verrekenen inkomen betreft. De man stelt zich op het standpunt dat de eenmanszaak is beëindigd en dat de daarmee vrijgekomen gelden ten goede zijn gekomen aan de huishouding van partijen. Voor de oprichting van [bedrijf 3] is geen te verrekenen inkomen of vermogen aangewend. Volgens de man blijkt uit de vennootschapsakte en de openingsbalans van de jaarrekening van 1998 van de [bedrijf 3] dat enkel arbeid, kennis en vlijt is ingebracht.

89.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling. Wat er verder ook zij van de door de man aan de deskundige overgelegde openingsbalans van de jaarrekening van 1998 van [bedrijf 3], uit de stukken, waaronder de akte van inbreng van 13 maart 2000 inzake [bedrijf 1], is gebleken dat de door de man verkregen aandelen zijn volgestort door inbreng in [bedrijf 1] van zijn gehele aandeel in de door hem voor rekening van [bedrijf 3] gedreven onderneming. Nu het aandeel van de man in [bedrijf 3] is ingebracht in [bedrijf 1], is het hof van oordeel dat [bedrijf 1] is gefinancierd met overgespaarde inkomsten, aangezien die zich op het moment van inbrengen in [bedrijf 3] bevonden. Tot dit oordeel draagt ook bij het oordeel van het hof in de volgende rechtsoverweging.

90.

De man heeft tevens aangevoerd dat de deskundige door te concluderen dat het aandeel van de man in het kapitaal van [bedrijf 3] is te beschouwen als overgespaard inkomen, vermogen in de onderneming gelijk heeft gesteld aan overgespaard, te verrekenen inkomen. Volgens de man had dit vermogen echter niet aan de onderneming kunnen worden onttrokken. Het hof gaat voorbij aan deze stelling van de man, nu de deskundige daarop heeft aangegeven dat het aandeel van de man in het kapitaal van [bedrijf 3] in 1999 f 225.012,- bedroeg en dat dit bestond uit de resultaten over 1998 en 1999 van f 504.283,- minus privéopnamen van per saldo f 279.271,-. Bovendien heeft de deskundige in dat verband te kennen gegeven dat de omstandigheid dat er naast deze privéopnamen in privé meer uitgaven plaatsvonden die op een andere wijze werden gefinancierd, niet wegneemt dat het opgebouwde kapitaal, in de eenmanszaak en later in [bedrijf 3], dat vervolgens is ingebracht bij de oprichting van [bedrijf 1], is ontstaan uit en is te beschouwen als een onderdeel van het te verrekenen overgespaard inkomen. Naar het oordeel van het hof heeft de man tegenover deze conclusie van de deskundige onvoldoende ingebracht om tot een ander oordeel te kunnen komen.

91.

Voorts heeft de man aangevoerd dat het vermogen dat voor de oprichting van de B.V.'s is gebruikt, voor het merendeel uit goodwill bestond. Goodwill is volgens de man geen overgespaard, te verrekenen inkomen, maar een berekening van gekapitaliseerde veronderstelde toekomstige overwinst. Hoewel het juist is dat goodwill niet als overgespaard inkomen valt aan te merken, volgt het hof de man niet in zijn stelling, nu gebleken is dat er niet alleen goodwill maar ook kapitaal is opgebouwd in (in ieder geval) [bedrijf 3] Met de deskundige is het hof van oordeel dat deze omstandigheid bepalend is bij de vraag of er sprake is van te verrekenen, overgespaard inkomen.

92.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de waarde van de onderneming [bedrijf 1] in de verrekening moet worden betrokken, zodat deze waarde per peildatum, te weten 28 juni 2008, dient te worden vastgesteld. Het hof acht het redelijk om de waarde van deze onderneming te bepalen door uit te gaan van het gemiddelde van de waarde per 1 januari 2008 en de waarde per 1 januari 2009, nu de gegevens per die datum voorhanden zijn en het onevenredig veel geld en werk zou kosten om een waardebepaling per 28 juni 2008 te laten plaatsvinden.

93.

Gelet hierop zal het hof de deskundige verzoeken om de vragen 6, 7 en 8 zoals vermeld in het deskundigenrapport van 21 maart 2013 te beantwoorden, met dien verstande dat vraag 6 aldus komt te luiden:

Hoe groot is het te verrekenen vermogen? Daarbij dient de waarde van [bedrijf 1] per 28 juni 2008 te worden berekend.

94.

Vraag 7 luidt als volgt:

Welk bedrag kan de man redelijkerwijze financieren om de vrouw uit te kopen, zodanig dat nog een rendabele bedrijfsvoering mogelijk blijft waaruit de man een inkomen op minimumniveau kan genereren?

95.

Weliswaar heeft de vrouw ter zitting gesteld dat de jurisprudentie ten aanzien van de verdeling van een onderneming, waarbij de ene partij niet meer krijgt dan hetgeen de andere partij met behulp van het bedrijfsvermogen kan financieren zonder het bedrijf buiten staat te stellen een eventuele matige tegenslag in de naaste toekomst te overleven, niet van toepassing is in het onderhavige geval, onder meer aangezien er sprake is van een B.V. en niet van een eenmanszaak, maar het hof volgt haar daarin niet. Volgens vaste jurisprudentie (Visserij-arrest, Hoge Raad 2 maart 2001, LJN: AB0382) is deze vraag aan de orde bij de verrekening van de waarde van aandelen van een onderneming, in het kader van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding.

96.

Vraag 8 luidt als volgt:

Heeft de deskundige nog iets op te merken wat voor de bepaling van de hoogte van de waarde van de onderneming van de man [bedrijf 1] van belang kan zijn?

97.

Aangezien partijen reeds de gelegenheid hebben gehad om op de hierboven geformuleerde vragen te reageren, zal het hof de deskundige verzoeken deze te beantwoorden zonder eerst partijen nader te laten reageren. Partijen kunnen reageren op de beantwoording van de vragen door de deskundige.

* De verdeling van het pensioen in de vorm van een lijfrente van de man

98.

De vrouw heeft aangevoerd dat de man tijdens het huwelijk lijfrente heeft opgebouwd. Zij is van mening dat zij recht heeft op de helft van deze lijfrente-uitkering bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

99.

Uit artikel 13, lid 1 en 2 van de huwelijkse voorwaarden van partijen volgt dat partijen met betrekking tot aanspraken op pensioen en hetgeen daarvoor is opgeofferd onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op grondslag van de opbouw van die aanspraken gedurende het bestaan van het huwelijk en indien partijen daaromtrent niet tot overeenstemming komen, voor beide echtgenoten bindend advies gegeven zal worden door een verzekeringsdeskundige en een notaris, die op verzoek van de eerstgerede der echtgenoten worden benoemd door de kantonrechter, tot wiens ressort de woonplaats van de verzoeker behoort. Weliswaar is het bepaalde in artikel 13, lid 1 en 2 niet van toepassing in enkele, in artikel 13, lid 3 en 4 van de huwelijkse voorwaarden genoemde gevallen, maar daaronder valt niet de pensioenopbouw middels een lijfrente. Nu partijen zijn overeengekomen dat ten aanzien van gevallen als het onderhavige bindend advies zal worden gegeven, zal het hof het verzoek van de vrouw afwijzen.

* Ten aanzien van het verzoek van de man tot betaling van € 24.894,52 alsmede het verzoek van de man tot betaling van de door hem over de jaren 2008 tot en met 2013 betaalde kosten ten behoeve van de vrouw en de kinderen

100. De man heeft in zijn brief van 24 september 2013 gesteld dat de vrouw een bedrag van € 24.894,52 aan de man dient te betalen in verband met de door hem gemaakte kosten en de onderliggende facturen inzake de ontruiming van de voormalige echtelijke woning. Volgens de man heeft de vrouw zich jegens hem onrechtmatig gedragen door de woning niet conform de rechterlijke beslissingen te verlaten en te ontruimen en heeft zij wanprestatie gepleegd doordat zij de overeenkomst van 3 juli 2013 niet is nagekomen. De man is van mening dat het bedrag van € 24.894,52 in de totale afrekening ter zake de huwelijkse voorwaarden en de woning dient te worden meegenomen.

101. Tevens heeft de man verzocht de door de man ten behoeve van de vrouw en de kinderen over de jaren 2008 tot en met 2013 betaalde kosten in de verrekening inzake de huwelijkse voorwaarden te betrekken.

102. De vrouw heeft aangevoerd dat de onderhavige procedure zich niet leent voor de hierboven genoemde verzoeken van de man. Tevens heeft zij gesteld dat de man zijn verzoek in een te laat stadium in de procedure heeft gedaan.

103. Het hof beschouwt de nieuwe verzoeken als een nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1 onder b dan wel onder f Rv. De Hoge Raad heeft meermalen beslist dat een dergelijke nevenvoorziening voor het eerst in hoger beroep mag worden verzocht: HR 7 april 2000, NJ 2000, 377 en HR 23 februari 2001, NJ 2001, 237. Hoewel de man zijn verzoek tot betaling van een bedrag van
€ 24.894,52 eerst bij brief van 24 september 2013 heeft gedaan, is het hof van oordeel dat hij kan worden ontvangen in zijn verzoek, nu de door de man gestelde kosten voortvloeien uit de ontruiming van de voormalige echtelijke woning die recent heeft plaatsgevonden en het voor hem derhalve niet mogelijk was deze kosten eerder in de procedure te betrekken. Het verzoek van de man tot betaling van de door hem over de jaren 2008 tot en met 2013 betaalde kosten is voor het eerst gedaan bij akte van uitlating van 25 april 2013. De man heeft dit verzoek ter zitting aangepast. Het hof is van oordeel dat de man ook in dit verzoek kan worden ontvangen, nu de vrouw niet onredelijk is bemoeilijkt in het voeren van verweer - de vrouw was immers reeds in april 2013 op de hoogte van zijn verzoek - en zijn verzoek evenmin anderszins is strijd is met de goede procesorde.

104. Ten aanzien van het verzoek van de man tot betaling van € 24.894,52 overweegt het hof het volgende. Weliswaar heeft de vrouw de hoogte van de door de man aangegeven kosten betwist, maar zij heeft op zichzelf niet betwist dat de man kosten heeft gemaakt in verband met de ontruiming van de voormalige echtelijke woning. De man heeft zijn kosten onderbouwd met een aantal facturen c.q. betalingsbewijzen. Hieruit blijkt dat hij in totaal een bedrag van € 3.566,54 aan kosten heeft gemaakt inzake de ontruiming van de voormalige echtelijke woning. Derhalve zal het hof dit bedrag in ieder geval meenemen bij de eindafrekening van de huwelijkse voorwaarden.

105. Nu het verzoek van de man tot betaling van de door hem gemaakte kosten onlosmakelijk is verbonden met de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de door de man gestelde kosten van € 24.894,52 voortvloeien uit de ontruiming van de voormalige echtelijke woning die recent heeft plaatsgevonden, acht het hof het redelijk de man de gelegenheid te geven om de overige facturen c.q. betalingsbewijzen over te leggen. Het hof zal vervolgens de vrouw in de gelegenheid stellen daarop te reageren.

106. Het hof overweegt als volgt ten aanzien van het verzoek van de man om de door de man ten behoeve van de vrouw en de kinderen over de jaren 2008 tot en met 2013 betaalde kosten in de verrekening inzake de huwelijkse voorwaarden te betrekken.

107. Ten aanzien van het jaar 2008 zal het hof een bedrag van € 7.313,23 in aanmerking nemen, bestaande uit € 5.460,- (6 x € 910,- per maand) inzake de hypotheeklasten, € 136,26 (1/2 x 12 x € 22,71 per maand) inzake de woonverzekering bij Aegon, € 708,- (6 x € 118,- per maand) inzake Essent,
€ 34,50,- (1/2 (de helft van het jaar) x (€ 138,01 - € 69,01)) inzake de afvalstoffenheffing [gemeente], € 15,44 (1/2 (de helft van het jaar) x
€ 30,88)) inzake de afvalstoffenheffing [gemeente], € 88,- inzake Homesafety, € 47,90 (de helft van € 95,80) inzake de tandartskosten van [jongmeerderjarige 1],
€ 9,55 (de helft van € 19,10) inzake de tandartskosten van [kind 3], € 813,58 inzake de auto.

108. Voor wat betreft het jaar 2009 zal het hof rekening houden met een bedrag van
€ 18.557,94, bestaande uit € 10.920,- (12 x € 910,- per maand) inzake de hypotheeklasten, € 136,26 (1/2 x 12 x € 22,71 per maand) inzake de woonverzekering bij Aegon, € 4.404,- (12 x € 367,- per maand) inzake Essent,
€ 421,68 (6 x € 70,28 per twee maanden) inzake Waterbedrijf Groningen,
€ 1.632,- (12 x € 136,- per maand) inzake de premie spaarverzekering, € 1.044,- (12 x € 87,-) inzake de premie levensverzekering.

109. Ten aanzien van het jaar 2010 neemt het hof een bedrag van € 14.693,18 in aanmerking, bestaande uit € 7.280,- (8 (i.v.m. achterstand) x € 910,- per maand) inzake de hypotheeklasten, € 80,- inzake de huur van een safeloket, € 136,26 (1/2 x 12 x € 22,71 per maand) inzake de woonverzekering bij Aegon, € 4.332,- (12 x € 361,- ) inzake Essent, € 188,92 (4 x € 47,23 per drie maanden) inzake Waterbedrijf Groningen, € 1.632,- (12 x € 136,- per maand) inzake de premie spaarverzekering, € 1.044,- (12 x € 87,-) inzake de premie levensverzekering.

110. Voor wat betreft het jaar 2011 zal het hof rekening houden met een bedrag van
€ 16.083,18, bestaande uit € 10.920,- (12 x € 910,- per maand) inzake de hypotheeklasten, € 136,26 (1/2 x 12 x € 22,71 per maand) inzake de woonverzekering bij Aegon, € 2.166,- (6 x € 361,- ) inzake Essent, € 184,92 (4 x
€ 46,23 per drie maanden) inzake Waterbedrijf Groningen, € 1.632,- (12 x € 136,- per maand) inzake de premie spaarverzekering, € 1.044,- (12 x € 87,-) inzake de premie levensverzekering.

111. Ten aanzien van het jaar 2012 neemt het hof een bedrag van € 3.535,26 in aanmerking, bestaande uit € 2.730,- (3 x € 910,-) inzake de hypotheeklasten,
€ 136,26 (1/2 x 12 x € 22,71 per maand) inzake de woonverzekering bij Aegon,
€ 408,- (3 x € 136,- per maand) inzake de premie spaarverzekering, € 261,- (3 x
€ 87,-) inzake de premie levensverzekering.

112. Voor wat betreft het jaar 2013 zal het hof rekening houden met een bedrag van
€ 79,49 (1/2 x 7 maanden (tot de ontruiming van de woning) x € 22,71 per maand) inzake de woonverzekering bij Aegon.

113. Aangezien de man ter onderbouwing van de bovengenoemde kosten facturen c.q. de polis heeft overgelegd, acht het hof de enkele betwisting door de vrouw van deze kosten onvoldoende. Ten aanzien van de hypotheeklasten is niet in geschil dat deze € 910,- per maand bedragen. Nu de man heeft gesteld dat hij deze lasten vanaf de tweede helft van 2008 heeft voldaan en de vrouw sinds het uiteengaan van partijen in de voormalige echtelijke woning verbleef, die eigendom is van de man, acht het hof de enkele betwisting door de vrouw onvoldoende. Het hof heeft tevens rekening gehouden met de premies inzake de spaarverzekeringen van de kinderen van € 136,- per kwartaal over 2009, 2010, 2011 en 1 januari 2012 tot 2 april 2012, nu het hof bij de berekening van de alimentatie de premie inzake deze spaarverzekeringen in aanmerking heeft genomen en de man heeft gesteld dat de spaarverzekering is ontstaan tijdens het huwelijk. Gelet hierop acht het hof de enkele betwisting door de vrouw onvoldoende om hiermee geen rekening te houden.

De man heeft gesteld dat tevens rekening dient te worden gehouden met de premie ten aanzien van levensverzekeringen van € 272,- per kwartaal. Het hof begrijpt dat de man hiermee de premie levensverzekering bedoelt die is meegenomen bij de berekening van de alimentatie. Nu hiermee met ingang van
2 april 2012 voor een bedrag van € 87,- per maand is rekening gehouden bij de alimentatie, zal het hof over de jaren 2008 tot en met 2011 en over de periode van 1 januari 2012 tot 2 april 2012 deze in aanmerking nemen bij de verrekening.

Ten aanzien van de woonverzekering is het hof van oordeel dat slechts de premie inzake de verzekering tegen schade anders dan aan het woonhuis zelf voor verrekening in aanmerking komt, nu de man de woning in eigendom heeft en de verzekering op dat punt voor zijn rekening komt. Derhalve houdt het hof rekening met een bedrag van € 11,36 (1/2 x (€ 62,91 - € 40,20,-)) per maand aan kosten inzake deze verzekering.

Het hof acht het redelijk ten aanzien van de tandartskosten van [jongmeerderjarige 1] en [kind 3] over 2008 de helft van deze kosten in aanmerking te nemen.

114. Ten aanzien van de overige door de man over 2008 tot en met 2013 gestelde gemaakte kosten, is het hof van oordeel dat de man zijn kosten onvoldoende heeft onderbouwd. De door hem overgelegde overzichten acht het hof, gelet op de betwisting door de vrouw, daartoe onvoldoende.

Het hof houdt geen rekening met de factuur van € 29,75 inzake de reparatie van de cv, nu de voormalige echtelijke woning eigendom is van de man en deze reparatie derhalve voor zijn rekening komt. De door de man overgelegde factuur inzake de verzekeringspremie Ohra (2008) neemt het hof niet in aanmerking, aangezien daaruit niet blijkt op wie de verzekering betrekking heeft. Met de factuur van Léville (2008) houdt het hof geen rekening, nu daaruit niet blijkt waarop deze betrekking heeft.

Het hof neemt de eigenaarslasten ten aanzien van de voormalige echtelijke woning en de waterschapslasten over de periode 2008 tot en met 2013 niet in aanmerking, nu de man deze woning volledig in eigendom heeft en deze lasten derhalve voor zijn rekening komen. Voor het overige is het hof van oordeel dat de man de door hem gestelde kosten onvoldoende heeft onderbouwd. De door hem overgelegde overzichten acht het hof gelet op de betwisting door de vrouw, daartoe onvoldoende.

Over de periode vanaf 2 april 2012 heeft het hof de hypotheeklasten niet in de verrekening betrokken, nu deze reeds in de beoordeling zijn betrokken ten aanzien van de alimentatie ten behoeve van de kinderen. Voor zover de man heeft gesteld dat hij in 2011 de achterstanden in de betaling van de hypotheeklasten over 2010 heeft ingelost, is het hof van oordeel dat daarvan niet, althans onvoldoende is gebleken. Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat er sprake is van een achterstand in de betaling van de hypotheeklasten van 8 maanden. Het hof heeft met een betalingsachterstand van 4 maanden reeds rekening gehouden in het kader van de alimentatie. De achterstand van de overige 4 maanden heeft het hof hiervoor bij de verrekening van de hypotheeklasten over 2010 in aanmerking genomen.

115. Gelet op het voorgaande dient de vrouw naar het oordeel van het hof een bedrag van € 60.262,28 (€ 7.313,23 + € 18.557,94 + € 14.693,18 + € 16.083,18 +
€ 3.535,26 + € 79,49) aan de man te voldoen in verband met de door de man over 2008 tot en met 2013 betaalde kosten. Het hof zal bij eindbeschikking aldus beslissen.

* Overig

116. De man heeft ter zitting gesteld dat de vrouw een bedrag van € 13.479,72 aan hem dient te voldoen in verband met de door de vrouw in 2008 en 2009 ten onrechte van de salarisrekening van de man opgenomen gelden. Tevens heeft de man ter zitting nog aangevoerd dat de rekening-courant per 31 december 2007
€ 51.434,- bedroeg en per 31 december 2008 € 39.214,- en dat deze dient te worden verrekend. Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen hierop te reageren.

Slotsom

117. Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

in de zaak met nummer 200.082.327:

wijst af het verzoek van de vrouw inzake het voortgezet gebruik van de echtelijke woning;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1], geboren [in 1993], en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2], geboren [in 1995] en [kind 3], geboren op
[in 1997], over de periode van 2 april 2012 tot 1 augustus 2012 op € 99,- per kind per maand;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1], geboren [in 1993], en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2], geboren [in 1995] en [kind 3], geboren op
[in 1997], over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 maart 2013 op € 65,- per kind per maand;

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1], geboren [in 1993], en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige 2], geboren [in 1995] en [kind 3], geboren op
[in 1997], over de periode van 1 maart 2013 tot 8 augustus 2013 op nihil;

bepaalt de door de man te betalen bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige 1], geboren [in 1993], en [jongmeerderjarige 2], geboren [in 1995], en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 3], geboren op
[in 1997], voor wat betreft de periode vanaf 8 augustus 2013 op € 134,- per kind per maand;

bepaalt dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw c.q. [jongmeerderjarige 1] c.q. [jongmeerderjarige 2] dienen te worden voldaan;

wijst af het meer of anders in deze zaak verzochte;

en in de zaak met nummer 200.082.473

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de in de onderhavige zaak benoemde deskundige, te weten [deskundige], werkzaam bij [deskundigenbureau],

[deskundige] over te gaan tot beantwoording van de volgende vragen:

- vraag 6: Hoe groot is het te verrekenen vermogen? Daarbij dient de waarde van [bedrijf 1] per 28 juni 2008 te worden berekend.

- vraag 7: Welk bedrag kan de man redelijkerwijze financieren om de vrouw uit te kopen, zodanig dat nog een rendabele bedrijfsvoering mogelijk blijft waaruit de man een inkomen op minimumniveau kan genereren?

- vraag 8: Heeft de deskundige nog iets op te merken wat voor de bepaling van de hoogte van de waarde van de onderneming van de man [bedrijf 1] van belang kan zijn?

stelt elk van partijen in de gelegenheid binnen vier weken na ontvangst van het deskundigenrapport door de griffie, daarop schriftelijk te reageren;

stelt elk van partijen in de gelegenheid binnen vier weken na indiening van de betreffende stukken door de andere partij daarop schriftelijk te reageren;

stelt de man in de gelegenheid uiterlijk op 14 januari 2014 de overige betalingsbewijzen ten aanzien van zijn verzoek tot betaling door de vrouw van
€ 24.894,52 inzake gemaakte kosten die samenhangen met de ontruiming van de voormalige echtelijke woning aan het hof te verstrekken;

stelt de vrouw in de gelegenheid daarop uiterlijk drie weken na ontvangst van de stukken te reageren;

stelt de vrouw in de gelegenheid uiterlijk op 14 januari 2014 te reageren op de stelling van de man dat de vrouw een bedrag van € 13.479,72 aan de man dient te voldoen in verband met de door de vrouw in 2008 en 2009 ten onrechte van de salarisrekening van de man opgenomen gelden;

stelt de vrouw in de gelegenheid uiterlijk op 14 januari 2014 te reageren op de stelling van de man dat de rekening-courant per 31 december 2007 € 51.434,- bedroeg en per 31 december 2008 € 39.214,- en dat deze dient te worden verrekend;

bepaalt dat het hof na ontvangst van bovenstaande berichten en reacties de zaak zonder nadere behandeling ter terechtzitting zal afdoen, tenzij het hof op verzoek van partijen, dan wel ambtshalve anders beslist;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. R. Feunekes en
mr. H.J. de Ruijter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 december 2013 in bijzijn van de griffier.