Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9647

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
200.122.646-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft in de onderhavige procedure een vordering tot schadevergoeding te betalen door geïntimeerde ingesteld. Hij had reeds eerder op dezelfde grondslag een vordering als benadeelde partij ingesteld in de strafprocedure van geïntimeerde. De politierechter had een deel van deze vordering toegewezen en appellant voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Het hof oordeelt dat indien en voor zover de vordering van appellant door de strafrechter bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak reeds is toe- of afgewezen, hij in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering in de civiele procedure. De uitspraak van de strafrechter is na het wijzen van het vonnis waarvan beroep onherroepelijk geworden. Appellant kon derhalve ten tijde van de procedure in eerste aanleg in zijn vordering worden ontvangen, maar wordt thans door het hof alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover deze in de strafprocedure reeds (onherroepelijk) is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.122.646/01

(zaaknummer rechtbank Assen 74539 / HA ZA 09-574)

arrest van de eerste kamer van 17 december 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.S. Slinkman, kantoorhoudend te Appingedam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.G. Doornbos, kantoorhoudend te Assen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 7 mei 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. In verband met ziekte van [appellant] heeft deze comparitie na aanbrengen geen doorgang gevonden en hebben partijen er voor gekozen om verder te procederen in hoger beroep.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. In het procesdossier van [appellant] ontbreken de antwoordakte van [appellant] d.d. 1 december 2010 met productie, het arrest van de strafkamer van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 9 februari 2012, de akte uitlating van [geïntimeerde] d.d. 8 februari 2012 met productie, de nadere akte uitlaten van [geïntimeerde] d.d. 4 april 2012 en de producties gevoegd bij de akte uitlating/producties van [geïntimeerde] d.d. 15 augustus 2012. Het hof heeft voor deze stukken geput uit het procesdossier van [geïntimeerde].
In het procesdossier van [geïntimeerde] ontbreken de brief van [appellant] aan de rechtbank Assen d.d. 24 maart 2010 en de betekening d.d. 10 december 2012 van het vonnis waarvan beroep aan [appellant]. Het hof heeft voor die stukken geput uit het procesdossier van [appellant].

1.4

De vordering van [appellant] luidt:

"(…) te vernietigen het vonnis (…) d.d. 21 november 2012 door de kantonrechter van de rechtbank Assen uitgesproken tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde en opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering van gronden, de vordering van [geïntimeerde] niet ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

2 De feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

[geïntimeerde] (voorheen bekend onder de naam [X]) heeft op 24 maart 2008 aangifte gedaan van poging tot doodslag.

2.3

De officier van justitie heeft [appellant] gedagvaard voor de politierechter en hem - voor zover in deze procedure van belang - onder andere ten laste gelegd dat [appellant] aan [geïntimeerde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel dan wel pijn en/of letsel heeft toegebracht.

2.4

[geïntimeerde] heeft zich in het daaropvolgende strafproces gevoegd als benadeelde partij in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en heeft schadevergoeding ter hoogte van € 7.093,68 van [appellant] gevorderd, bestaande uit € 4.843,68 aan materiële schade en € 2.250,- aan immateriële schade.

2.5

Bij vonnis van de politierechter van 17 november 2008 is [appellant] veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De politierechter heeft voorts de vordering tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 5.843,68, bestaande uit € 4.843,68 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, en heeft [geïntimeerde] voor het overige in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2.6

[appellant] heeft van het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld. [geïntimeerde] heeft zich in dat hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

2.7

Bij inleidende dagvaarding van 23 juli 2009 heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard voor de civiele rechter en heeft hij een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van [appellant] om uit hoofde van materiële en immateriële schadevergoeding aan hem te betalen een bedrag van € 7.272,38, bestaande uit € 5.022,38 ter zake van materiële schade en € 2.250,- ter zake van immateriële schade.

2.8

Bij arrest van de strafkamer van het gerechtshof Leeuwarden van 9 februari 2012 is [appellant] - kort gezegd - wegens onder meer het plegen van een poging tot zware mishandeling van [geïntimeerde] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een werkstraf van 150 uren. Voorts heeft het hof bij dat arrest de vordering tot schadevergoeding van [geïntimeerde] toegewezen tot een bedrag van € 5.843,68, bestaande uit € 4.843,68 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade. [geïntimeerde] is in zijn vordering ter zake van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

2.9

[appellant] heeft tegen het arrest van 9 februari 2012 beroep in cassatie ingesteld.

2.10

Bij het bestreden vonnis van 21 november 2012 heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 5.854,68, bestaande uit € 4.854,68 aan materiële en € 1.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2009. Voorts heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Het verschil van € 11,- met het in de strafzaak toegewezen bedrag betreft de post "uittreksel GBA". Deze schadepost was in de strafzaak niet aangevoerd.

2.11

Partijen hebben aangegeven dat [appellant] bij arrest van de Hoge Raad van 27 november 2012 niet-ontvankelijk is verklaard in zijn cassatieberoep.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven opgeworpen. De grieven, die in de kern ten betoge strekken dat [geïntimeerde] in zijn civiele vordering niet-ontvankelijk had dienen te worden verklaard, dan wel dat zijn vordering afgewezen had dienen te worden nu [appellant] in de strafprocedure reeds was veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan [geïntimeerde], lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2

Het hof stelt voorop dat vast staat dat de vordering van [geïntimeerde] in de onderhavige procedure op dezelfde grondslag is ingesteld als zijn vordering in de strafprocedure, waarop de politierechter reeds op 17 november 2008 deels in toewijzende zin heeft beslist.
Gelet op het bepaalde in artikel 361 lid 3 Sv, kon [geïntimeerde] het gedeelte van zijn vordering waarin hij in de strafprocedure niet-ontvankelijk was verklaard, bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het stond de rechtbank in de onderhavige procedure derhalve in ieder geval vrij op dit gedeelte van de vordering van [geïntimeerde] inhoudelijk te beslissen. [geïntimeerde] heeft evenwel zijn gehele vordering, en derhalve ook het gedeelte dat door de politierechter reeds was toegewezen, aan de burgerlijke rechter voorgelegd.

3.3

De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 september 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV2654) bepaald dat uit het stelsel van de wet en de ontstaansgeschiedenis van de betrokken regeling, voortvloeit dat aan een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de strafrechter, voor zover daarin de vordering van de benadeelde partij is toe- of afgewezen, gezag van gewijsde toekomt op de voet van artikel 236 lid 1 Rv.
Zulks heeft tot gevolg dat indien en voor zover de vordering van [geïntimeerde] door de strafrechter bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak reeds is toe- of afgewezen, [geïntimeerde] in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering in de onderhavige procedure.

3.4

Ten tijde van het instellen van zijn inleidende dagvaarding op 23 juni 2009 in de onderhavige procedure, was van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de strafrechter echter nog geen sprake. [appellant] had tegen dit vonnis immers hoger beroep, en vervolgens beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft - zo hebben partijen aangegeven - [appellant] op 27 november 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep, zodat de veroordeling van [appellant] tot betaling van de schadevergoeding aan [geïntimeerde] eerst op dat moment gezag van gewijsde heeft gekregen. Nu het vonnis waarvan beroep dateert van 21 november 2012, en de veroordeling van [appellant] in de procedure in eerste aanleg derhalve nog niet onherroepelijk was geworden, kon [geïntimeerde] in eerste aanleg worden ontvangen in zijn gehele vordering.
Gelet op het feit dat de veroordeling van [appellant] in de strafzaak evenwel op 27 november 2012 gezag van gewijsde heeft gekregen, dient het hof, gezien het in rechtsoverweging 3.3. overwogene, [geïntimeerde] thans echter alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering in de onderhavige procedure voor zover deze in de strafprocedure reeds (onherroepelijk) is toegewezen. Dit betekent dat [geïntimeerde] niet kan worden ontvangen in zijn vordering ter zake van de materiële schade ad € 4.843,68 en ter zake van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,-.
De afwijzing door de rechtbank van de vordering tot het overige bedrag aan immateriële schade ad € 1.250,- staat in hoger beroep niet ter discussie zodat de vordering van [geïntimeerde] op dit punt geen nadere bespreking behoeft.

3.5

Gelet op het vorenoverwogene slagen de grieven 1 en 2 grotendeels. Ze slagen niet voor het in rechtsoverweging 2.10 vermelde bedrag van € 11,- betreffende de post "uittreksel GBA". In dit verband overweegt het hof dat [appellant] geen afzonderlijke bezwaren tegen toewijzing van deze post heeft aangevoerd.


De slotsom

3.6

Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 5.854,68, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2009 tot de dag van volledige betaling.
Het bestreden vonnis dient voor het overige - derhalve voor wat betreft genoemd bedrag van € 11,-, de proceskostenveroordeling en de afwijzing van het meer of anders gevorderde - te worden bekrachtigd. Ten aanzien van de proceskostenveroordeling overweegt het hof dat [geïntimeerde] bij het aanhangig maken van de procedure in eerste aanleg en gedurende die procedure nog ontvankelijk was in zijn vordering.

3.7

Het hof zal [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn oorspronkelijke vordering voor zover deze betrekking heeft op de reeds door de strafrechter toegewezen bedragen van € 4.843,68 ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade.

3.8

In de aard van het geschil in hoger beroep vindt het hof aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten in hoger beroep draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om aan [geïntimeerde] uit hoofde van schadevergoeding te betalen een bedrag van meer dan € 11,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2009 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk in zijn oorspronkelijke vordering voor zover deze betrekking heeft op de door de strafrechter toegewezen bedragen van € 4.843,68 ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 december 2013.