Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9640

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
200.114.849-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring. Vraag of onjuiste adressering van stuitingsbrief cf art. 3:37 derde lid BW voor risico van geadresseerde is. Hof: onjuiste adressering gelet op tijdverloop en afgewikkelde bank-cliëntrelatie niet voor rekening cliënt. Tussentijds faillissement in casu niet van invloed op termijn. Vordering verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.114.849/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 372237\ CV EXPL 11-8415)

arrest van de eerste kamer van 17 december 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. K.E. Wielenga, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

De Coöperatieve Rabobank De Stellingwerven U.A.,

gevestigd te Oosterwolde,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Rabobank,

advocaat: mr. E.H. de Vries, kantoorhoudend te Wolvega.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 6 april 2012 en 10 augustus 2012 van de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 oktober 2012,

- de memorie van grieven d.d. 27 november 2012 (met producties),

- de memorie van antwoord d.d. 5 maart 2013,

- een akte van [appellant] d.d. 2 april 2013.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

(…) bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk toegestaan:

1. Te vernietigen de vonnissen van de Kantonrechter te Leeuwarden d.d. 6 april 2012 en 10 augustus 2012 en opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen,

2. Geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten in eerste instantie en in appèl.

3 De vaststaande feiten

3.1

In dit hoger beroep kan, als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken, van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

3.2

Partijen hebben op 26 augustus 1998 een overeenkomst betreffende een doorlopend krediet gesloten met een kredietlimiet van fl. 30.000,-.

3.3

In de daarbij door Rabobank gehanteerde algemene voorwaarden is onder meer vermeld:

"12. Adreswijziging

De kredietnemer is verplicht adreswijzigingen binnen 3 dagen schriftelijk aan de bank te melden."

Daarnaast vermeldt artikel 6 van de bijbehorende Algemene Bankvoorwaarden op dit punt:

" 6 Adresopgave door de cliënt

De cliënt dient de bank mee te delen naar welk adres voor hem bestemde stukken gezonden dienen te worden. Adreswijzigingen dient de cliënt schriftelijk mee te delen."

3.4

Artikel 30 van de bedoelde Algemene Bankvoorwaarden luidt:

"30 Opzegging van de relatie

De relatie tussen de cliënt en de bank kan zowel door de cliënt als door de bank worden opgezegd. Indien de bank de relatie opzegt, zal zij de cliënt desgevraagd de reden van die opzegging meedelen. Na opzegging van de relatie zullen de tussen de cliënt en de bank bestaande individuele overeenkomsten zo spoedig mogelijk worden afgewikkeld met inachtneming van de daarvoor geldende termijnen. Tijdens die afwikkeling blijven deze Algemene Voorwaarden van kracht."

3.5

Omdat [appellant] na december 2001 niet meer aan zijn verplichtingen had voldaan, heeft Rabobank de overeenkomst per 2 mei 2002 opgezegd. De debetstand bedroeg op dat moment € 13.248,76. Nadien zijn er geen mutaties meer geweest. Rabobank heeft [appellant] in 2002 aangemaand het openstaande bedrag te voldoen. Deze aanmaning heeft [appellant] bereikt.

3.6

[appellant] is op 9 oktober 2003 gefailleerd.

3.7

Bij schrijven aan de curator van 24 oktober 2003 heeft Rabobank haar vordering op [appellant] ter verificatie ingediend, waarop de curator deze op de lijst van voorlopig erkende crediteuren heeft geplaatst.

3.8

Het faillissement is bij (op 16 maart 2007 in kracht van gewijsde gegane) beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 8 maart 2007 opgeheven bij gebrek aan baten.

3.9

[appellant] is na het aangaan van de kredietovereenkomst verschillende keren verhuisd, zonder daarvan opgave aan Rabobank te doen.

3.10

Ten tijde van het uitspreken van het faillissement woonde [appellant] op het adres
[adres 1].

3.11

Nadien is hij met toestemming van de curator verhuisd naar het adres [adres 2].

3.12

Op 3 maart 2006 is [appellant] met goedvinden van de curator verhuisd naar het adres
[adres 3]. De vorenbedoelde opheffingsbeschikking d.d.
8 maart 2007 vermeldt dit adres als adres van [appellant]. Bij de publicatie van de opheffing in de Leeuwarder Courant van 13 maart 2007 is echter diens oude adres [adres 1] vermeld.

3.13

Op 3 januari 2008 heeft Rabobank een aangetekend schrijven, houdende een aanmaning aan [appellant] om de restschuld te voldoen, verzonden naar het adres [adres 2]. Deze brief is op 4 januari 2008 door TNT [appellant] tevergeefs op het vermelde adres aangeboden en vervolgens door Rabobank wegens "Niet afgehaald" retour ontvangen. Een medewerker van Rabobank heeft de envelop daarop voorzien van de aantekening "Jaarl. aanschrijven Laatste keer 3-1-08".

3.14

Blijkens een zich bij de gedingstukken bevindend overzicht uit de Gemeentelijke Basisadministratie stond [appellant] sinds 3 maart 2006 al niet meer op het adres [adres 2] ingeschreven.

3.15

Rabobank heeft [appellant] nadien bij brief van 19 oktober 2010 aangemaand om

€ 13.613,41 aan haar te voldoen. Deze aanmaning werd aangetekend verzonden aan het adres [adres 4] en heeft [appellant] bereikt.

3.16

[appellant] heeft de vordering van Rabobank onbetaald gelaten.

4. De vordering en de beoordeling in eerste aanleg en de grieven van [appellant] in hoger beroep

4.1

Rabobank heeft in eerste aanleg betaling van de debetstand per 2 mei 2002 ad

€ 13.248,76 gevorderd, verhoogd met wettelijke rente vanaf die datum en buitengerechtelijke kosten.

4.2

[appellant] heeft verweer gevoerd door primair een beroep op verjaring te doen en subsidiair de hoogte van de vordering en de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten aan te vechten.

4.3

Bij het tussenvonnis van 6 april 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld, dat de (hiervoor onder 3.13 vermelde) brief van 3 januari 2008 in het kader van de stuiting van de verjaring essentieel is. Indien Rabobank deze brief inderdaad heeft verzonden is de verjaring daarmee gestuit, aangezien de omstandigheid dat de brief [appellant] niet heeft bereikt voor risico van deze laatste moet komen, aldus (kort gezegd) de kantonrechter. Tegen dit oordeel richt zich grief 1.

Rabobank werd toegelaten tot het bewijs dat zij de bewuste brief aan het adres [adres 2] heeft verzonden.

4.4

Bij het eindvonnis van 10 augustus 2012 heeft de kantonrechter het door [appellant] bij antwoord-akte na tussenvonnis opgeworpen beroep op vernietiging (wegens het onredelijk bezwarend zijn) van art. 2 van de kredietvoorwaarden en art. 6 van de Algemene Bankvoorwaarden als tardief gepasseerd. Daartegen komt [appellant] op met grief 2.

Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat Rabobank in het door haar te leveren bewijs is geslaagd, welk oordeel door [appellant] wordt bestreden met grief 3.

Vervolgens concludeert de kantonrechter dat, nu [appellant] niet heeft betwist dat hij op 24 oktober 2003 nog door Rabobank werd aangemaand, aan de brief van 3 januari 2008 stuitende werking toekomt. Tegen deze overweging richt zich grief 4.

De kantonrechter heeft de restschuld (de stellingen van [appellant] op dit punt volgend) berekend op € 10.237,71. Daartegen heeft [appellant] niet gegriefd.

[appellant] werd veroordeeld om laatstgemeld bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf
2 mei 2002 aan Rabobank te voldoen. De buitengerechtelijke kosten werden toegewezen tot een bedrag van € 952,-.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

In geschil is allereerst of de vordering van Rabobank is verjaard.

Zoals de kantonrechter in zijn tussenvonnis terecht heeft geoordeeld is tussen partijen niet in geschil dat de onderhavige vordering op 2 mei 2002 opeisbaar is geworden en dat te dezen een verjaringstermijn van vijf jaren geldt.

Voorts zijn partijen het erover eens dat [appellant] in ieder geval in 2002 (wanneer precies is niet in de gedingstukken vermeld) en op 19 oktober 2010 is aangemaand de openstaande schuld te voldoen. Nu tussen deze twee momenten meer dan vijf jaren zijn verstreken is het van belang of [appellant], zoals Rabobank heeft aangegeven, in 2003 nogmaals werd aangemaand en voorts of de brief van 3 januari 2008 de verjaring heeft gestuit.

5.2

Artikel 3: 37 lid 3 BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt, indien zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring daar is aangekomen (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).

5.3

Dat de brief van 3 januari 2008 [appellant] (in het hier ter zake doende tijdvak) niet heeft bereikt, is niet in geschil. Dat het daarbij door de bank gehanteerde adres [adres 2] op dat moment niet zijn adres was, en dat hij dat adres ook nimmer als zodanig aan de bank doorgaf, staat evenmin ter discussie. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hem de onjuiste adressering niet kan worden tegengeworpen. Rabobank meent dat dit wel zo is. Zij beroept zich daarbij op de in de voorwaarden opgenomen verplichting tot adresopgave en stelt dat deze (gelet op het in artikel 30 van de Algemene Bankvoorwaarden bepaalde, hiervoor onder 3.4 aangehaald) ook na opzegging van de kredietrelatie van kracht blijft.

Het hof oordeelt als volgt.

5.4

Inderdaad is in de algemene voorwaarden bepaald dat zij in geval van opzegging tijdens de afwikkeling van de relatie van kracht blijven. Dat betekent evenwel nog niet dat de verplichtingen geacht moeten worden net zo lang door te lopen tot de voormalig cliënt geen cent meer aan de bank verschuldigd is, zoals Rabobank klaarblijkelijk meent. Zover strekt het begrip "afwikkeling van de relatie" naar 's hofs oordeel niet. Mede gelet op de expliciete vermelding dat die afwikkeling "zo spoedig mogelijk" plaatsvindt moet worden aangenomen dat het hier om een beperkte periode gaat, nodig voor het regisseren van lopende transacties, het bepalen of vrijmaken van eindsaldi, het over en weer retourneren van eigendommen en wat dies meer zij; kortom hetgeen nodig is om tot een eindsituatie te komen. Hoewel er in voorkomende gevallen mogelijk discussie kan zijn over het precieze moment waarop een in afwikkeling zijnde bank-cliënt relatie in een afgeronde relatie overgaat, was de fase van afwikkeling in het onderhavige geval naar 's hofs oordeel in januari 2008 (al lang) voorbij. Het hof kent daarbij niet alleen betekenis toe aan het feit dat de bank de boeken aangaande [appellant] reeds lang had gesloten, maar ook aan het intussen door [appellant] doorgemaakte faillissement, waarin de bank zich met een voor verificatie bestemde (en mitsdien in haar ogen voor vaststelling en uitbetaling rijpe) schuld had gemeld.

Reeds op grond van het voorgaande kan de onjuiste adressering van de brief van 3 januari 2008 niet voor rekening van [appellant] worden gebracht en mocht van Rabobank, als degene die de verjaring wenste te stuiten (en temeer: als professionele partij) worden verwacht dat zij verifieerde waar haar schuldenaar woonde (vgl. hof Den Bosch 27 december 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU9794).

Daarmee slaagt de eerste grief van [appellant].

5.5

De eerstvolgende aanmaning van Rabobank dateert van 19 oktober 2010. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet worden volgehouden dat de brief van 3 januari 2008 de verjaringstermijn heeft gestuit. Nu gesteld noch gebleken is dat de verjaring in het tijdvak van vijf jaren vóór 19 oktober 2010 op andere wijze is gestuit, is de conclusie dat de vordering van Rabobank in ieder geval op laatstgemelde datum was verjaard.

5.6

Het hof merkt nog op dat het faillissement van [appellant] hier niet op ingrijpt.

Uitgaande van de tussen partijen vaststaande aanmaning in 2002 eindigt de daarmee in gang gezette verjaringstermijn (ergens) in 2007. In artikel 36 van de Faillissementswet (Fw) is bepaald dat indien een verjaringstermijn van een vordering als de onderhavige tijdens het faillissement of binnen zes maanden daarna afloopt, deze doorloopt totdat zes maanden na het einde van het faillissement zijn verstreken. Indien, zoals [appellant] heeft gesteld, van een laatste aanmaning in 2002 moet worden uitgegaan, loopt de daarmee aangevangen verjaringstermijn mitsdien niet langer door dan tot zes maanden na beëindiging van het faillissement. Indien de verjaring, zoals Rabobank heeft gesteld, daarentegen in maart 2003 nog door aanmaning is gestuit, eindigt de alsdan opnieuw aangevangen termijn van vijf jaren in maart 2008. In dat geval is er geen invloed van het faillissement (de verjaringstermijn eindigt dan immers niet in het door art. 36 Fw bestreken tijdvak). Zonder stuitende werking van de brief van 3 januari 2008 is ook deze termijn op 19 oktober 2010 evenwel reeds volgelopen.

De aanmelding van de vordering bij de curator d.d. 24 oktober 2003 zou nog als een stuitingshandeling in de zin van art. 3: 316 BW kunnen worden aangemerkt. Echter nu deze niet in een toewijzing is uitgemond, valt ook voor die verjaringstermijn in het najaar van 2007, als na de beëindiging van het faillissement zes maanden zijn verlopen, het doek.

Een en ander brengt mee dat de door Rabobank gesignaleerde vergissing of kennelijke schrijffout van de kantonrechter aangaande de datum van de door haar gestelde aanmaning uit 2003 verder onbesproken kan blijven: immers ook uitgaande van de juistheid van hetgeen Rabobank op dit punt stelt, is de verjaringstermijn nadien verlopen. Het door Rabobank op dit punt onder de noemer “voorwaardelijk incidenteel appel” opgeworpen standpunt kan haar dan ook niet baten.

5.7

De conclusie is dat Rabobank wegens verjaring geen vorderingsrecht meer toekomt.

Rabobank heeft in appel nog aangevoerd dat een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nu het overduidelijk is dat zij haar vordering niet heeft willen prijsgeven en dat [appellant] deze schuld niet kan zijn vergeten.

Rabobank miskent hierbij het verschil tussen afstand van recht en verjaring.

Waar het eerste een ondubbelzinnige wilsuiting vereist, kan het laatste mede door stilzitten (zij het niet alleen daardoor: HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827) worden veroorzaakt. Uit de door haar medewerker op de enveloppe gemaakte aantekening “Jaarl. aanschrijven Laatste keer 3-1-08 ” lijkt overigens te volgen dat Rabobank zich ten volle bewust was van de gevolgen die tijdverloop in dit geval zou kunnen hebben.

De omstandigheid dat Rabobank, zoals zij heeft gesteld, sedert 2001 geen toegang meer heeft tot de Gemeentelijke Basisadministratie en van haar niet gevergd kan worden dat zij voor iedere brief die zij wil verzenden een exploot doet uitgaan, leidt niet tot een ander oordeel.

Uit de in het geding gebrachte uittreksels blijkt dat het juiste adres van [appellant] door raadpleging van dit GBA-register relatief eenvoudig kon worden achterhaald. De keuze om bij correspondentie met haar debiteuren al dan niet over te gaan tot inschakeling van een gerechtsdeurwaarder is geheel aan de bank; dat zij in dit geval heeft gemeend met simpele incassowerkzaamheden te kunnen volstaan kan [appellant] niet worden tegengeworpen.

5.8

Nu de vordering van Rabobank reeds op het voorgaande afstuit, kunnen de overige grieven en geschilpunten onbesproken blijven.

6 De slotsom

6.1

De slotsom is, dat de bestreden veroordeling niet in stand kan blijven en dat de vordering van Rabobank moet worden afgewezen. Het hof zal de bestreden vonnissen vernietigen en opnieuw recht doen zoals hierna in het dictum is vermeld.

6.2

Het hof zal Rabobank als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op nihil voor griffierecht en € 1.050,- (te weten 3,5 punten maal € 300,-) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

103,17

- griffierecht

291,-

totaal verschotten

394,17

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1,5 punten x € 894,-

1.341,-

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt de vonnissen van de kantonrechter te Leeuwarden van 6 april 2012 en 10 augustus 2012 waarvan beroep en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen af;

veroordeelt Rabobank in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.050,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 394,17 voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 december 2013.