Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9630

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
200.127.248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1019i Rv brengt niet met zich mee dat deze bodemprocedure als voorzien in artikel 6 Handelsnaamwet niet aanhangig mocht worden gemaakt na het verstrijken van de in het eerste artikel bepaalde termijn. Doorstart van onderneming van de gefailleerde vennootschappen met verkoop door de curator van handelsnamen. Handelsnamen Elektroburo H. Vos, H. Vos Materieel en Vos installateurs tegenover Vos Installatiebedrijven en Vos Installatietechniek.

Wetsverwijzingen
Handelsnaamwet
Handelsnaamwet 2
Handelsnaamwet 5
Handelsnaamwet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/80 met annotatie van mr. F.F.M. de Roos

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.248

(zaaknummer rechtbank Overijssel, team kanton, locatie Enschede 430.444)

beschikking van de zesde civiele kamer van 17 december 2013

inzake

1 [verzoeker]

2 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bel Installatietechniek B.V.,

voorheen handelend onder de naam Vos Installatietechniek B.V.,

wonende, respectievelijk gevestigd te Losser,

verzoekers in hoger beroep,

hierna: [verzoeker] respectievelijk Bel,

advocaat: mr. H. Dijks,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ITW Eibergen B.V.,

gevestigd te Denekamp, en

2 mr. J.M. Eringa, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid:

Elektroburo H. Vos B.V.,

[A] B.V.,

H. Vos Materieel B.V. en

Vos Installateurs B.V.,

kantoorhoudende te Enschede,

verweerders in hoger beroep,

hierna: ITW respectievelijk de curator,

advocaat: mr. P.M.F. Schreurs.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikking van 26 april 2013 die de rechtbank Overijssel, team kanton, zittingsplaats Enschede, heeft gewezen tussen Bel en [verzoeker] als verweerders enerzijds en ITW en de curator als verzoekers anderzijds.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, op 23 mei 2013 ingekomen ter griffie en op die datum betekend aan de wederpartijen, zijn Bel en [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter van 26 april 2013, hebben daartegen 11 grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben verzocht dat het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de kantonrechter te Enschede van 26 april 2013 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, ITW en de curator in hun vorderingen alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het verzoek c.q. de vordering van ITW en de curator zal afwijzen, alsmede hen hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de kosten in beide instanties ten bedrage van € 15.925,86 overeenkomstig artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de nakosten ad € 131 zonder betekening, dan wel € 199 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en, voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede ITW en de curator hoofdelijk zal veroordelen tot terugbetaling van de reeds door Bel betaalde proceskosten in eerste aanleg ad € 3.248.

2.2

Bij verweerschrift hebben ITW en curator de grieven bestreden, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben verzocht dat het hof bij (bedoeld zal zijn:) beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, en zo nodig onder verbetering van gronden:

I Bel en [verzoeker] in hun hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans hun grieven zal verwerpen;

II primair:

Bel en [verzoeker] zal veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de nakosten ad € 131 zonder betekening, dan wel € 199 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van (bedoeld zal zijn:) de beschikking, en, voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

subsidiair:

Bel en [verzoeker] zal veroordelen in de kosten van deze procedure in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ad € 131 zonder betekening, dan wel € 199 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van (bedoeld zal zijn:) de beschikking, en, voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013, tegelijk met de pleidooien in het hoger beroep in het kort geding tussen dezelfde partijen, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.117.878. Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten, Bel en [verzoeker] door mr. H. Dijks, advocaat te Enschede en ITW en de curator door mr. P.M.F. Schreurs, advocaat te Enschede; partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

Voor de zitting heeft mr. Schreurs bij formulier van 9 oktober 2013 een productie aan de wederpartij en het hof ingezonden en heeft mr. Dijks bij formulier van 11 oktober 2013 producties aan de wederpartij en het hof ingezonden. In deze rekestzaak hebben de advocaten desgevraagd over en weer meegedeeld daartegen geen bezwaar te hebben, waarna het hof akte heeft verleend van het in het geding brengen van die producties.

2.4

Vervolgens heeft het hof de beschikking bepaald op 17 december 2013.

3 De vaststaande feiten

3.1

Elektroburo H. Vos B.V., [A] B.V., H. Vos Materieel B.V. en Vos Installateurs B.V., zijn bij vonnis van 25 juli 2012 in staat van faillissement verklaard. Voor hun ondernemingen, waaronder een installatiebedrijf in loodgieters- en fitterswerk in Twente, voerden zij hun namen als handelsnamen, Vos Installateurs B.V. in ieder geval sedert december 2006.

3.2

[verzoeker] van Bel (destijds genaamd: Vos Installatietechniek B.V.) heeft bij brief van 29 juli 2012 op briefpapier van Elektroburo H. Vos de klanten van de gefailleerde vennootschappen aangeschreven met de mededeling dat [verzoeker] een doorstart zou maken.

3.3

Na een biedingsprocedure, waarin Bel en ITW hadden geboden, heeft de curator bij schriftelijke overeenkomst van 7 augustus 2012 van de gefailleerde vennootschappen de inventaris, voorraden en immateriële activa, onder meer bestaande uit de handelsnamen, het klantenbestand, de telefoonnummers, de portefeuille onderhanden werk, de lopende opdrachten en de domeinnamen, verkocht aan ITW. Van deze bedrijfsovernames is op 8 augustus 2012 opgave gedaan aan de kamer van koophandel.

3.4

Op sommatie door de curator heeft [verzoeker] bij brief van 10 augustus 2012 betreffende de doorstart van Elektroburo H. Vos B.V. aan een aantal afnemers en leveranciers geschreven:

“Zoals u heeft kunnen lezen in de courant Tubantia zijn wij niet de partij die de doorstart maakt met Elektroburo H. Vos Bv., maar de doorstartende partij is ITW installatiebedrijven.“

3.5

Bij brief van 23 augustus 2012 (op briefpapier van Elektroburo H. Vos B.V.), betreffende: Overname Elektroburo H. Vos B.V. en Vos Installateurs, heeft [B], middellijk bestuurder van ITW, op naam van Vos Installatiebedrijven aan de oude klanten onder meer geschreven:

“(…) zijn de bedrijven Elektroburo H. Vos B.V. en Vos Installateurs op 27 juli jl. failliet verklaard.

Na een prettige onderhandeling met de curator hebben wij beide bedrijven overgenomen. Op dit moment is het zeer hectisch en moet er veel geregeld worden. Maar inmiddels hebben we ons werk weer hervat, en de toekomst ziet er hoopvol uit. In deze doorstart hebben we bereikt dat een belangrijk deel van de medewerkers hun baan behoudt. Deze medewerkers zijn u op de voor u vertrouwde wijze weer van dienst.

Wel zijn wij genoodzaakt ons in een ander pand te vestigen. Ons nieuwe adres is als volgt:

Vos Installatiebedrijven

[adres en woonplaats]

[adres en woonplaats]

(…)“.

3.6

Bel is vanaf augustus 2012 onder de handelsnaam Vos Installatietechniek, al dan niet met de toevoeging: B.V., een onderneming in de installatiebranche gaan voeren.

3.7

Op vordering van ITW en curator heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo bij vonnis in kort geding van 20 november 2012 [verzoeker] en Vos Installatietechniek B.V. (later genaamd: Bel) op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot staking van het gebruik van de handelsnamen Vos Installatietechniek B.V. en Vos Installatietechniek. Daarbij heeft de voorzieningenrechter de termijn waarbinnen op grond van artikel 1019i Rv een bodemprocedure aanhangig diende te worden gemaakt bepaald op drie maanden vanaf de dag van het vonnis. Tegen dat vonnis hebben [verzoeker] en Bel de onder rov. 2.3 bedoelde hoger beroep procedure aanhangig gemaakt, waarin het hof vandaag eveneens uitspraak zal doen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In deze procedure als voorzien in artikel 6 van de Handelsnaamwet heeft de kantonrechter, op verzoek van ITW en de curator, [verzoeker] en Vos Installatietechniek B.V. (thans genaamd: Bel) veroordeeld om, samengevat, het gebruik van de handelsnamen Vos Installatietechniek B.V. en Vos Installatie Techniek of een naam die daarvan in geringe mate afwijkt, te staken en uit te schrijven uit het handelsregister, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met hun veroordeling in de proces- en nakosten.

Daartegen richten Bel en [verzoeker] hun grieven.

4.2

Onder grief 1, gericht tegen rov. 1.4 van de beschikking, klagen Bel en [verzoeker] erover dat daarin sprake is van een inschrijving in het handelsregister van de handelsnamen die door ITW werden gebruikt.

Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter klaarblijkelijk de handelsnamen bedoeld zoals deze stonden ingeschreven zonder zich erover uit te laten of deze namen ook door ITW werden gebruikt, zodat deze grief berust op een onjuiste lezing van de beschikking en faalt.

4.3

Grief 2 hebben Bel en [verzoeker] gericht tegen de feitenvaststelling in rov. 2.4 van de beschikking.

Aangezien het hof de feiten hiervoor met inachtneming van de grief opnieuw heeft vastgesteld, behoeft deze grief verder geen bespreking.

4.4

In grief 3 komen Bel en [verzoeker] op tegen de eerste alinea van rov. 4.1 van de beschikking, waarbij de kantonrechter ITW en de curator in hun verzoek heeft ontvangen, hoewel hun verzoekschrift aanvankelijk niet en pas later, namelijk op 6 maart 2013, aan de wederpartij was betekend.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.1 van de beschikking. Daarom wordt de grief verworpen.

4.5

In grief 4 bestrijden Bel en [verzoeker] de in de tweede alinea van rov. 4.1 van de beschikking aangenomen ontvankelijkheid van de curator in zijn verzoek.

Ook hier neemt het hof het oordeel van de kantonrechter over. De grief faalt.

4.6

Onder grief 5 komen Bel en [verzoeker] op tegen het oordeel in de tweede alinea van rov. 4.2 van de beschikking, inhoudend dat, ook indien een voorlopige voorziening haar werking door het verlopen van de door de voorzieningenrechter gestelde termijn als bedoeld in artikel 1019i Rv heeft verloren, een bodemprocedure als de onderhavige nog wel aanhangig gemaakt kan worden, zodat ITW en de curator in deze procedure ontvankelijk zijn. Volgens Bel en [verzoeker] is de in artikel 6 van de Handelsnaamwet voorziene procedure weliswaar een bodemprocedure, maar niet een procedure als bedoeld in artikel 1019i Rv en zijn ITW en de curator daarom niet-ontvankelijk in hun verzoek.

4.7

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het voorschrift van artikel 1019i Rv nog niet meebrengt dat ITW en de curator de onderhavige bodemprocedure niet aanhangig mochten maken na het verstrijken van de onder artikel 1019i Rv bepaalde termijn (indien zij die termijn al zouden hebben overschreden). Die opvatting strookt overigens niet met de bepaling van artikel 257 Rv dat beslissingen bij voorraad geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale. Welke gevolgen een termijnoverschrijding heeft voor de in het kort geding vonnis gelaste voorlopige maatregelen is niet van belang in deze rekestprocedure maar hooguit in de appelprocedure van het kort geding.

De grief treft geen doel.

4.8

Met grief 6 bestrijden Bel en [verzoeker] het oordeel in rov. 4.3 van de beschikking met het argument dat ITW de overgenomen onderneming niet daadwerkelijk onder de overgedragen handelsnamen heeft voortgezet, maar de onderneming en het gebruik ervan heeft gestaakt ten gunste van de per 1 oktober 2012 opgerichte zustervennootschap Vos Installatiebedrijven B.V. en dat het die vennootschap is, die de handelsnaam is gaan gebruiken. Daartegenover stellen ITW en de curator dat ITW de door haar overgenomen onderneming mede voert onder de handelsnaam Vos of soortgelijke handelsnamen, waaronder Elektroburo H. Vos. Daartoe beroept zij zich op het volgende.

a. a) Een aantal van de werknemers van ITW rijdt rond in werkbussen die volledig beplakt zijn met reclame van Elektroburo H. Vos.

b) Aan de klanten staat promotiemateriaal ter beschikking, zoals pennen, met reclame van Elektroburo H. Vos.

c) De website www.voselektra.nl die de vennootschappen ook reeds voor hun faillissement gebruikten, is in aanbouw. Hierop is wel reeds de naam Elektroburo H. Vos vermeld met de adresgegevens van ITW in Enschede, alsmede fotomateriaal van werkbussen en lichtbakken met de naam Elektroburo H. Vos B.V.

d) De dagelijkse werkkleding van monteurs van ITW is bedrukt met de naam Elektroburo H. Vos.

e) Aan de buitenzijde van het bedrijfspand van ITW hangt een banner (zeil) met daarop onder meer de naam Vos Elektra.

f) Het voormalige e-mailadres van de gefailleerde vennootschappen info@voselektra.nl wordt veelvuldig door ITW gebruikt in het contact met (potentiële) klanten.

g) Personeel van ITW gebruikt de “oude“ e-mailadressen met extensie @voselektra.nl nog steeds veelvuldig in het contact met klanten.

h) [B], bestuurder van ITW, stelt zich bij klanten voor als eigenaar van onder meer Elektroburo H. Vos.

4.9

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Het gaat hier over de doorstart van een onderneming van gefailleerde vennootschappen, waartoe de curator de inventaris, voorraden en immateriële activa, onder meer bestaande uit de (let wel: reeds vóór augustus 2012 gevoerde) handelsnamen, het klantenbestand, de telefoonnummers, de portefeuille onderhanden werk, de lopende opdrachten en de domeinnamen, heeft verkocht en klaarblijkelijk ook aan de koper heeft overgedragen. Dit laatste wordt door de grief ook niet betwist en vindt eveneens bevestiging in voormelde brieven van [verzoeker] van 10 augustus 2012 en van [B] namens Vos Installatiebedrijven van 23 augustus 2012 aan afnemers en leveranciers, waartoe geen afzonderlijke vermelding was vereist dat ITW de houder van deze handelsnaam was. In het geval van een doorstart zal de door te starten onderneming veelal in een instabiele situatie verkeren en zal de voortzetting ervan ook niet steeds probleemloos en glad verlopen. In een dergelijke situatie mag een concurrent niet al te snel aannemen dat de overnemer met al een eigen handelsnaam vervolgens niet meer de oude handelsnaam van de overgenomen onderneming zal gaan voeren. Voorkomen moet worden dat een dergelijke concurrent misbruik zou kunnen maken van die tijdelijke instabiliteit. Aan het voortgezet gebruik van de handelsnaam mogen daarom in die overgangsperiode niet al te hoge eisen worden gesteld.

Tegen deze achtergrond hebben Bel en [verzoeker] voormelde afzonderlijke stellingen van ITW en de curator met hun algemene ontkenning onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat vaststaat dat ITW zelf de handelsnaam Elektroburo H. Vos en de verwante naam Vos Elektra voor haar installatiewerkzaamheden gebruikt. Voorts staat vast dat, zoals de grief tot uitgangspunt neemt, de zustervennootschap Vos Installatiebedrijven B.V. deze aan de door ITW overgenomen handelsnamen verwante handelsnaam gebruikt. Bel en [verzoeker] zijn dat gebruik weliswaar ten pleidooie gaan betwisten, maar die betwisting geldt als een in het licht van de twee-conclusie-regel ontoelaatbare nieuwe grief. ITW heeft deze nieuwe stelling niet aanvaard en in het verweerschrift in hoger beroep onder 58 valt niet te lezen dat ITW impliciet zou erkennen de handelsnaam Vos Installatiebedrijven niet te gebruiken. In een situatie, waarin de zustervennootschap Vos Installatiebedrijven B.V. dergelijke activiteiten onder die handelsnaam is of zal gaan ontplooien, ontleent zij de bevoegdheid daartoe klaarblijkelijk aan ITW (de door Bel en [verzoeker] vermoede rechtstreekse overdracht is gemotiveerd bestreden), welke vennootschap deel uitmaakt van hetzelfde concern. Het voorschrift van artikel 2 van de Handelsnaamwet staat daaraan niet in de weg. In ieder geval mag ITW dan nog steeds worden geschaard onder “ieder belanghebbende“ in de zin van artikel 6 van de Handelsnaamwet en kan zij zelf, mede ten behoeve van Vos Installatiebedrijven B.V. tegen zodanige inbreuk ageren.

De grief wordt daarom verworpen.

4.10

Met grief 7 komen Bel en [verzoeker] op tegen de eerste alinea van rov. 4.4 van de beschikking, waarin de kantonrechter heeft geoordeeld dat ITW, nu zij de naam Vos in combinatie met de woorden Installatiebedrijf of Installateurs heeft ingeschreven in het handelsregister, voldoende recht en belang heeft om bescherming van die naam, waarvoor zij bij de overdracht en doorstart van de gefailleerde bedrijven heeft betaald, te vorderen.

4.11

Naar het oordeel van het hof slaagt de grief in zoverre dat een handelsnaam niet wordt verkregen of behouden door de (enkele) inschrijving ervan in het handelsregister. Uit rov. 4.9 volgt echter dat ITW en Vos Installatiebedrijven B.V. na overname van de installatiebedrijven de bijbehorende handelsnamen Vos Installatiebedrijven en Elektroburo H. Vos zijn gaan gebruiken. Daarom kan het slagen van de grief niet tot vernietiging van de beschikking leiden. Voor alle duidelijkheid moet hieraan worden toegevoegd dat Bel en [verzoeker] geen grief hebben gericht tegen de tweede alinea van rov. 4.4 van de beschikking, zodat er in hoger beroep van moet worden uitgegaan dat voor de handelsnamen onderscheidend vermogen toekomt aan de combinatie van de woorden Vos of H. Vos met Installatietechniek, Installatiebedrijven en varianten daarvan en woordcombinaties als handelsnamen vatbaar zijn voor bescherming onder de Handelsnaamwet. Hetgeen Bel en [verzoeker] eerst bij pleidooi hebben aangevoerd over de veel voorkomende familienaam Vos blijft als in strijd met de twee conclusieregel buiten beschouwing. Uit het voorgaande vloeit voort dat de door Bel en [verzoeker] gevoerde handelsnaam Vos Installatietechniek, al dan niet met de toevoeging: B.V., slechts in zeer geringe mate afwijkt van de te beschermen oudere handelsnamen (Elektroburo H. Vos, H. Vos Materieel en Vos Installateurs) die de rechtsvoorgangers van ITW reeds vóór hun faillietverklaringen en dus eerder dan Bel en [verzoeker] voerden en waarop ITW en/of haar zustervennootschap voortbouwen met de handelsnaam Vos Installatiebedrijven (B.V.).

4.12

Onder grief 8 bestrijden Bel en [verzoeker] de eerste twee volzinnen en de laatste alinea van rov. 4.5 van de beschikking. Volgens hen is er geen (risico op) verwarring en is de verwarring bij de school (Het Stedelijk Lyceum te Enschede) niet ontstaan of veroorzaakt door hun gebruik van de handelsnaam met het element Vos.

4.13

Hierover oordeelt het hof als volgt.

Ingevolge artikel 5 van de Handelsnaamwet is het verboden een handelsnaam te voeren, die, vóórdat de onderneming onder die naam werd gedreven, reeds door een ander rechtmatig gevoerd werd, of die van diens handelsnaam slechts in geringe mate afwijkt, een en ander voor zover dientengevolge, in verband met de aard der beide ondernemingen en de plaats, waar zij gevestigd zijn, bij het publiek verwarring tussen die ondernemingen te duchten is.

Hierna wordt onderzocht of ook aan het criterium vanaf “voor zover“ is voldaan.

ITW en/of Vos Installatiebedrijven B.V. is/zijn gevestigd te Denekamp, Enschede en Eibergen en voert/voeren technische installatiebedrijven, gericht op eindafnemers. Bel is gevestigd te Enschede en voert eveneens een technisch installatiebedrijf, ook gericht op eindafnemers. In ieder geval zijn beide partijen voor dezelfde werkzaamheden betrokken op dezelfde soort klanten in de regio Twente. Daaraan moet worden toegevoegd dat Elektro H. Vos en Vos Installateurs B.V. vóór hun faillietverklaring waren gevestigd op het adres [adres]te Enschede, op welk adres nu Bel is gevestigd en dat [verzoeker] destijds de contacten met de leveranciers en afnemers onderhield voor de later gefailleerde vennootschappen en nu voor Bel. Door de geringe afwijking van de gevoerde handelsnamen is onder deze gegeven omstandigheden bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen te duchten.

Overigens hebben zich ook daadwerkelijk diverse gevallen van verwarring voorgedaan.

Per e-mail van 28 augustus 2012 (productie 12 bij het inleidend verzoekschrift) heeft Bel onder de naam Vos Installatie Techniek aan [C] de nieuwe gegevens van Vos installatietechniek gezonden, waarop [C]heeft geantwoord:

“Wij begrijpen het niet helemaal: Bedrijf is toch samengegaan met ITW installatiebedrijven uit Denekamp?“

Bij brief van 13 maart 2013 heeft [verzoeker] namens Bel aan Koopmans Bouw bericht dat met goedvinden van [D] de naam Vos Installatietechniek nu Bel Installatietechniek is en dat zij hun werkzaamheden weer verrichten vanuit het vertrouwde bedrijfspand aan de [adres] te Enschede. Naar aanleiding daarvan heeft Koopmans Bouw, een grote klant, ITW onder de naam Vos Elektra benaderd met de vraag of zij dat was (zie producties 15 en 16 bij het verweerschrift in hoger beroep). Ook hieruit blijkt de verwarring.

De grief wordt verworpen.

4.14

Grief 10 mist zelfstandige betekenis en wordt daarom niet afzonderlijk besproken.

4.15

Onder grief 11 komen Bel en [verzoeker] op tegen diverse aspecten van het dictum van de beschikking.

4.16

Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dictum, gelezen in onderling verband en samenhang met de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen, voldoende duidelijk dat Bel en [verzoeker] voor hun installatiebedrijf weg moeten blijven van de handelsnamen met daarin het bestanddeel Vos of H. Vos in combinatie met beschrijvende woorden zoals installatietechniek, installatie techniek, installatie, techniek, installateurs etc. en dat deze dwangsom geen betrekking heeft op een naam als Bel Installatietechniek. Inmiddels hebben ITW en de curator te kennen gegeven dat een nieuw alternatief zoals Bel Installatietechniek geen strijd oplevert met deze veroordeling.

De veroordeling tot uitschrijving van de verboden handelsnamen uit het handelsregister is onder artikel 6 lid 1 van de Handelsnaam wel mogelijk omdat ook dit een aspect betreft van het voeren van een verboden handelsnaam.

De maximering van de dwangsommen tot € 100.000 is niet te hoog omdat de dwangsom als zijdelings dwangmiddel een voldoende preventief effect moet sorteren.

De grief mist doel.

4.17

Bel en [verzoeker] hebben bewijs aangeboden van hun stellingen. Zoals uit het voorgaande is gebleken, hebben zij echter geen stellingen betrokken die, indien bewezen, tot een andere uitkomst van het geschil zouden leiden. Aan bewijslevering wordt daarom niet toegekomen.

5 Slotsom

5.1

De grieven 1 en 3 tot en met 6, 8 en 11 falen. De grieven 2 en 7 kunnen niet tot vernietiging van de beschikking leiden. Grief 10 mist zelfstandige betekenis. De bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

5.2

De restitutievordering van Bel en [verzoeker] moet worden afgewezen.

5.3

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zijn Bel en [verzoeker] terecht overeenkomstig artikel 1019h Rv in de redelijke en evenredige gerechtskosten van de eerste aanleg veroordeeld en zullen zij in de redelijke en evenredige gerechtskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Deze laatste bedragen blijkens de niet weersproken opgave van ITW € 2.775 exclusief btw. Dat de declaraties tot nu toe uitsluitend zijn gericht aan de curator, sluit niet uit dat, zoals door hun advocaat toegelicht, ook ITW in de kosten zal bijdragen en zij daarom tezamen recht hebben op een kostenvergoeding. ITW en de curator hebben niet opgegeven hoeveel uren zijn besteed aan de zitting van 29 oktober 2013 en de reistijden. Daarom kan daarmee geen rekening worden gehouden. Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten met rente toewijzen zoals hierna vermeld.

Grief 9 wordt verworpen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking van de kantonrechter te Enschede in de rechtbank Overijssel van 26 april 2013;

wijst de restitutievordering af;

veroordeelt Bel en [verzoeker] in de redelijke en evenredige gerechtskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ITW en de curator begroot op € 2.775 exclusief btw voor salaris en op € 683 voor griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Bel en [verzoeker] in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval Bel en [verzoeker] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Steeg, B.J. Lenselink en F.W.J. Meijer, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013.