Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9628

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
200.076.207-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op het tussenarrest van het Gerechtshof Leeuwarden d.d. 27 november 2012 (ECLI: NL: GHLEE: 2012: BY4476).

Borgtocht. Vernietiging van de borgtocht door de echtgenote van de borg op de voet van artikel 1:88 lid 1 sub c BW. Het beroep van de bank op verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging (artikel 3:52 lid 1 sub d jo. lid 2 BW) faalt. De bank is er niet in geslaagd te bewijzen dat de echtgenote ten tijde van de vernietiging reeds drie jaar of langer van de borgstelling op de hoogte was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.076.207/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 101053/HA ZA 09-1120)

arrest van de tweede kamer van 17 december 2013

in de zaak van

Coöperatieve Rabobank Noordoost Friesland U.A.,

gevestigd te Dokkum,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de Rabobank,

advocaat: mr. O.A. van Oorschot, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.J. Welvering, kantoorhoudend te Leek.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 november 2012 (ECLI: NL: GHLEE: 2012: BY4476) hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 7 maart 2013 en op 5 juni 2013 een getuigenverhoor plaatsgevonden. De hiervan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Daarna heeft de Rabobank een conclusie na enquête genomen, waarna [geïntimeerde] een antwoordmemorie na enquête heeft genomen.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaken uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Bij genoemd tussenarrest van 27 november 2012 heeft het hof aan de Rabobank opgedragen - conform haar stelling - te bewijzen dat de echtgenote van [geïntimeerde] reeds vanaf oktober 2006 van de borgstelling op de hoogte was. Uitgaande van de vernietigingsverklaring d.d. 18 januari 2010 en de ontvangst daarvan door de Rabobank op 19 januari 2010, zou de bevoegdheid tot vernietiging zijn verjaard indien zij drie jaar of langer vóór deze datum, derhalve op of vóór 19 januari 2007, reeds met de borgstelling bekend was (artikel 3:52 lid 1 sub d jo. lid 2 BW). Dit brengt mee dat, zoals de Rabobank in haar conclusie na enquête terecht stelt, zij kan volstaan met het bewijs dat de echtgenote van [geïntimeerde] op of vóór 19 januari 2007 bekend is geraakt met de borgstelling.

Voorts constateert het hof dat rechtsoverweging 18 van meergenoemd tussenarrest een kennelijke verschrijving bevat. Deze rechtsoverweging dient als volgt te worden gelezen:

"(…) In het geval dat de Rabobank (wel) mocht slagen in het door haar te leveren bewijs, zal het hof nog dienen te beslissen ten aanzien van het verweer van [geïntimeerde] dat slechts sprake was van een tijdelijke borgstelling voor de duur van het extra krediet, althans dat [B] dit zo aan hem heeft voorgehouden."

2.2

De Rabobank heeft als getuigen doen horen:
- [A], als directeur bedrijvenadvies en verzekering in dienst van de Rabobank (hierna: [A]);
- [B], destijds als accountmanager in dienst van de Rabobank (hierna: [B]).
In de contra-enquête heeft [geïntimeerde] als getuigen doen horen;
- zichzelf;
- zijn echtgenote, [C].

2.3

[A] heeft, voor zover thans van belang, zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

"(…)
Ik ben niet bij het gesprek van de heer [B] met partij [geïntimeerde] over de borgstelling aanwezig geweest. Ik hoorde van hem dat [echtgenote geïntimeerde] ook niet bij het gesprek op de bank aanwezig is geweest maar dat zij wel getekend zou hebben.
Ik kan verder niets over de wetenschap van [echtgenote geïntimeerde] ten aanzien van de borgstelling verklaren.
(…)"

2.4

[B] heeft, voor zover thans van belang, zakelijk weergegeven het volgende verklaard:

" Ik was destijds accountmanager. In het kader van de financiering van de broer van partij

[geïntimeerde] was een borgstelling met partij [geïntimeerde] afgesproken. Partij [geïntimeerde] is destijds

daarvoor op de bank geweest. Zijn echtgenote kon niet mee komen. Het door haar voor

toestemming te tekenen stuk heb ik aan [geïntimeerde] meegegeven en het is getekend retour

gekomen. Aangezien het stuk getekend terug is gekomen is ook de financiering aan de broer

van partij [geïntimeerde] verstrekt. Ik heb verder geen aanknopingspunten voor de wetenschap van

de echtgenote van partij [geïntimeerde].

Ik heb destijds het stuk aan partij [geïntimeerde] meegegeven om het door de echtgenote van partij

[geïntimeerde] te laten tekenen met een retourenveloppe. Het getekende stuk trof ik later in de

enveloppe op mijn bureau.

[echtgenote geïntimeerde] is zelf geen klant bij ons. Ik heb met [echtgenote geïntimeerde] telefonisch contact

gehad toen de bank partij [geïntimeerde] als borg had aangesproken. De bank had daarover een brief aan partij [geïntimeerde] gezonden.

Mr. Van Oorschot houdt mij een stuk voor waarvan ik hem hoor zeggen dat het productie 4

bij de inleidende dagvaarding is. Het gaat om een brief d.d. 3 januari 2007. Op de vraag of

[echtgenote geïntimeerde] toen telefonisch contact heeft gezocht kon ik zeggen dat dat waarschijnlijk

zo is. Het telefoontje van [echtgenote geïntimeerde] gaf blijk dat er paniek bij haar was. Zij zei wij

moeten betalen het gaat niet goed met ons bedrijf ik weet van niets.

Op het genoemde stuk staat onderaan een aantekening die heb ik er op gezet. Er is destijds

voordat er een gesprek met de heer [geïntimeerde] was een telefonisch gesprek met mevrouw

[geïntimeerde] geweest. Ook het gesprek met de heer [geïntimeerde] was telefonisch. Blijkens de

aantekening van mijn hand op het eerder genoemde stuk heeft het gesprek met partij [geïntimeerde]

en dus ook met zijn echtgenote op 4 januari 2007 plaatsgevonden. Partij [geïntimeerde] gaf in een

gesprek op 4 januari 2007 aan dat de stukken naar zijn bedrijfsadres moesten worden

gezonden. Hij wilde niet dat zijn vrouw daarbij betrokken was. In het telefoongesprek dat ik

op 4 januari 2007 met [echtgenote geïntimeerde] had liet zij blijken dat zij de brief van 3 januari 2007

had ontvangen en gelezen.
(…)"

2.5

[geïntimeerde] heeft als getuige, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

"Op uw vraag wanneer mijn vrouw van de borgstelling die ik ten behoeve van mijn broer aan de Rabobank heb afgegeven kan ik het volgende verklaren. Mijn vrouw wist aanvankelijk niets van de borgstelling af. Zij is eerst door de ontvangst van de factuur van de borgstelling op de hoogte geraakt. U houdt mij een brief van de Rabobank van 3 november 2008 voor waarvan ik u hoor zeggen dat deze als productie 7 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht. Het is volgens mij deze factuur waarvan ik zojuist sprak. Het is al een tijd geleden. De brief van 3 november 2008 is geadresseerd aan mijn privéadres.

Op de vragen van mr. Welvering kan ik het volgende verklaren.

Ik was destijds met mijn broer op de bank. Ik heb daar samen met mijn broer de stukken

getekend. Ik heb ook de handtekening voor mijn vrouw gezet. De heer [B] was daarbij

aanwezig.

Op de vragen van mr. Van Oorschot kan ik het volgende verklaren.

Over de gang van zaken ten tijde van de ondertekening bij de bank kan ik het volgende

zeggen. Mijn broer en ik hebben de stukken getekend. Ik heb ook de handtekening van mijn

vrouw gezet. Het was de suggestie van de heer [B] dat ik ook de handtekening van mijn

vrouw heb gezet. Ik kan mij niet meer concreet herinneren hoe de gang van zaken verder

verlopen is. Ik heb de brief van 4 oktober 2006 ontvangen. U houdt mij deze brief voor

waarvan ik u hoor zeggen dat deze als productie 3 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht. Ik denk dat ik deze brief bij de bank heb meegenomen. Ik heb ook de brief van 3 januari 2007 ontvangen. Ik heb deze brief aan de heer Postma, de advocaat van mij en mijn vrouw, ter hand gesteld. Toen is het proces in gang gezet. Ik heb naar aanleiding van de

ontvangst van deze brief niet met de bank gebeld. Mijn vrouw heeft in een later stadium

gebeld. Ik denk dat ik naar aanleiding van de brief van 3 januari 2007 de bank heb laten

weten geen brieven meer naar mijn privéadres te sturen. De reden daarvan is dat mijn vrouw

altijd in paniek raakt. Ik denk dat mijn vrouw ook bij de ontvangst van de brief van 3 januari 2007 in paniek is geraakt.

Op aanvullende vragen van mr. Welvering kan ik het volgende verklaren.

Ik heb de brief van 3 januari 2007 zelf in ontvangst genomen. Ik heb een week of 14 dagen

later met mijn vrouw over de brief gesproken. Naar aanleiding van de brief heb ik actie

ondernomen en contact met dhr. Postma opgenomen. Dhr. Postma heeft een brief of brieven

naar de bank gezonden. Ik weet niet precies hoe dat is gegaan. U houdt mij een brief voor

van 11 september 2009 waarvan ik u hoor zeggen dat die als productie 9 bij inleidende

dagvaarding in het geding is gebracht. Ik kan niet zeggen of dit de eerste brief is na

ontvangst van de brief van 3 januari 2007 door mij."

2.6

De echtgenote van [geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

"Ik was niet vanaf begin op de hoogte van de borgstelling die mijn man ten behoeve van zijn

broer aan de Rabobank heeft afgegeven, Op uw vraag wanneer ik van deze borgstelling op

de hoogte ben geraakt kan ik zeggen dat dat is geschied door de brief van 3 november 2008.

Ik kan u deze brief laten zien. Ik hoor u zeggen dat een kopie van deze brief als productie 7

bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht. Deze brief is in een enveloppe door de

brievenbus gegooid. Ik kan niet zeggen of ik de brief open heb gemaakt of dat mijn man hem

open heeft gemaakt. Op uw vraag of er ook eerder brieven zijn binnengekomen kan ik

zeggen dat dit de eerste brief was waarvan ik op de hoogte ben geraakt. Ik heb naar

aanleiding van deze brief contact gehad met de bank. Ik heb toen met de heer [B]

gesproken. Ik heb om uitleg van deze brief gevraagd. U kunt wel begrijpen dat het thuis geen

vrolijke boel was. Ik kende de heer [B] niet.

Op de vragen van mr. Van Oorschot kan ik het volgende verklaren.

Ik heb niet voor de brief van 3 november 2008 van de borgstelling gehoord. Mr. Van Oorschot houdt mij voor dat de getuige [B] heeft verklaard dat ik naar aanleiding van de brief van 3 januari 2007 contact met de hem gehad. Mr. Van Oorschot houdt mij ook voor dat mijn man verklaard heeft dat hij een week of 14 dagen na ontvangst van de brief van 3 januari 2007 met mij over de kwestie van de borgstelling heeft gesproken. Ik heb absoluut niet voor de ontvangst van de brief van 3 november 2008 van de borgstelling gehoord. Ik heb niet met mr. Welvering over dit getuigenverhoor gesproken anders dan vandaag voorafgaand aan dit verhoor."

2.7

Het hof overweegt het volgende.
Op grond van deze getuigenverklaringen acht het hof niet bewezen dat de echtgenote van [geïntimeerde] vóór 19 januari 2007 van de borgstelling op de hoogte is geraakt. Reeds uit de verklaring van [B] volgt dit niet met voldoende zekerheid. [B] heeft immers verklaard dat hij voor het eerst (telefonisch) contact met [echtgenote geïntimeerde] heeft gehad toen de bank partij [geïntimeerde] als borg had aangesproken, dat dit contact waarschijnlijk op

4 januari 2007 heeft plaatsgevonden, en dat hij over de periode vóór dit eerste contact geen aanknopingspunten heeft voor haar bekendheid met de borgstelling.
Dat het eerste (telefonische) contact tussen [B] en de echtgenote van [geïntimeerde] op 4 januari 2007 zou hebben plaatsgevonden, strookt niet met de verklaring van [geïntimeerde], inhoudende dat hij de brief van 3 januari 2007 zelf in ontvangst heeft genomen, en dat hij een week of 14 dagen later met zijn echtgenote over deze brief heeft gesproken. Hierbij laat het hof nog daar dat [geïntimeerde] in zijn antwoordmemorie na enquête aangeeft dat hij tijdens het getuigenverhoor in verwarring is geraakt over de data van de verschillende brieven en dat hij thans stelt dat hij niet déze brief met zijn echtgenote heeft besproken, maar een brief van veel latere datum.
Bovendien staat tegenover de verklaring van [B] de verklaring van de echtgenote van [geïntimeerde] zelf, inhoudende dat zij absoluut niet vóór de ontvangst van de brief van 3 november 2008 van de borgstelling heeft gehoord. In hetgeen de Rabobank in haar conclusie na enquête aanvoert, vindt het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van haar getuigenverklaring. Integendeel: Indien juist zou zijn wat [B] heeft verklaard, zou het voor de hand hebben gelegen dat hij op de brief van 3 januari 2007 - náást de aantekening betreffende het telefoongesprek met [geïntimeerde] - tevens een aantekening aangaande het telefoongesprek met de echtgenote van [geïntimeerde] zou hebben gemaakt.

2.8

Nu de Rabobank niet in het aan haar opgedragen bewijs is geslaagd, is niet komen vast te staan dat de echtgenote van [geïntimeerde] vóór 19 januari 2007 van de borgstelling op de hoogte is geraakt. Daarmee faalt het beroep van de Rabobank op verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de borgtocht. Het hof behoeft derhalve niet in te gaan op het in rechtsoverweging 18 van het tussenarrest d.d. 27 november 2012 bedoelde verweer van [geïntimeerde] (zie hiervoor onder 2.1).

2.9

Het voorgaande leidt, mede gelet op hetgeen in het tussenarrest van 27 november 2012 is overwogen, tot de conclusie dat de vordering van de Rabobank niet toewijsbaar is. Daarbij wijst het hof erop
Nu de Rabobank niet in het door te leveren bewijs is geslaagd, komt het hof niet aan een behandeling van dit verweer toe.


Slotsom

2.10

De grieven treffen geen doel, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Het hof zal de Rabobank als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht

280,-

totaal verschotten

280,-

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3 punten x € 894,-

2.682,-

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 28 juli 2010;

veroordeelt de Rabobank in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 280,- voor verschotten;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft; uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. W. Breemhaar en mr. K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 december 2013.