Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9627

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
200.075.043-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvanger vordert verdeling van de nalatenschap van de vader van de schuldenaar, die bij de rechtbank gegrondverklaring heeft verzocht van de ontkenning van het vaderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.075.043/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 108395 / HA ZA 09-229)

arrest van de tweede kamer van 17 december 2013

in de zaak van

1 [appellant 1],

hierna: Overdijk,

2. [appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. G.A. Pots, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

de Ontvanger van de Belastingdienst Noord, kantoor Groningen,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: de Ontvanger,

advocaat: mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, kantoorhoudend te Amsterdam.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 mei 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij voormeld tussenarrest van 21 mei 2013 is de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen in de hoofdzaak.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest in de hoofdzaak en heeft het hof arrest in de hoofdzaak bepaald.

2 De vaststaande feiten

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van genoemd vonnis van 30 juni 2010 is, behoudens ten aanzien van de vaststelling dat [appellant 1] deelgenoot is in de nalatenschap van [erflater], geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten, aangevuld met enkele feiten die in hoger beroep als onweersproken zijn komen vast te staan, zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot de grieven ter zake van de hiervoor weergegeven vaststelling zal worden overwogen:

2.1

[in 1993] is de heer [erflater] overleden. Volgens de gemeentelijke basisadministratie is [erflater] overleden met achterlating van twee kinderen, te weten [appellanten]

2.2

Wijlen [erflater] is [in 1953] gehuwd met [A] en [in 1973] van echt van haar gescheiden. [appellant 1] is tijdens dit huwelijk geboren [in 1957].

2.3

Tot de nalatenschap van [erflater] behoort onder meer de onroerende zaak: het perceel met bestemming "wonen", plaatselijk bekend [adres], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie I, nummer 2124, groot 8 are en 80 centiare.

2.4

De Ontvanger heeft vorderingen op [appellant 1] in verband met verschuldigde omzetbelasting, inkomstenbelasting en overdrachtsbelasting. De Ontvanger heeft voor de openstaande schulden van [appellant 1] dwangbevelen uitgevaardigd en betekend.

2.5

Op 5 februari 2009 is door de Voorzieningenrechter te Groningen verlof verleend voor het doen leggen van conservatoir deelgenotenbeslag op de onroerende zaak voor een bedrag van € 280.000,-.

2.6

De Ontvanger heeft op 12 februari 2009 conservatoir deelgenotenbeslag gelegd op de onroerende zaak. Daarnaast heeft hij diezelfde dag executoriaal derdenbeslag gelegd onder [appellant 2] ter zake van huidige en toekomstige vorderingen die [appellant 1] op [appellant 2] heeft respectievelijk zal krijgen.

2.7

Verder heeft de Ontvanger op 31 augustus 2009 beslag gelegd op de tegoeden van [appellant 1] bij SNS Bank en ING Bank.

2.8

[appellant 1] heeft op 19 februari 2013 een verzoekschrift bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, ingediend waarin hij heeft verzocht zijn ontkenning van het vaderschap van [erflater] gegrond te verklaren.

3 De vordering en de beslissing in eerste aanleg

3.1

De Ontvanger heeft [appellanten] gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank - samengevat weergegeven - [appellanten] zal veroordelen tot verdeling van de nalatenschap van [erflater], waarin [appellanten] volgens hem deelgenoot zijn, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW. Daarnaast heeft de Ontvanger gevorderd voor recht te verklaren dat, voor zover de onroerende zaak wordt toegedeeld aan [appellant 1], het op 12 februari 2009 op de onroerende zaak gelegde conservatoir derdenbeslag overgaat in executoriaal beslag tot verhaal van de in het beslagverzoekschrift omschreven vordering van de Ontvanger op [appellant 1]. Tot slot heeft de Ontvanger gevorderd [appellanten] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief de kosten van voormeld conservatoir deelgenotenbeslag.

3.2

[appellanten] hebben in reconventie gevorderd dat de rechtbank het conservatoir deelgenotenbeslag zal opheffen en voor recht zal verklaren dat dit beslag onrechtmatig was en dat de Ontvanger aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten.

3.3

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [appellanten] in conventie veroordeeld tot verdeling van de nalatenschap van [erflater], voor zover dat nodig is voor het verhaal van de vordering van de Ontvanger op [appellant 1], en heeft een notaris benoemd ten overstaan van wie de werkzaamheden van de verdeling zullen plaatsvinden, alsmede een onzijdige persoon voor [appellant 1] en een onzijdige persoon voor [appellant 2] voor zover zij onwillig zijn om aan de verdeling mee te werken, en heeft de door de Ontvanger gevorderde verklaring voor recht afgewezen. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen. [appellanten] zijn veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

4 De grieven

4.1

[appellanten] hebben elf grieven opgeworpen.

4.2

De grieven hebben de strekking dat [erflater] niet de biologische vader is van [appellant 1], dat [appellant 1] het vaderschap van [erflater] zal ontkennen in een verzoekschriftprocedure en dat, indien dat verzoek gegrond wordt verklaard, [appellant 1] geen kind en daarmee geen erfgenaam is van [erflater]. [appellant 1] is aldus geen deelgenoot in de nalatenschap van [erflater], zodat de vordering van de Ontvanger tot verdeling niet kan worden toegewezen. Volgens [appellanten] rust op de Ontvanger de bewijslast dat [appellant 1] erfde van [erflater], en tevens dat hij de nalatenschap zuiver of beneficiair heeft aanvaard en heeft de Ontvanger dienaangaande niets gesteld of doen blijken. [appellanten] hebben het bewijs aangeboden dat [appellant 2] wel en [appellant 1] niet het kind is van [erflater] en om de uitkomst van de verzoekschriftprocedure inzake de ontkenning van het vaderschap in het geding te brengen.

4.3

De Ontvanger heeft hiertegen aangevoerd dat bij de beoordeling moet worden uitgegaan van de situatie zoals deze thans is en niet van een mogelijke ontkenning door [appellant 1] van het vaderschap van [erflater]. De Ontvanger heeft betwist dat [appellant 1] niet de biologische zoon van [erflater] is. [appellanten] hebben dit volgens hem niet aangetoond. De Ontvanger betwist voorts dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap het door [appellant 1] gewenste resultaat zal hebben, nu het verzoek niet binnen de termijn van drie jaar is gedaan nadat [appellant 1] bekend is geworden met het feit dat [erflater] vermoedelijk niet zijn vader is (artikel 1:200 lid 6 BW). [appellant 1] is volgens de Ontvanger als erfgenaam van [erflater] tezamen met [appellant 2] deelgenoot in de nalatenschap, waarvan de Ontvanger als schuldeiser ex artikel 3:180 lid 1 BW in beginsel verdeling mag vorderen. Een afzonderlijke aanvaarding van de erfgenamen is voor het ontstaan van de gemeenschap niet nodig, nu deze van rechtswege is ontstaan als gevolg van het overlijden van [erflater], aldus nog steeds de Ontvanger.

4.4

Het hof overweegt als volgt.

4.5

Niet in geschil is dat de Ontvanger op dit moment een aanzienlijke opeisbare vordering op [appellant 1] heeft. De Ontvanger kan als schuldeiser op grond van artikel 3:180 BW in samenhang met artikel 3:189 lid 2 BW en artikel 3 lid 2 Invorderingswet verdeling van de nalatenschap van [erflater] vorderen indien [appellant 1] daarvan deelgenoot is.

4.6

De nalatenschap is opengevallen vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2003 van het huidige erfrecht. Niet in geschil is dat [erflater] geen testament heeft gemaakt (onderdeel 14 van de memorie van grieven en onderdeel 3.8 van de memorie van antwoord). Ten tijde van het overlijden van [erflater] stond [appellant 1] op grond van artikel 1:199 aanhef en onder a BW in een familierechtelijke betrekking tot [erflater], zodat [appellant 1] als erfgenaam is geroepen (artikel 899 lid 1 oud BW in samenhang met artikel 879 lid 1 oud BW).

4.7

[appellant 1] heeft inmiddels op de voet van artikel 1:200 lid 1 sub b en lid 6 BW gegrondverklaring verzocht van de ontkenning van het huwelijkse vaderschap van [erflater]. Indien de ontkenning van het vaderschap gegrond wordt verklaard heeft dit tot gevolg dat het vaderschap wordt geacht nimmer gevolg te hebben gehad (artikel 1:202 lid 1 BW), zodat Rienko [appellanten] alsdan niet in familierechtelijke betrekking tot [erflater] heeft gestaan en niet op grond van de wet zijn erfgenaam is geworden.

4.8

Nu voor de door de Ontvanger gevorderde verdeling van de nalatenschap van [erflater] essentieel is dat [appellant 1] erfgenaam is, zal het hof [appellanten] in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de stand van de ontkenning van het vaderschap. Indien reeds een beschikking is gegeven dienen [appellanten] deze in het geding te brengen en zich daarbij uit te laten over de gevolgen hiervan voor de onderhavige hoger beroepsprocedure. De Ontvanger zal hierop bij antwoordakte mogen reageren.

4.9

In afwachting van de door [appellanten] te nemen akte houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 14 januari 2014 teneinde [appellanten] in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten als hiervoor omschreven in rechtsoverweging 4.8;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. mr. M.W. Zandbergen, mr. W. Breemhaar en B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 december 2013.