Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9614

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
21-001989-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BW4927, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[naam aangeefster] heeft tweemaal ten overstaan van een rechter inhoudelijk verklaard over hetgeen haar blijkens haar aangifte is overkomen. De mate waarin [naam aangeefster] heeft verklaard is zodanig dat bij die twee gelegenheden in onderlinge samenhang beschouwd de raadsman van verdachte in voldoende mate zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen en [naam aangeefster] in het bijzonder tijdens het verhoor ten overstaan van de rechtbank in voldoende mate heeft geantwoord. Dit oordeel leidt ertoe dat artikel 6 EVRM op zich niet in de weg staat aan het gebruik als bewijsmiddel van hetgeen [naam aangeefster] tijdens haar aangifte en verhoren heeft verklaard.

(…)

Weliswaar is [naam medeverdachte] veelvuldig en uitgebreid voorgehouden hetgeen door [naam aangeefster] was verklaard, het hof heeft de overtuiging bekomen dat voor zover [naam medeverdachte ] die vragen heeft beantwoord hij dit naar beste weten heeft gedaan. Er is tijdens de verhoren van [naam medeverdachte] door de verhorende opsporingsambtenaren enige druk op [naam medeverdachte] uitgeoefend en één verhoor heeft in totaal vele uren geduurd, van ongeoorloofde druk daarbij op [naam medeverdachte] is het hof niet gebleken en evenmin dat [naam medeverdachte] om de verhoren te beëindigen kennelijk wenselijke antwoorden heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001989-12

Uitspraak d.d.: 13 december 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 april 2012 met parketnummer 16-600839-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [detentieadres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 oktober 2013, 18 oktober 2013, 21 november 2013 en 13 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr B.M.E. Drykoningen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat zich daarmee niet kan verenigen daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1:

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 5 en/of 6 mei 2011 te

[plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld

en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een

andere feitelijkheid bestaande [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan

van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, namelijk het door verdachte en/of zijn

mededader(s):

- één of meermalen betasten / wrijven over de/een (boven) be(e)n (en) en/of

heupen, in elk geval van / over diverse plaatsen van het lichaam van die

[aangeefster 1], en/of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de mond van die

[aangeefster 1], en/of

- één of meermalen slaan met de penis in het gezicht, in elk geval tegen het

hoofd van die [aangeefster 1], en/of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de vagina van die

[aangeefster 1],

en het geweld en andere feitelijkhe(i)d(en) en de bedreiging met geweld en de

bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) hebben bestaan uit het meermalen,

althans eenmaal,

ondanks dat die [aangeefster 1] aan hem / hen kenbaar maakte dat zij niet (verder)

wilde, doorgaan met één of meer (van de voorgenoemde) seksuele handeling(en)

en/of het creëren van een bedreigende situatie voor die [aangeefster 1], onder meer

door:

- die [aangeefster 1] een klap te geven, en/of

- achter die [aangeefster 1] te staan en/of daarbij een mes/vijl/briefopener, in elk

geval een scherp voorwerp, te houden/halen tegen/langs de nek/hals van die

[aangeefster 1] en/of (daarbij) tegen die [aangeefster 1] te zeggen: “geef me een kusje”,

althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- één of meermalen (terwijl die [aangeefster 1] op bed lag) (gedurende enige tijd) die

[aangeefster 1] vast te pakken en/of vast te houden bij de schouders en/of arm(en),

en/of (terwijl die [aangeefster 1] aldus werd vastgehouden) haar broek en/of

onderbroek uit te trekken, en/of daarbij te zeggen tegen zijn mededader(s):

“steek ‘m er in dan” en/of tegen die [aangeefster 1]: “ik ben toch bij je schatje,

het komt goed” en/of “doe maar rustig, ik ben bij je”, en/of “werk gewoon

mee” in elk geval

(telkens) woorden van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens, terwijl

die [aangeefster 1] tegenstribbelde) één of meermalen met de penis de vagina van die

[aangeefster 1] te penetreren, en/of

- één of meermalen met een/de hand (en) het hoofd van die [aangeefster 1] vast te

houden en / of (daarbij de haren van die [aangeefster 1] vast te houden en/of aan die

haren te trekken) en/of (telkens) (met kracht) tegen het (achter)hoofd van

die [aangeefster 1] te duwen en/of (aldus) die [aangeefster 1] te dwingen om hem en/of zijn

mededader(s) te pijpen, en/of

- op die [aangeefster 1] te gaan zitten en/of daarbij te zeggen dat die [aangeefster 1] niet

weg kon (omdat verdachte en/of zijn mededader 90 kilo woog), en/of

- de keel/hals van die [aangeefster 1] vast te pakken en/of in die keel/hals te

knijpen.

- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht (veroorzaakt door onder andere de lichamelijke verschillen tussen

hem en/of zijn mededader(s) en/of het getalsmatige overwicht van verdachte

en/of zijn mededader(s) tegenover die [aangeefster 1].

2.

Primair

hij op of omstreeks 5 mei 2011 te [plaats]

[plaats],

(meermalen) door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging

met geweld en/of een andere feitelijkhe (i)d(en) [aangeefster 2] (telkens)

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of

mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het door verdachte:

- ( meermalen) betasten van de/een borst (en) van die [aangeefster 2], en/of

- ( meermalen) brengen en/of houden van zijn penis in de mond van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2], en/of

- ( meermalen), met één of meer vinger(s) penetreren van de vagina van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2], en/of

- ( meermalen) met zijn penis penetreren van de vagina van die [aangeefster 2], in

elk geval één of meermalen zijn penis/eikel steken en/of houden tussen de

schaamlippen van die [aangeefster 2],

en het geweld en andere feitelijkhe (i)d(en) en de bedreiging met geweld en de

bedreiging met andere feitelijkhe (i)d(en) (telkens) hebben bestaan uit het

meermalen, althans eenmaal,

ondanks dat die [aangeefster 2] aan hem kenbaar maakte dat zij niet (verder)

wilde doorgaan met één of meer (van de voorgenoemde) seksuele handeling(en),

en/of het creëren van een bedreigende situatie voor die [aangeefster 2]. onder

meer door [terwijl die [aangeefster 2] (meermalen) had gezegd dat zij geen seks

wilde hebben]:

- die [aangeefster 2] op een bed te trekken en/of (vervolgens) op zich te trekken

(zodat die [aangeefster 2] op hem, verdachte, lag), en/of

- ( onverhoeds) zijn handen te steken onder de (boven) kleding van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2] en/of (vervolgens) (meermalen) de/een borst(en) van de [aangeefster 2]

[aangeefster 2] te betasten, en/of

- ( nadat hij zijn broek en/of ondergoed had uitgetrokken) de broek en/of

string, in elk geval ondergoed van die [aangeefster 2] uit te trekken, en/of

- ( vervolgens) zijn (stijve) pen is te houden tegen/nabij de vagina van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2], en/of

- te zeggen: ‘je moet luisteren anders ga je niet naar huis” in elk geval

woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

(enige tijd later in een andere kamer)

- op een bed te duwen en/of (vervolgens met kracht) haar broek uit te trekken,

en/of

- ( meermalen) tegen die [aangeefster 2] te zeggen: “neem mijn penis in je mond”

en/of “lust jij worsten” en/of “niet weggaan anders wordt [medeverdachte 2] boos en dan

brengt hij jullie niet naar huis” en/of “ik zou maar doen wat ik zeg” en/of

‘je bent vies, als je weg gaat en mij laat liggen” en/of “anders ga je niet

naar huis toe en moet je blijven”, in elk geval woorden van gelijke aard of

strekking, en/of

- ( vervolgens) op die [aangeefster 2] te gaan liggen en/of (vervolgens/daarbij)

zijn penis in de vagina van die [aangeefster 2] te duwen, in elk geval zijn

eikel tussen de schaamlippen van die [aangeefster 2] te duwen.

Subsidiair

hij op of omstreeks 5 mei 2011 te [plaats]

[plaats],

met S. [aangeefster 2], geboren op 31 augustus 1996, die de leeftijd van twaalf,

maar nog niet die van zestien jaren heeft/had bereikt, buiten echt, ontuchtige

handelingen heeft gepleegd die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit

het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- zich door die [aangeefster 2] laten pijpen, en/of

- ( meermalen) met één of meer vinger (s) en/of met zijn penis de vagina van die

[aangeefster 2] gepenetreerd en/of

- ( meermalen) de borst (en) van die [aangeefster 2] betast, en/of

- ( meermalen) met zijn penis de vagina van die [aangeefster 2] gepenetreerd, of in

elk geval zijn penis/eikel tussen de schaamlippen van die [aangeefster 2]

gestoken en/of gehouden.

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 5 mei 2011 te [plaats]

[plaats], met [aangeefster 2], geboren op 31 augustus 1996, die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen

heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig

- het aanraken van de borst(en) van die [aangeefster 2] en/of

- het (tong)zoenen van die [aangeefster 2] en/of

- het met de penis en/of handen(en) aanraken van de vagina, althans de

schaamlippen van die [aangeefster 2], en/of

- het bewegen van zijn penis en/of handen in de richting van de vagina althans

schaam lippen van die [aangeefster 2].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, wegens gebrek aan bewijs. Daartoe is het volgende aangevoerd - samengevat weergegeven - .

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaringen van aangeefster: bewijsuitsluiting

De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster is niet overeenkomstig artikel 6 EVRM te toetsen. De verdediging wijst op de overwegingen in de EHRM arresten Kostovski (NJ 1990, 245 r.o. 42), het Unterpertinger-arrest (NJ 1988, 745, par 31), het Lüdi-arrest (NJ 1993, 711, par 49) en het Vidgen-arrest van 10 juli 2012 (EHRM nr 29353/06) en jurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. HR 29 januari 2013, LJN BX5539, met conclusie AG Vellinga). De raadsman voert in dit kader voorts het navolgende aan:

 de verdediging heeft aangeefster [aangeefster 1] noch tijdens de procedure in eerste aanleg, noch in hoger beroep als getuige kunnen horen op een afdoende en passende wijze, nu de getuige telkens heeft geweigerd om op relevante specifieke vragen antwoord te geven, en ook heeft zij geweigerd open vragen te beantwoorden;

 er is niet gebleken van een aanvaardbare reden voor de getuige om niet te hoeven te verklaren.

 de geboden compensatie is niet toereikend gebleken. De deskundigen die in opdracht van het hof onderzoek hebben gedaan betrouwbaarheid onderzoek heeft gedaan houdt de mogelijkheid van een alternatief scenario open en cruciaal bewijs, de aangifte, is niet te beluisteren dan wel ondeugdelijk opgemaakt.

 de verklaring van aangeefster vindt voor wat betreft de kern (onvrijwilligheid en dwang) niet dan wel in onvoldoende mate steun in overig bewijsmateriaal.

Gelet op het voorgaande dient de verklaring van aangeefster van het bewijs te worden uitgesloten.

Unus testis nullus testis

Het grootste deel van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen kan niet gelden als steunbewijs, nu de inhoud daarvan niet in relevant de betekenis staat tot het tenlastegelegde feit, in het bijzonder tot de dwang die zou zijn uitgeoefend.

 het voorgaande geldt ten aanzien van het proces-verbaal van bevindingen over de [naam] groep, de bevindingen van het buurtonderzoek, de bewijsmiddelen met betrekking tot de telecom-analyse, de DNA-rapporten en de verklaring van verdachte zelf;

 ten aanzien van de getuigenverklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] geldt dat sprake is van de auditu verklaringen, aldus de raadsman;

 de belastende verklaring van [medeverdachte 1] van 22 juni 2011 kan wegens de onbetrouwbaarheid van die verklaring niet voor het bewijs worden gebezigd, onder meer gelet op de verklaring van de getuige-deskundige Rassin over de relatie tussen de gang van zaken tijdens een verhoor en de kans op een valse bekentenis; Subsidiair biedt de verklaring van [medeverdachte 1] onvoldoende steun aan het aspect dwang, waar het gaat om de seksuele handelingen op 30 april 2011;

 ook de in het dossier opgenomen MSN- gesprekken bieden onvoldoende steunbewijs op het aspect van dwang. Uit deze contacten kan niet worden opgemaakt dat ten tijde van het tenlastegelegde ten aanzien van verdachte was voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Op basis van het dossier is de identiteit van degenen met wie [aangeefster 1] het MSN-gesprek voert bovendien onduidelijk gebleven.

en voorts ten aanzien van feit 1:

 Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de herkenning van verdachte door aangeefster [aangeefster 1] betrouwbaar is. [aangeefster 1] heeft verdachte herkend op basis van een slechte foto. Niet uitgesloten is dat ten aanzien van de herkenning sprake is van een persoonsverwisseling. Ook de wijze waarop [aangeefster 1] op zoek is gegaan naar gegevens over de daders, op internet via de Hyves en MSN-contacten van [medeverdachte 1] verhoogt het risico op een vals positieve herkenning.

 Steunbewijs voor de herkenning van verdachte door [aangeefster 1] valt niet te ontlenen aan verklaringen van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft slechts verklaard dat hij vermoedt dat op 5 mei 2011 [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in zijn woning waren; dezelfde mensen als bij hem waren op 30 april 2011. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte op 30 april 2011 in de woning van [medeverdachte 1] is geweest.

 Er is geen DNA-materiaal van verdachte aangetroffen op/aan het lichaam van [aangeefster 1].

 De verklaringen van aangeefster [aangeefster 1] zijn niet betrouwbaar en kunnen daarom niet worden gebezigd voor het bewijs. Er is sprake van inconsistenties in de verklaringen van [aangeefster 1]. Tijdens het informatieve gesprek heeft [aangeefster 1] niets verklaard omtrent seksueel binnendringen door “de Surinamer”, terwijl zij daarover wel verklaart in de aangifte. Ook overigens heeft aangeefster onduidelijk verklaard over de rol van “de Surinamer”.

 De verklaringen van medeverdachte/ getuige [medeverdachte 1] van 22 juni 2011 zijn onvoldoende betrouwbaar om te kunnen gebruiken als steunbewijs. De raadsman wijst daarbij op de wijze waarop [medeverdachte 1] bij de politie is verhoord, de duur van het verhoor en de vermoeidheid van [medeverdachte 1] tijdens die verhoren.

 [medeverdachte 1] heeft tijdens zijn verhoor nergens bevestigd hetgeen [aangeefster 1] heeft verklaard over seksuele gedragingen tegen haar wil waarbij “de Surinamer” betrokken zou zijn.

 Nu, mede gelet op het advies van de deskundige Rassin, niet kan worden uitgesloten dat [medeverdachte 1] een valse bekentenis heeft afgelegd en [aangeefster 1] een valse aangifte heeft gedaan, en sprake is van gerede twijfel en contra-indicaties ten aanzien van de onvrijwilligheid dient vrijspraak te volgen.

en voorts ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Het dossier bevat geen steunbewijs voor de verklaring van aangeefster [aangeefster 2], dat tegen haar wil sprake is geweest van seksueel binnendringen door dan wel andere seksuele handelingen van de kant van verdachte. Aangeefster is verdachte geheel vrijwillig gevolgd naar de slaapkamer en hij heeft tijdens de seksuele handelingen haar grenzen gerespecteerd.

Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde

Bij verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde sprake van verschoonbare dwaling ten aanzien van de leeftijd van aangeefster; de laatste deed het immers voorkomen alsof zij 17 jaar oud was.

Ten aanzien van de verweren overweegt het hof als volgt.

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaringen van aangeefster

AVR-opnamen

Ten gevolge van een technisch mankement zijn de opnamen van de aangifte van [aangeefster 1] niet goed gelukt of niet goed opgeslagen. Dit moet worden aangemerkt als een onherstelbaar verzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu het daartoe strekkend voorschrift van het College van Procureurs Generaal er mede toe strekt de rechter en anderen bij het strafproces betrokkenen kennis te laten nemen van de wijze van verhoor en van alle factoren en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van een getuige in het algemeen en meer in het bijzonder van de geloofwaardigheid van specifieke onderdelen van een verklaring. De waarneming van de registratie van een verhoor kan meer informatie opleveren dan die welke uit de schriftelijke weergave daarvan valt te putten. Het beluisteren en/of bekijken van een verhoor kan bovendien van belang zijn voor de beoordeling van de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden en meer in het bijzonder of ongeoorloofde druk op de gehoorde werd uitgeoefend.

Van enige kwade intentie is in dit geval niet gebleken.

Voor de beoordeling van voormeld verzuim is van belang op te merken dat vorenbedoelde aanwijzing geen bepaling bevat voor een geval als het onderhavige.

Het hof heeft kennis genomen van alle registraties van de in deze zaak gehouden verhoren en stelt vast dat de van de verhoren opgemaakte processen-verbaal in het algemeen telkens een getrouwe weergave bevatten van hetgeen op die registraties is waar te nemen.

Aan dit oordeel doen niet af de enkele onnauwkeurigheden die het hof in het bijzonder waar het betreft de weergave van het verhoor van [medeverdachte 1] heeft aangetroffen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering van dit verzuim.

Ongeoorloofde pressie op [aangeefster 1] tot het doen van aangifte

Het hof is van oordeel dat van ontoelaatbare druk om aangifte te doen op [aangeefster 1] geen sprake is geweest; veeleer hebben de verbalisanten [aangeefster 1] argumenten pro en contra aangifte doen voorgehouden en dat is toelaatbaar.

Het hof ziet geen reden voor enigerlei sanctie.

Betrouwbaarheid verklaringen [aangeefster 1]

Aangeefster [aangeefster 1] is ten overstaan van de rechter-commissaris, van de rechtbank en ten slotte ten overstaan van het hof als getuige gehoord.

Bij de rechter-commissaris heeft getuige [aangeefster 1] enige details beschreven van hetgeen haar overkomen zou zijn. Zij heeft echter slechts in beperkte mate de haar gestelde vragen kunnen of willen beantwoorden.

Bij haar verhoor door en ten overstaan van de rechtbank heeft getuige [aangeefster 1] uitvoerig en gedetailleerd verklaard. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende open vragen stelde. Het hof oordeelt dat het weliswaar de voorkeur verdient voor de beoordeling van de betrouwbaarheid hetgeen een getuige verklaart aanvankelijk open vragen te stellen en dat men bij het stellen van een vraag steeds zo min mogelijk informatie verstrekt. Gelet op de omstandigheden bij het verhoor van [aangeefster 1] acht het hof het verhoor van [aangeefster 1] echter adequaat uitgevoerd. Alles afwegend moet geoordeeld worden dat de raadsman van verdachte in voldoende mate zijn bevragingsrecht heeft kunnen uitoefenen.

In hoger beroep heeft [aangeefster 1] nagenoeg geen vragen kunnen of willen beantwoorden. Zij heeft verklaard aan een PTSS syndroom te lijden dat na een aanvankelijke remissie weer is teruggekeerd. In een schrijven van 11 oktober 2013 van J.M. Versteeg, GZ-psycholoog, wordt vermeld dat [aangeefster 1] heeft aangegeven last te hebben van slaapproblemen, terugkerende en opdringende herinneringen aan de gebeurtenis, nachtmerries, dissociaties, verminderde belangstelling voor activiteiten, een gevoel van vervreemding, concentratieproblemen, angstklachten en sterke schrikreacties, welke symptomen behoren tot de diagnose PTSS. Het noodgedwongen moeten oproepen van traumatische herinneringen is, aldus Versteeg, een trigger voor het recidiveren van een PTSS.

Het hof is op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de indruk die het hof van de getuige [aangeefster 1] ter zitting heeft gekregen en op grond van hetgeen [aangeefster 1] bij die gelegenheid daarover heeft verklaard tot het oordeel gekomen dat het, in verband met de ernstige psychische schade die dreigde te ontstaan wanneer [aangeefster 1] (opnieuw) inhoudelijk zou gaan verklaren over welke seksuele en andere handelingen haar waren overkomen, alleszins aanvaardbaar moet worden geacht dat [aangeefster 1] ten overstaan van het hof slechts een beknopte verklaring heeft willen of kunnen afleggen.

Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom: [aangeefster 1] heeft tweemaal ten overstaan van een rechter inhoudelijk verklaard over hetgeen haar blijkens haar aangifte is overkomen. De mate waarin [aangeefster 1] heeft verklaard is zodanig dat bij die twee gelegenheden in onderlinge samenhang beschouwd de raadsman van verdachte in voldoende mate zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen en [aangeefster 1] in het bijzonder tijdens het verhoor ten overstaan van de rechtbank in voldoende mate heeft geantwoord. Dit oordeel leidt ertoe dat artikel 6 EVRM op zich niet in de weg staat aan het gebruik als bewijsmiddel van hetgeen [aangeefster 1] tijdens haar aangifte en verhoren heeft verklaard.

Met betrekking tot de verklaringen van [aangeefster 1] oordeelt het hof dat die verklaringen betrouwbaar zijn, dat wil zeggen overeenstemmend met hetgeen [aangeefster 1] overeenkomstig de werkelijkheid heeft waargenomen. Zij kunnen voor het bewijs worden gebezigd.

Het verweer wordt verworpen.

Unus testis nullus testis en het kenbaarheidsvereiste

De overige verweren lenen zich verder voor een gezamenlijke bespreking.

Het hof acht de herkenning door [aangeefster 1] van verdache wel betrouwbaar en bezigt deze voor het bewijs. De als bewijsmiddel opgenomen verklaringen van [aangeefster 1] acht het hof betrouwbaar, dat wil zeggen inhoudend een juiste weergave van een waarneming van hetgeen in werkelijkheid kon worden waargenomen.

De als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van [aangeefster 1] worden in voldoende mate bevestigd en/of ondersteund door een of meer andere bewijsmiddelen.

Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat voor verdachte kenbaar is geweest dat [aangeefster 1] gedwongen werd tot (het ondergaan van) seksuele handelingen.

Met betrekking tot hetgeen [medeverdachte 1] tijdens zijn politieverhoren heeft verklaard is het hof, na beoordeling van de van de verhoren gemaakte opnamen tot het oordeel gekomen dat deze in het algemeen op juiste wijze in het proces-verbaal zijn gerelateerd, behalve die onderdelen van verklaringen waarvan het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een onjuiste weergave. Die onjuistheden zijn, gelet op de uitgebreidheid van het verhoor slechts van geringe betekenis en zijn door de vaststelling door het hof gecorrigeerd.

Het hof heeft door het waarnemen van de audiovisuele opnamen van de verhoren van [medeverdachte 1] kunnen vaststellen dat de daarvan opgemaakte processen-verbaal voor het overige een goede zakelijke weergave bevatten hetgeen door [medeverdachte 1] is verklaard.

Weliswaar is [medeverdachte 1] veelvuldig en uitgebreid voorgehouden hetgeen door [aangeefster 1] was verklaard, het hof heeft de overtuiging bekomen dat voor zover [medeverdachte 1] die vragen heeft beantwoord hij dit naar beste weten heeft gedaan. Er is tijdens de verhoren van [medeverdachte 1] door de verhorende opsporingsambtenaren enige druk op [medeverdachte 1] uitgeoefend en één verhoor heeft in totaal vele uren geduurd, van ongeoorloofde druk daarbij op [medeverdachte 1] is het hof niet gebleken en evenmin dat [medeverdachte 1] om de verhoren te beëindigen kennelijk wenselijke antwoorden heeft gegeven. [medeverdachte 1] geeft tijdens het langdurige verhoor zelf duidelijk aan dat hij op zich opening van zaken wil geven maar daarbij geen namen van andere betrokkenen wil noemen.

[medeverdachte 1] is als getuige ter zitting van het hof gehoord en toen teruggekomen op hetgeen eerder door hem bij de politieverhoren was verklaard. [medeverdachte 1] heeft geen geloofwaardige en betrouwbare indruk op het hof gemaakt voor zover hij is teruggekomen op hetgeen eerder door hem was verklaard dan wel heeft aangegeven zich bepaalde gebeurtenissen niet meer te kunnen herinneren.

Voor zover het hof de door [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs bezigt is het hof overtuigd dat daarin wordt gerelateerd wat [medeverdachte 1] heeft waargenomen zoals zich dat in werkelijkheid voor deed. Anders gezegd, alhoewel [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting niet geloofwaardig heeft verklaard tast dit niet de geloofwaardigheid van zijn verklaringen aan die het hof voor het bewijs bezigt.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde ook voor het overige wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 5 en/of 6 mei 2011 te

[plaats][plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld

en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een

andere feitelijkheid bestaande [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan

van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, namelijk het door verdachte en/of zijn

mededader(s):

- één of meermalen betasten / wrijven over de/een (boven) be(e)n (en) en/of

heupen, in elk geval van / over diverse plaatsen van het lichaam van die

[aangeefster 1], en/of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de mond van die

[aangeefster 1], en/of

- één of meermalen slaan met de penis in het gezicht, in elk geval tegen het

hoofd van die [aangeefster 1], en /of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de vagina van die

[aangeefster 1],

en het geweld en andere feitelijkhe (i)d(en) en de bedreiging met geweld en de

bedreiging met andere feitelijkhe (i)d(en) hebbende bestaan uit het meermalen,

althans eenmaal,

ondanks dat die [aangeefster 1] aan hem / hen kenbaar maakte dat zij niet (verder)

wilde, doorgaan met één of meer (van de voorgenoemde) seksuele handeling(en)

en/of het creëren van een bedreigende situatie voor die [aangeefster 1], onder meer

door:

- die [aangeefster 1] een klap te geven, en/of

- achter die [aangeefster 1] te staan en/of daarbij een mes/vijl/briefopener, in elk

geval een scherp voorwerp, te houden/halen tegen/langs de nek/hals van die

[aangeefster 1] en/of (daarbij) tegen die [aangeefster 1] te zeggen: “geef me een kusje”,

althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- één of meermalen ( terwijl die [aangeefster 1] op bed lag ) (gedurende enige tijd) die

[aangeefster 1] vast te pakken en/of vast te houden bij de schouders en/of arm(en),

en/of (terwijl die [aangeefster 1] aldus werd vastgehouden) haar broek en/of

onderbroek uit te trekken, en/of daarbij te zeggen tegen zijn mededader(s):

“steek ‘m er in dan” en/of tegen die [aangeefster 1]: “ik ben toch bij je schatje,

het komt goed” en/of “doe maar rustig, ik ben bij je”, en/of “werk gewoon

mee” in elk geval

(telkens) woorden van gelijke aard of strekking, en/of ( vervolgens, terwijl

die [aangeefster 1] tegenstribbelde ) één of meermalen met de penis de vagina van die

[aangeefster 1] te penetreren, en/of

- één of meermalen met een /de hand (en) het hoofd van die [aangeefster 1] vast te

houden en / of (daarbij de haren van die [aangeefster 1] vast te houden en/of aan die

haren te trekken) en /of (telkens) (met kracht) tegen het (achter) hoofd van

die [aangeefster 1] te duwen en/of (aldus) die [aangeefster 1] te dwingen om hem en/of zijn

mededader(s) te pijpen, en /of

- op die [aangeefster 1] te gaan zitten en/of daarbij te zeggen dat die [aangeefster 1] niet

weg kon (omdat verdachte en/of zijn mededader 90 kilo woog), en/of

- de keel/hals van die [aangeefster 1] vast te pakken en/of in die keel/hals te

knijpen.

- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht (veroorzaakt door onder andere de lichamelijke verschillen tussen

hem en/of zijn mededader(s) en/of het getalsmatige overwicht van verdachte

en/of zijn mededader(s) tegenover die [aangeefster 1].

2.

Primair

hij op of omstreeks 5 mei 2011 te [plaats][plaats]

[plaats],

(meermalen) door geweld en /of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging

met geweld en/of een andere feitelijkhe (i) d(en) [aangeefster 2] (telkens)

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of

mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het door verdachte:

- (meermalen) betasten van de /een borst (en) van die [aangeefster 2], en /of

- (meermalen) brengen en /of houden van zijn penis in de mond van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2], en /of

- (meermalen), met één of meer vinger (s) penetreren van de vagina van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2], en/of

- (meermalen) met zijn penis penetreren van de vagina van die [aangeefster 2], in

elk geval één of meermalen zijn penis /eikel steken en/of houden tussen de

schaamlippen van die [aangeefster 2],

en het geweld en andere feitelijkhe (i) d (en) en de bedreiging met geweld en de

bedreiging met andere feitelijkhe (i) d(en) (telkens) hebbende bestaan uit het

meermalen, althans eenmaal,

ondanks dat die [aangeefster 2] aan hem kenbaar maakte dat zij niet (verder)

wilde doorgaan met één of meer (van de voorgenoemde) seksuele handeling(en),

en/of het creëren van een bedreigende situatie voor die [aangeefster 2]. onder

meer door [terwijl die [aangeefster 2] (meermalen) had gezegd dat zij geen seks

wilde hebben]:

- die [aangeefster 2] op een bed te trekken en /of (vervolgens) op zich te trekken

(zodat die [aangeefster 2] op hem, verdachte, lag), en/of

- (onverhoeds) zijn handen te steken onder de (boven) kleding van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2] en /of (vervolgens) (meermalen) de/een borst(en) van de [aangeefster 2]

[aangeefster 2] te betasten, en/of

- ( nadat hij zijn broek en /of ondergoed had uitgetrokken) de broek en/of

string, in elk geval ondergoed van die [aangeefster 2] uit te trekken, en/of

- (vervolgens) zijn (stijve) penis te houden tegen/nabij de vagina van die [aangeefster 2]

[aangeefster 2], en /of

- te zeggen: ‘je moet luisteren anders ga je niet naar huis” in elk geval

woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

(enige tijd later in een andere kamer)

- op een bed te duwen en/of (vervolgens met kracht) haar broek uit te trekken,

en/of

- (meermalen) tegen die [aangeefster 2] te zeggen: “Neem mijn penis in je mond”

en/of “Lust jij worsten” en /of “Niet weggaan, anders wordt [medeverdachte 2] boos en dan

brengt hij jullie niet naar huis” en /of “ik zou maar doen wat ik zeg” en/of

‘Je bent vies, als je weg gaat en mij laat liggen” en/of “anders ga je niet

naar huis toe en moet je blijven”, in elk geval woorden van gelijke aard of

strekking, en/of

- (vervolgens) op die [aangeefster 2] te gaan liggen en/of (vervolgens/daarbij)

zijn penis in de vagina van die [aangeefster 2] te duwen, in elk geval zijn

eikel tussen de schaamlippen van die [aangeefster 2] te duwen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- .

Verdachte heeft zich in de periode van één week schuldig gemaakt aan het medeplegen van meermalen verkrachten van een zeventien-jarig meisje en meermalen verkrachting van een ander, ten tijde van het tenlastegelegde, veertienjarig meisje. De gebeurtenissen hebben zich afgespeeld op een slaapkamer in de woning van de jongen op wie het slachtoffer destijds verliefd was.

Verdachte heeft het zeventienjarige meisje samen met zijn mededaders onder gebruikmaking van geweld en feitelijkheden, zoals vasthouden om haar verzet te breken, gedwongen om tegen haar wil seksuele handelingen te ondergaan, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen.

Daarnaast heeft verdachte zich in dezelfde woning schuldig gemaakt aan verkrachting van een ander, ten tijde van het tenlastegelegde, veertienjarig, meisje. Ondanks het feit dat het meisje aan verdachte zeer duidelijk te kennen gaf dat zij niet wilde dat sprake zou zijn van geslachtsgemeenschap dan wel penetratie heeft verdachte haar daartoe gedwongen middels fysiek overwicht en feitelijkheden.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - .

Verkrachting betreft een zeer ernstig zedendelict. Door de tenlastegelegde, en thans bewezenverklaarde, feiten te plegen heeft verdachte de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers ernstig geschonden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven als de onderhavige langdurig de negatieve gevolgen plegen te ondervinden van het zedendelict. Dit geldt te meer, gelet op de brute en vernederende wijze waarop door verdachte - samen met anderen - het onder 1 bewezenverklaarde feit ten aanzien van het slachtoffer is gepleegd en gelet op de leeftijd van het slachtoffer van het onder 2 bewezenverklaarde.

Uit de inhoud van schriftelijke slachtofferverklaring die door het zeventienjarige slachtoffer werd ingebracht tijdens haar procedure en uit de toelichting van haar raadsvrouw blijkt dat dit ook nu geldt. Ten tijde van de procedure in hoger beroep staat voornoemd slachtoffer reeds geruime tijd onder behandeling wegens psychische problematiek.

Het hof is, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, van oordeel dat bij de strafoplegging geen andere straf in aanmerking komt dan een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur.

Volgens de oriëntatiepunten van de LOVS (landelijk overleg van de voorzitters van de straf sectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken) is in het geval van één verkrachting - afhankelijk van een aantal factoren zoals de leeftijd van het slachtoffer, de frequentie, het aantal daders, de ernst en mate van het toegepaste geweld en de gevolgen voor het slachtoffer, - in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden een passende sanctie.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt het hof rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake van een soortgelijke strafbaar feit.

Voorts houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de inhoud van een de verdachte betreffend rapport van de reclassering van mw I. Brandsma van 30 september 2011 en de retour rapportage waaruit blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan psychologisch onderzoek.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.724,18. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.753,68. Deze vordering is opgebouwd uit de schadepost materiële schade ad € 724,18 en immateriële schade ad € 5.000,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering en haar vordering nader onderbouwd en aangevoerd dat de immateriële schade veel hoger blijkt te zijn dan bij het instellen van de vordering begroot.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering en maakt die tot de hare en neemt het over. Dit oordeel luidt als volgt:

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. [aangeefster 1] maakt geen onderscheid tussen de schade veroorzaakt door de gebeurtenissen op 30 april 2011 en die op 5 mei 2011. Dit onderscheid moet echter wel worden gemaakt. De materiële schadeposten behoeven niet te worden gesplitst, maar de immateriële schadeposten wel. Omdat de immateriële schade voor meerdere soortgelijke feiten wordt gevraagd zal deze schade voor de helft worden toegerekend aan de gebeurtenissen op 30 april 2011 en voor de andere helft aan de gebeurtenissen op 5 mei 2011. De materiële schade wordt begroot op € 253,68 (reiskosten, niet vergoede zorgkosten en telefoonkosten) en de immateriële schade zal als voorschot worden toegewezen tot een

bedrag van € 2.500.

De vordering zal derhalve (als voorschot) worden toegewezen tot een totaalbedrag van

€ 2.753,68. Verdachte is aansprakelijk voor die schade.

Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk (zijnde onder

andere een bedrag van € 156,90 ter zake van vervangende kleding en € 313,60 ter zake van

toekomstige reiskosten). Die schadeposten zijn niet eenvoudig te beoordelen en het zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren om dit nader te laten uitzoeken of onderbouwen, Voor zover de vordering ter zake van de materiële schade uitgaat boven het ter zake van die schade toegewezen bedrag kan de daarop betrekking hebbende vordering worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.798,33. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.798,33. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 47, 57, 63, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.753,68 (tweeduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 253,68 (tweehonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 1], een bedrag te betalen van € 2.753,68 (tweeduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 253,68 (tweehonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] ter zake van het onder 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.798,33 (duizend zevenhonderdachtennegentig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 298,33 (tweehonderdachtennegentig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster 2], een bedrag te betalen van € 1.798,33 (duizend zevenhonderdachtennegentig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 298,33 (tweehonderdachtennegentig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mr F.W.J. den Ottolander en mr J.M.J. Denie, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 13 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.