Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9613

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
21-002028-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BW5039, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[naam aangeefster] heeft tweemaal ten overstaan van een rechter inhoudelijk verklaard over hetgeen haar blijkens haar aangifte is overkomen. De mate waarin [naam aangeefster] heeft verklaard is zodanig dat bij die twee gelegenheden in onderlinge samenhang beschouwd de raadsman van verdachte in voldoende mate zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen en [naam aangeefster] in het bijzonder tijdens het verhoor ten overstaan van de rechtbank in voldoende mate heeft geantwoord. Dit oordeel leidt ertoe dat artikel 6 EVRM op zich niet in de weg staat aan het gebruik als bewijsmiddel van hetgeen [naam aangeefster] tijdens haar aangifte en verhoren heeft verklaard.

(…)

Weliswaar is [naam medeverdachte] veelvuldig en uitgebreid voorgehouden hetgeen door [naam aangeefster] was verklaard, het hof heeft de overtuiging bekomen dat voor zover [naam medeverdachte ] die vragen heeft beantwoord hij dit naar beste weten heeft gedaan. Er is tijdens de verhoren van [naam medeverdachte] door de verhorende opsporingsambtenaren enige druk op [naam medeverdachte] uitgeoefend en één verhoor heeft in totaal vele uren geduurd, van ongeoorloofde druk daarbij op [naam medeverdachte] is het hof niet gebleken en evenmin dat [naam medeverdachte] om de verhoren te beëindigen kennelijk wenselijke antwoorden heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002028-12

Uitspraak d.d.: 13 december 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 april 2012 met parketnummer 16-600978-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1989],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 en 18 oktober 2013, 21 november 2013 en 13 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R.I. Takens, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet kan verenigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 5 en/of 6 mei 2011 te

[plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld

en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een

andere feitelijkheid bestaande [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan

van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, namelijk het door verdachte en/of zijn mededader(s) :

- één of meermalen betasten / wrijven over de/een (boven)be(e)n(en) en/of

heupen, in elk geval van / over diverse plaatsen van het lichaam van die

[aangeefster], en/of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de mond van die

[aangeefster], en/of

- één of meermalen slaan met de penis in het gezicht, in elk geval tegen het

hoofd van die [aangeefster], en/of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de vagina van die

[aangeefster],

en het geweld en andere feitelijkhe(i)d(en) en de bedreiging met geweld en de

bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) hebbende bestaan uit het meermalen,

althans eenmaal,

ondanks dat die [aangeefster] aan hem / hen kenbaar maakte dat zij niet (verder)

wilde, doorgaan met één of meer (van de voorgenoemde) seksuele handeling(en)

en/of het creëren van een bedreigende situatie voor die [aangeefster], onder meer

door:

- die [aangeefster] een klap te geven, en/of

- achter die [aangeefster] te staan en/of daarbij een mes/vijl/briefopener, in elk

geval een scherp voorwerp, te houden/halen tegen/langs de nek/hals van die

[aangeefster] en/of (daarbij) tegen die [aangeefster] te zeggen : "geef me een kusje",

althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- één of meermalen (terwijl die [aangeefster] op bed lag) (gedurende enige tijd) die

[aangeefster] vast te pakken en/of vast te houden bij de schouders en/of arm(en),

en/of (terwijl die [aangeefster] aldus werd vastgehouden) haar broek en/of

onderbroek uit te trekken, en/of daarbij te zeggen tegen zijn mededader(s) :

"steek 'm er in dan" en/of tegen die [aangeefster] : "ik ben toch bij je schatje,

het komt goed" en/of "doe maar rustig, ik ben bij je", en/of "werk gewoon

mee" in elk geval (telkens) woorden van gelijke aard of strekking, en/of

(vervolgens, terwijl die [aangeefster] tegenstribbelde) één of meermalen met de

penis de vagina van die [aangeefster] te penetreren, en/of

- één of meermalen met een/de hand(en) het hoofd van die [aangeefster] vast te

houden en/of (daarbij de haren van die [aangeefster] vast te houden en/of aan die

haren te trekken) en/of (telkens) (met kracht) tegen het (achter)hoofd van

die [aangeefster] te duwen en/of (aldus) die [aangeefster] te dwingen om hem en/of zijn mededader(s) te pijpen, en/of

- op die [aangeefster] te gaan zitten en/of daarbij te zeggen dat die [aangeefster] niet

wegkon (omdat verdachte en/of zijn mededader 90 kilo woog), en/of

- de keel/hals van die [aangeefster] vast te pakken en/of in die keel/hals te

knijpen en/of

- ( aldus) misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht (veroorzaakt door onder andere de lichamelijke verschillen tussen

hem en/of zijn mededader(s) en/of het getalsmatige overwicht van verdachte

en/of zijn mededader(s) tegenover die [aangeefster]).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

In hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte.

De raadsman heeft zijn standpunt onderbouwd door er op te wijzen dat de aangifte van [aangeefster] in strijd met de regeling "Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangeefster, getuigen en verdachten" als gevolg van technische problematiek niet valt te beluisteren. Om deze reden heeft een deskundige, prof. dr. van Koppen - die op verzoek van de verdediging en in opdracht van het hof van betrouwbaarheidsonderzoek zou verrichten - zijn opdracht moeten teruggeven. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat bij het beluisteren van de auditieve opnamen van het informatieve gesprek van aangeefster [aangeefster] en de politieverhoren van de medeverdachte/getuige [medeverdachte] is gebleken dat sprake is van een groot aantal verschillen tussen de opnamen en de uitgewerkte processen verbaal. Dit betreft een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Bovendien blijkt uit de auditieve opnamen van het informatieve gesprek met [aangeefster] dat de verbalisanten - in strijd met de beginselen van de goede procesorde - ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend op aangeefster om aangifte te doen.

Nu sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat het voorgaande dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Het hof overweegt als volgt.

Ten gevolge van een technisch mankement zijn de opnamen van de aangifte van [aangeefster] niet goed gelukt of niet goed opgeslagen. Dit moet worden aangemerkt als een onherstelbaar verzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu het daartoe strekkend voorschrift van het College van Procureurs Generaal er mede toe strekt de rechter en anderen bij het strafproces betrokkenen kennis te laten nemen van de wijze van verhoor en van alle factoren en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van een getuige in het algemeen en meer in het bijzonder van de geloofwaardigheid van specifieke onderdelen van een verklaring. De waarneming van de registratie van een verhoor kan meer informatie opleveren dan die welke uit de schriftelijke weergave daarvan valt te putten. Het beluisteren en/of bekijken van een verhoor kan bovendien van belang zijn voor de beoordeling van de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden en meer in het bijzonder of ongeoorloofde druk op de gehoorde werd uitgeoefend.

Van enige kwade intentie is in dit geval niet gebleken.

Voor de beoordeling van voormeld verzuim is van belang op te merken dat vorenbedoelde aanwijzing geen bepaling bevat voor een geval als het onderhavige.

Het hof heeft kennis genomen van alle registraties van de in deze zaak gehouden verhoren en stelt vast dat de van de verhoren opgemaakte processen-verbaal in het algemeen telkens een getrouwe weergave bevatten van hetgeen op die registraties is waar te nemen.

Aan dit oordeel doen niet af de enkele onnauwkeurigheden die het hof in het bijzonder waar het betreft de weergave van het verhoor van [medeverdachte] heeft aangetroffen.

Alles afwegend is het hof van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering van dit verzuim.

Ongeoorloofde pressie op [aangeefster] tot het doen van aangifte

Het hof is van oordeel dat van ontoelaatbare druk om aangifte te doen op [aangeefster] geen sprake is geweest; veeleer hebben de verbalisanten [aangeefster] argumenten pro en contra aangifte doen voorgehouden en dat is toelaatbaar.

Het hof ziet geen reden voor enigerlei sanctie.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman de volgende verweren gevoerd - samengevat weergegeven - :

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaringen van aangeefster; bewijsuitsluiting

De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster is niet overeenkomstig artikel 6 EVRM te toetsen. De verdediging wijst op de overwegingen in de EHRM arresten Kostovski (NJ 1990, 245 r.o. 42), het Unterpertinger-arrest (NJ 1988, 745, par 31), het Lüdi-arrest (NJ 1993, 711, par 49) en het Vidgen-arrest van 10 juli 2012 (EHRM nr 29353/06) en jurisprudentie van de Hoge Raad (o.a. HR 29 januari 2013, LJN BX5539, met conclusie AG Vellinga).

 de verdediging heeft aangeefster [aangeefster] noch tijdens de procedure in eerste aanleg, noch in hoger beroep als getuige kunnen horen op een afdoende en passende wijze, nu de getuige telkens heeft geweigerd om op relevante onderdelen antwoord te geven, en op open vragen.

 er is niet gebleken van een aanvaardbare reden voor de getuige om niet te hoeven te verklaren.

 de geboden compensatie is niet toereikend gebleken. De deskundige die in opdracht van het hof betrouwbaarheidsonderzoek heeft gedaan houdt de mogelijkheid van een alternatief scenario open en cruciaal bewijs, de aangifte, is niet te beluisteren dan wel ondeugdelijk opgemaakt.

 de verklaring van aangeefster vindt voor wat betreft de kern (onvrijwilligheid en dwang) niet dan wel in onvoldoende mate steun in overig bewijsmateriaal.

Gelet op het voorgaande dient de verklaring van aangeefster van het bewijs te worden uitgesloten.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd – kort weergegeven – als volgt.

1.

De herkenning door aangeefster [aangeefster] van verdachte als degene die op 5-6 mei 2011 met haar seksuele handelingen heeft verricht, die mede bestonden uit het binnendringen van haar lichaam, is - om verschillende redenen - onbetrouwbaar. Zo heeft [aangeefster] verdachte op 5 mei 2011 voor het eerst ontmoet, was haar contact met verdachte toen kortstondig, was sprake van een komen en gaan van jongens in de woning, was het donker op de slaapkamer, en was aangeefster onder invloed van sterke drank. Ook de getuige-deskundige [getuige-deskundige] heeft in zijn rapportage van 1 oktober 2013 kritische kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van de herkenning van verdachte door [aangeefster], die de naam van verdachte na de gebeurtenissen heeft opgezocht en gevonden op internet, op de Hyves-pagina van [medeverdachte].

2.

De belastende verklaring van aangeefster [aangeefster] vindt geen, dan wel onvoldoende, steun in de verklaringen van medeverdachte/getuige [medeverdachte]. [medeverdachte] kampte ten tijde van zijn verhoren met psychische problemen. Voorts zijn in het bijzonder zijn belastende verklaringen van het verhoor op 22 juni 2011, gelet op de zeer lange duur van dat verhoor en de verhoormethode die daarbij door de politie is gebruikt, onbetrouwbaar. In hoger beroep is [medeverdachte] als getuige teruggekomen op zijn verklaringen van 22 juni 2011.

Ook de getuige-deskundige [getuige-deskundige] heeft in zijn rapportage en ter zitting in hoger beroep vraagtekens geplaatst bij de gebruikte verhoormethode.

3.

De belastende verklaringen van aangeefster [aangeefster] vinden geen, dan wel onvoldoende steun in andere getuigenverklaringen en in de rapportages van het NFI over de onderzoeken van aangetroffen DNA-materiaal. Uit de NFI-rapportages blijkt dat er rekening mee moet worden gehouden dat het aangetroffen DNA-materiaal mogelijk afkomstig is van een ander, in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man en/of een onbekend aantal mannen die niet aantoonbaar verwant zijn maar toch beschikken over hetzelfde Y-chromosomale DNA-profiel. In dit verband heeft verdachte aangevoerd dat hij regelmatig samen met zijn neven op bezoek ging bij medeverdachte [medeverdachte].

4.

Voorzover moet worden aangenomen dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht met aangeefster [aangeefster] wordt betwist dat sprake was van dwingen. De feiten en omstandigheden met betrekking tot 30 april 2011 en 5 mei 2011 zoals deze blijken uit het dossier en de eigen verklaringen van aangeefster [aangeefster] roepen vraagtekens op ten aanzien van de door [aangeefster] gestelde onvrijwilligheid. Het feit dat aangeefster op 5 mei 2011 is teruggegaan naar de woning van [medeverdachte] en de wijze waarop zij daar de dan aanwezige jongens heeft begroet valt niet te rijmen met haar bewering dat zij op 30 april 2011 door meerdere van die jongens in die woning zou zijn verkracht. Voorts is na 5-6 mei 2011 uit lichamelijk onderzoek bij [aangeefster] niet gebleken van enig toegepast geweld. Ernstig rekening moet worden gehouden met de kans dat [aangeefster] seksuele handelingen vrijwillig heeft ondergaan en later, ingegeven door spijt, schaamte of vrees voor beschadiging van haar band met ouders of vrienden, de situatie heeft verdraaid. Uit het dossier blijkt dat [aangeefster] door haar omgeving, waaronder haar ouders en enkele vriendinnen, werd aangezet om aangifte te gaan doen.

5.

Er is niet voldaan aan het kenbaarheidsvereiste. Nergens blijkt dat de inhoud van de gevoerde MSN-gesprekken kenbaar zijn geweest voor verdachte.

6.

Er kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld – ook niet, dan wel juist niet, op grond van het rapport van de deskundige E. Rasssin naar aanleiding van het door hem uitgevoerde betrouwbaarheidsonderzoek – dat het alternatieve, vrijwillige, scenario niet van toepassing is. Nu het alternatieve scenario bepaald niet denkbeeldig is en in de zaak veel aspecten zitten die aannemelijk maken dat het vrijwillige scenario zich heeft voorgedaan, dient verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de verweren overweegt het hof als volgt.

Ten aanzien van de bruikbaarheid van de verklaringen van aangeefster.

Aangeefster [aangeefster] is ten overstaan van de rechter-commissaris, van de rechtbank en ten slotte ten overstaan van het hof als getuige gehoord.

Bij de rechter-commissaris heeft getuige [aangeefster] enige details beschreven van hetgeen haar overkomen zou zijn. Zij heeft echter slechts in beperkte mate de haar gestelde vragen kunnen of willen beantwoorden.

Bij haar verhoor door en ten overstaan van de rechtbank heeft getuige [aangeefster] uitvoerig en gedetailleerd verklaard. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende open vragen stelde. Het hof oordeelt dat het weliswaar de voorkeur verdient voor de beoordeling van de betrouwbaarheid hetgeen een getuige verklaart aanvankelijk open vragen te stellen en dat men bij het stellen van een vraag steeds zo min mogelijk informatie verstrekt. Gelet op de omstandigheden bij het verhoor van [aangeefster] acht het hof het verhoor van [aangeefster] echter adequaat uitgevoerd. Alles afwegend moet geoordeeld worden dat de raadsman van verdachte in voldoende mate zijn bevragingsrecht heeft kunnen uitoefenen.

In hoger beroep heeft [aangeefster] nagenoeg geen vragen kunnen of willen beantwoorden. Zij heeft verklaard aan een PTSS syndroom te lijden dat na een aanvankelijke remissie weer is teruggekeerd. In een schrijven van 11 oktober 2013 van J.M. Versteeg, GZ-psycholoog, wordt vermeld dat [aangeefster] heeft aangegeven last te hebben van slaapproblemen, terugkerende en opdringende herinneringen aan de gebeurtenis, nachtmerries, dissociaties, verminderde belangstelling voor activiteiten, een gevoel van vervreemding, concentratieproblemen, angstklachten en sterke schrikreacties, welke symptomen behoren tot de diagnose PTSS. Het noodgedwongen moeten oproepen van traumatische herinneringen is, aldus Versteeg, een trigger voor het recidiveren van een PTSS.

Het hof is op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de indruk die het hof van de getuige [aangeefster] ter zitting heeft gekregen en op grond van hetgeen [aangeefster] bij die gelegenheid daarover heeft verklaard tot het oordeel gekomen dat het, in verband met de ernstige psychische schade die dreigde te ontstaan wanneer [aangeefster] (opnieuw) inhoudelijk zou gaan verklaren over welke seksuele en andere handelingen haar waren overkomen, alleszins aanvaardbaar moet worden geacht dat [aangeefster] ten overstaan van het hof slechts een beknopte verklaring heeft willen of kunnen afleggen.

Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom: [aangeefster] heeft tweemaal ten overstaan van een rechter inhoudelijk verklaard over hetgeen haar blijkens haar aangifte is overkomen. De mate waarin [aangeefster] heeft verklaard is zodanig dat bij die twee gelegenheden in onderlinge samenhang beschouwd de raadsman van verdachte in voldoende mate zijn ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen en [aangeefster] in het bijzonder tijdens het verhoor ten overstaan van de rechtbank in voldoende mate heeft geantwoord. Dit oordeel leidt ertoe dat artikel 6 EVRM op zich niet in de weg staat aan het gebruik als bewijsmiddel van hetgeen [aangeefster] tijdens haar aangifte en verhoren heeft verklaard.

Met betrekking tot de verklaringen van [aangeefster] oordeelt het hof dat die verklaringen betrouwbaar zijn, dat wil zeggen overeenstemmend met hetgeen [aangeefster] overeenkomstig de werkelijkheid heeft waargenomen. Zij kunnen voor het bewijs worden gebezigd.

De als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van [aangeefster] worden in voldoende mate bevestigd en/of ondersteund door een of meer andere bewijsmiddelen.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de overige verweren

De overige verweren lenen zich verder voor een gezamenlijke bespreking.

Het hof acht de herkenning door [aangeefster] van verdachte wel betrouwbaar en bezigt deze voor het bewijs.

De als bewijsmiddel opgenomen verklaringen van [aangeefster] acht het hof betrouwbaar, dat wil zeggen inhoudend een juiste weergave van een waarneming van hetgeen in werkelijkheid kon worden waargenomen. De als bewijsmiddel gebezigde verklaringen van [aangeefster] worden in voldoende mate bevestigd en/of ondersteund door een of meer andere bewijsmiddelen.

Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat voor verdachte kenbaar is geweest dat [aangeefster] gedwongen werd tot (het ondergaan van) seksuele handelingen.

Met betrekking tot hetgeen [medeverdachte] tijdens zijn politieverhoren heeft verklaard is het hof, na beoordeling van de van de verhoren gemaakte opnamen tot het oordeel gekomen dat deze in het algemeen op juiste wijze in het proces-verbaal worden vermeld, behoudens die onderdelen van verklaringen waarvan het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een onjuiste weergave. Die onjuistheden zijn, gelet op de uitgebreidheid van het verhoor slechts van geringe betekenis en zijn door de vaststelling door het hof gecorrigeerd.

Het hof heeft door het waarnemen van de audiovisuele opnamen van de verhoren van [medeverdachte] kunnen vaststellen dat de daarvan opgemaakte processen-verbaal voor het overige een goede zakelijke weergave bevatten hetgeen door [medeverdachte] is verklaard. Weliswaar is [medeverdachte] veelvuldig en uitgebreid voorgehouden hetgeen door [aangeefster] was verklaard, het hof heeft de overtuiging bekomen dat voor zover [medeverdachte] die vragen heeft beantwoord hij dit naar beste weten heeft gedaan. Er is tijdens de verhoren van [medeverdachte] door de verhorende opsporingsambtenaren enige druk op [medeverdachte] uitgeoefend en één verhoor heeft in totaal vele uren geduurd, doch van ongeoorloofde druk daarbij op [medeverdachte] is het hof niet gebleken en evenmin dat [medeverdachte] om de verhoren te beëindigen kennelijk wenselijke antwoorden heeft gegeven. [medeverdachte] geeft tijdens het langdurige verhoor zelf duidelijk aan dat hij op zich opening van zaken wil geven maar daarbij geen namen van andere betrokkenen wil noemen.

[medeverdachte] is als getuige ter zitting van het hof gehoord en toen teruggekomen op hetgeen eerder door hem bij de politieverhoren was verklaard. [medeverdachte] heeft geen geloofwaardige en betrouwbare indruk op het hof gemaakt voor zover hij is teruggekomen op hetgeen eerder door hem was verklaard dan wel heeft aangegeven zich bepaalde gebeurtenissen niet meer te kunnen herinneren.

Voor zover het hof de door [medeverdachte] bij de politie afgelegde verklaringen voor het bewijs bezigt is het hof overtuigd dat daarin wordt gerelateerd wat [medeverdachte] heeft waargenomen zoals zich dat in werkelijkheid voor deed. Anders gezegd, alhoewel [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting niet geloofwaardig heeft verklaard tast dit niet de geloofwaardigheid aan van zijn verklaringen die het hof voor het bewijs bezigt.

Het hof is van oordeel dat het door gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde ook voor het overige wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 5 en/of 6 mei 2011 te

[plaats][plaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld

en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een

andere feitelijkheid artikeltje eigenlijk [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan

van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel

binnendringen van het lichaam, namelijk het door verdachte en /of zijn mededader(s) :

- één of meermalen betasten / wrijven over de/een (boven)be(e)n(en) en/of

heupen, in elk geval van / over diverse plaatsen van het lichaam van die

[aangeefster], en/of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de mond van die

[aangeefster], en/of

- één of meermalen slaan met de penis in het gezicht, in elk geval tegen het

hoofd van die [aangeefster], en /of

- één of meermalen brengen en/of houden van de penis in de vagina van die

[aangeefster],

en het geweld en andere feitelijkhe(i)d(en) en de bedreiging met geweld en de

bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) hebbende bestaan uit het meermalen,

althans eenmaal,

ondanks dat die [aangeefster] aan hem / hen kenbaar maakte dat zij niet (verder)

wilde, doorgaan met één of meer (van de voorgenoemde) seksuele handeling(en)

en /of het creëren van een bedreigende situatie voor die [aangeefster], onder meer

door:

- die [aangeefster] een klap te geven, en/of

- achter die [aangeefster] te staan en/of daarbij een mes/vijl/briefopener, in elk

geval een scherp voorwerp, te houden/halen tegen/langs de nek/hals van die

[aangeefster] en/of (daarbij) tegen die [aangeefster] te zeggen : "geef me een kusje",

althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- één of meermalen (terwijl die [aangeefster] op bed lag) (gedurende enige tijd) die

[aangeefster] vast te pakken en/of vast te houden bij de schouders en/of arm(en),

en/of (terwijl die [aangeefster] aldus werd vastgehouden) haar broek en /of

onderbroek uit te trekken, en/of daarbij te zeggen tegen zijn mededader(s) :

"steek 'm er in dan" en/of tegen die [aangeefster] : "ik ben toch bij je schatje,

het komt goed" en/of "doe maar rustig, ik ben bij je", en/of "werk gewoon

mee" in elk geval (telkens) woorden van gelijke aard of strekking, en /of

(vervolgens, terwijl die [aangeefster] tegenstribbelde) één of meermalen met de

penis de vagina van die [aangeefster] te penetreren, en /of

- één of meermalen met een/de hand(en) het hoofd van die [aangeefster] vast te

houden en/of (daarbij de haren van die [aangeefster] vast te houden en/of aan die

haren te trekken) en /of (telkens) (met kracht) tegen het (achter)hoofd van

die [aangeefster] te duwen en /of (aldus) die [aangeefster] te dwingen om hem en/of zijn mededader(s) te pijpen, en/of

- op die [aangeefster] te gaan zitten en /of daarbij te zeggen dat die [aangeefster] niet

wegkon (omdat verdachte en/of zijn mededader 90 kilo woog), en/of

- de keel /hals van die [aangeefster] vast te pakken en /of in die keel/hals te

knijpen en /of

- (aldus) misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht (veroorzaakt door onder andere de lichamelijke verschillen tussen

hem en/of zijn mededader(s) en/of het getalsmatige overwicht van verdachte

en / of zijn mededader(s) tegenover die [aangeefster]).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

verkrachting door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat verdachte terzake van het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van de periode die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- .

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van verkrachting van een zeventienjarig meisje, meermalen gepleegd.

Hij heeft samen met anderen het meisje - op een slaapkamer in de woning van de jongen op wie het slachtoffer verliefd was - door middel van gebruikmaking van geweld en door misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht gedwongen om tegen haar wil seksuele handelingen te ondergaan, die mede bestonden uit het meermalen seksueel binnendringen.

Verkrachting betreft een zeer ernstig zedendelict. Door de tenlastegelegde, en thans bewezenverklaarde, feiten te plegen heeft verdachte samen met anderen de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van zedenmisdrijven als de onderhavige over het algemeen nog langdurig de negatieve gevolgen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. Dit geldt ten aanzien van onderhavig feit in het bijzonder, gelet op de brute en vernederende wijze waarop het tenlastegelegde en bewezenverklaarde door verdachte is gepleegd.

Uit de inhoud van schriftelijke slachtofferverklaring die door het slachtoffer is ingebracht tijdens haar procedure en uit de toelichting van haar raadsvrouw blijkt dat dit ook hier geldt. Ten tijde van de procedure in hoger beroep staat het slachtoffer reeds geruime tijd onder behandeling wegens psychische problematiek.

Het hof is gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit van oordeel dat bij de strafoplegging geen andere straf in aanmerking komt dan een vrijheidsbenemende straf.

Volgens de oriëntatiepunten van de LOVS (landelijk overleg van de voorzitters van de straf sectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken) is in het geval van één verkrachting - afhankelijk van een aantal factoren zoals de leeftijd van het slachtoffer, de frequentie, het aantal daders, de ernst en mate van het toegepaste geweld en de gevolgen voor het slachtoffer, - in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden een passende sanctie.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt het hof rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 7 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld terzake van een soortgelijke strafbare feit.

Voorts houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de inhoud van een de verdachte betreffend rapport van de reclassering van mw H. van Benthem van 19 oktober 2011 en een rapportage van drs F.C.P. Zuidhof, GZ-psycholoog, van 7 november 2011 waaruit blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan psychologisch onderzoek.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Gelet op in het bijzonder de ernst van het gepleegde feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf van de door de rechtbank opgelegde duur.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot betaling (als voorschot) van een schadevergoeding ad € 5.724,18. Deze vordering is opgebouwd uit de schadepost materiële schade ad € 724,18 en immateriële schade ad € 5.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.753,68.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering en haar vordering nader onderbouwd en aangevoerd dat de immateriële schade veel hoger blijkt te zijn dan bij het instellen van de vordering begroot.

In eerste aanleg heeft de raadsman verweer gevoerd overeenkomstig hetgeen dienaangaande door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep als volgt is samengevat:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te

worden afgewezen nu verdachte moet worden vrijgesproken. Indien de rechtbank het feit

wel bewezen acht, dan in ieder geval forse matiging van het bedrag, nu de vordering mede

gebaseerd is op 30 april 2011. Daarnaast zet de raadsman zijn vraagtekens bij de

schadeposten als vervangende kleding en toekomstige reiskosten.

Hoewel de raadsman zich in hoger beroep niet opnieuw over de gestelde schade heeft uitgelaten neemt het hof aan dat hij het door hem in eerste aanleg ingenomen standpunt handhaaft.

Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de vordering en maakt die tot de hare en neemt het over. Dit oordeel luidt als volgt:

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. [aangeefster] maakt geen onderscheid tussen de schade veroorzaakt door de gebeurtenissen op 30 april 2011 en die op 5 mei 2011. Dit onderscheid moet echter wel worden gemaakt. De materiële schadeposten behoeven niet te worden gesplitst, maar de immateriële schadeposten wel. Omdat de immateriële schade voor meerdere soortgelijke feiten wordt gevraagd zal deze schade voor de helft worden toegerekend aan de gebeurtenissen op 30 april 2011 en voor de andere helft aan de gebeurtenissen op 5 mei 2011. De materiële schade wordt begroot op € 253,68 (reiskosten, niet vergoede zorgkosten en telefoonkosten) en de immateriële schade zal als voorschot worden toegewezen tot een

bedrag van € 2.500.

De vordering zal derhalve (als voorschot) worden toegewezen tot een totaalbedrag van

€ 2.753,68. Verdachte is aansprakelijk voor die schade.

Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk (zijnde onder

andere een bedrag van € 156,90 ter zake van vervangende kleding en € 313,60 ter zake van

toekomstige reiskosten). Die schadeposten zijn niet eenvoudig te beoordelen en het zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren om dit nader te laten uitzoeken of onderbouwen, Voor zover de vordering ter zake van de materiële schade uitgaat boven het ter zake van die schade toegewezen bedrag kan de daarop betrekking hebbende vordering worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 47, 57, 242 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.753,68 (tweeduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 253,68 (tweehonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangeefster], een bedrag te betalen van € 2.753,68 (tweeduizend zevenhonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 253,68 (tweehonderddrieënvijftig euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mr F.W.J. den Ottolander en mr J.M.J. Denie, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 13 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.