Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9557

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
21-005288-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:CA0219, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:119, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schietpartij na ripdeal te Utrecht. Doodslag en poging tot doodslag (meermalen). Beroep op noodweer. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat er op enig moment voor verdachte sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan, zodat niet aan de aan een noodweersituatie te stellen eisen is voldaan. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005288-13

Uitspraak d.d.: 17 december 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 16 mei 2013 met parketnummer 16-701248-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1980],

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 15 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen één of meer kogel(s) in en/of door de borstkas, althans het lichaam, van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2:
hij op of omstreeks 15 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen één of meer kogel(s) naar en/of in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3:
hij op of omstreeks 15 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapens van categorie III, te weten een [(semi-)automatisch] pistool en/of munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)n(en) (kaliber.45), voorhanden heeft gehad.

4:
hij op of omstreeks 16 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 472,88 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 4

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe in het bijzonder dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat op grond waarvan bewezen kan worden dat de in de woning van verdachte aangetroffen hasj van hemzelf was, dan wel dat hij, voor zover de hasj van een ander was, wetenschap heeft gehad of had moeten hebben van de aanwezigheid van die hasj.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op of omstreeks 15 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een vuurwapen één of meer kogel(s) in en/of door de borstkas, althans het lichaam, van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2:
hij op of omstreeks 15 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, met een vuurwapen één of meer kogel(s) naar en/of in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3:
hij op of omstreeks 15 juli 2012 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapens van categorie III, te weten een [(semi-)automatisch] pistool en/of munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)n(en) (kaliber.45), voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III.

Beroep op noodweer

Namens verdachte is een beroep gedaan op noodweer.

Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat de handelingen van verdachte noodzakelijk waren ter verdediging van zijn eigen of een andermans lichaam tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor.

Vaststaande feiten

In het kader van het beroep op noodweer gaat het hof uit van de onderstaande lezing van de feiten:

- [medeverdachte 1] is op 15 juli 2012 samen met [medeverdachte 2] en [slachtoffer] uit het portiek van de flat aan de [adres] te [plaats] naar buiten gelopen, waarbij [slachtoffer], met in zijn hand uitsluitend een ‘bigshopper’-tas van de Albert Heijn,

voorop liep;

  • -

    [verdachte] is met een doorgeladen wapen (semi-automatisch en kaliber .45) in zijn hand uit de blauwe Seat Ibiza gekomen;

  • -

    Op enig moment is er uit een raam van de flat aan de [adres] te [plaats] geschreeuwd. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wat de daadwerkelijke bewoordingen van het geschreeuw zijn geweest en wanneer [verdachte] dit geschreeuw gehoord heeft;

  • -

    Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] zijn bewapend als zij uit het portiek van de flat aan de [adres] komen. [medeverdachte 1] was in het bezit van een doorgeladen pistool kaliber 9mm;

  • -

    Op enig moment toen [verdachte] tegenover de drie personen stond, die uit de flat aan de [adres] te [plaats] naar buiten zijn gekomen, heeft hij iets geroepen, waarin tweemaal het woord “liggen” voorkwam. Op basis van de bewijsmiddelen zijn de precieze bewoordingen niet vast te stellen (in het dossier wordt zowel melding gemaakt van de woorden “ga liggen”, dan wel “laat liggen”, welke bewoordingen verschillend kunnen worden geduid).

  • -

    [verdachte] heeft tenminste eenmaal geschoten in de richting van de drie personen die uit de flat aan de [adres] te [plaats] naar buiten zijn gekomen;

  • -

    Toen [medeverdachte 1] voor de portiekdeur van de flat aan de [adres] te [plaats] stond, heeft hij tenminste eenmaal in de richting van [verdachte] geschoten;

  • -

    [slachtoffer] is om het leven gekomen door een kogel afkomstig uit het wapen van

[verdachte];

- Nadat [slachtoffer] door de kogel was geraakt en was neergevallen, zijn zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] weggerend.

Voorts wordt overwogen

Het hof kan op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen - noch op basis van het forensisch onderzoek, noch op basis van de verklaringen van de getuigen en de medeverdachten - niet vaststellen in welke volgorde er is geschoten. Op grond hiervan kan het hof eveneens niet vaststellen wie als eerste een schot heeft gelost noch hoe de schotenwisseling zich daarna heeft ontwikkeld.

Lezing verdachte

In het kader van het beroep op noodweer heeft verdachte bij de politie, in eerste aanleg en ter terechtzitting van het hof – samengevat – als volgt verklaard.

Terwijl hij in de auto zat, kreeg hij een telefoontje. Van wie weet hij niet en evenmin wat er gezegd werd, wel was de toon dreigend. Op het moment dat [slachtoffer], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] via de deur van het portiek van de flat aan de [adres] te [plaats] naar buiten kwamen, was verdachte met een pistool in zijn hand uit de auto gekomen. Over wat hij toen zag, heeft [verdachte] wisselend verklaard. Zijn laatste versie bij het hof is dat [slachtoffer] voorop liep en dat hij meteen toen de drie personen naar buiten kwamen, aan de kant ging. Verdachte zag toen twee mannen met getrokken pistolen die in zijn richting schoten. Hij voelde een kogel langs zijn oor suizen en hij werd door een kogel in zijn been geraakt. Op nagenoeg hetzelfde moment heeft verdachte geroepen dat ze moesten gaan liggen. Verdachte heeft teruggeschoten. [slachtoffer] is nabij het stukje grasveld neergevallen en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn weggerend.

Conclusie hof

In de verklaring van verdachte, zoals ook verwoord door zijn raadsman in eerste aanleg en in hoger beroep, ligt het verweer besloten dat hij heeft geschoten enkel en alleen omdat er op hem werd geschoten door de personen die uit de flat kwamen.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [verdachte] heeft geschoten omdat op hem werd geschoten.

Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen:

  1. De door verdachte gegeven lezing(en) van de gebeurtenissen worden noch gedragen door forensisch bewijs noch door verklaringen van getuigen en/of medeverdachten, waaronder de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], die heeft verklaard dat verdachte als eerste op hen heeft geschoten, waarbij hij voorts heeft ontkend zelf met getrokken pistool naar buiten te zijn gekomen;

  2. Het dossier bevat verder geen aanknopingspunten op basis waarvan het hof de lezing van verdachte op zichzelf aannemelijker moet achten dan de lezing van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die inhouden dat hij ([verdachte]) als eerste heeft geschoten.

Gelet hierop is naar het oordeel van het hof uit de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden dat er op enig moment voor verdachte sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of dreiging daarvan, zodat niet aan de aan een noodweersituatie te stellen eisen is voldaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geeist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.

De meervoudige strafkamer in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is op 15 juli 2012 voor het portiek van de flat aan de [adres] te [plaats] een gewapende confrontatie aangegaan met een groep vluchtende overvallers. Tijdens deze schietpartij heeft verdachte in de richting van deze groep geschoten, waarbij hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten. Het doodschieten van [slachtoffer] vond plaats op zeer korte afstand, vroeg in de avond en op de openbare weg. Hetzelfde geldt voor het schieten op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Diverse omwonenden en voorbijgangers zijn ongewild getuige geweest van deze schietpartij, hetgeen hen zeer angstige momenten heeft bezorgd. Het is niet denkbeeldig dat zij hiervan traumatische gevolgen hebben ondervonden. Het hof rekent het de verdachte derhalve zwaar aan dat het schietincident in het openbaar is begaan.

Bovendien heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer veel leed berokkend. Uit de slachtofferverklaring van de vader van [slachtoffer] blijkt het immense verdriet waarmee hij tot op de dag van vandaag te kampen heeft. Dit leed dient te worden vergolden. Het opzettelijk benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De rechtsorde wordt door dergelijke feiten ernstig geschokt. Voor zo’n feit komt alleen een vrijheidsstraf van lange duur in aanmerking. Het hof merkt voorts op dat de vrijspraak ter zake van feit 4 ten opzichte van de ernst van de bewezenverklaarde feiten bij het bepalen van de straf van zeer ondergeschikte betekenis is geweest.

Alles afwegende acht het hof, evenals de rechtbank, voor de gepleegde feiten een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren passend en geboden.

Beslag

Het hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1, 2 en 3 begane feit aangetroffen. Het behoort aan verdachte toe en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.913,15. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden nu hij de hoogte ervan niet gemotiveerd heeft betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.992,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden nu hij de hoogte ervan niet gemotiveerd heeft betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- hasj.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- twee telefoons.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.913,15 (elfduizend negenhonderddertien euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 11.913,15 (elfduizend negenhonderddertien euro en vijftien cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 94 (vierennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.992,00 (drieduizend negenhonderdtweeënnegentig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 3.992,00 (drieduizend negenhonderdtweeënnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 (negenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr J.P. Bordes, voorzitter,

mr B.J.J. Melssen en mr A.J. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr E.C.M. Steeghs, griffier,

en op 17 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.