Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9495

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
24-03-2014
Zaaknummer
200.122.487
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Afwijking an ouderschapsplan. Deels toepassing nieuwe richtlijnen kinderalimentatie, zorgkorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.122.487

(zaaknummer rechtbank Zutphen 131532)

beschikking van de familiekamer van 12 december 2013

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. R. Cohen te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.J. Scholten te Zutphen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zutphen van 28 november 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 26 februari 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 14 mei 2013;

- een journaalbericht van mr. Scholten van 18 juli 2013 met bijlagen, ingekomen op 19 juli 2013;

- een journaalbericht van mr. Cohen van 22 juli 2013 met bijlage, ingekomen op 24 juli 2013.

2.2

De minderjarige [kind 1] heeft bij brief, ingekomen op 2 juli 2013, aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 1 augustus 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen. De vrouw werd bijgestaan door haar advocaat.

2.4

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof binnengekomen een journaalbericht van mr. Scholten met bijlagen van 12 augustus 2013, ingekomen op

13 augustus 2013.

3 De vaststaande feiten

3.1

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen de man en de vrouw echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking was ten tijde van de mondelinge behandeling bij dit hof nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum]1997,

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] 1999, en

- [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2001,

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij ouderschapsplan, getekend op respectievelijk 9 en 12 november 2012, hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt over de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de kinderalimentatie vastgesteld overeenkomstig hetgeen partijen zijn overeengekomen. Het ouderschapsplan maakt deel uit van de bestreden beschikking.

3.5

De man, geboren op [geboortedatum] 1966, woont samen met [A], die in eigen levensonderhoud voorziet.

De man is in dienst bij Calco Software Development BV.

Het bruto jaarloon van de man in het jaar 2012 bedraagt blijkens de cumulatieven van de salarisspecificatie van december 2012 € 72.000,-. Dit loon dient te worden verminderd met de fiscaal belaste bijtelling privégebruik auto van de zaak van € 6.935,82 in dat jaar blijkens genoemde salarisspecificatie. De door de werkgever afgedragen bijdrage ZVW bedroeg in dat jaar € 3.555,-.

3.6

De niet betwiste lasten van de man bedragen per maand:

- € 390,89 aan ziektekosten in 2012:

- € 102,84 premie basisverzekering ZVW,

- € 41,05 premie aanvullende verzekering,

- € 296,- aan door de werkgever afgedragen bijdrage ZVW,

- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW van € 49,- per maand voor een alleenstaande.

- € 110,06 aan ziektekosten in 2013:

- € 102,84 premie basisverzekering ZVW,

- € 42,22 premie aanvullende verzekering,

- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 35,- per maand voor een alleenstaande.

3.7

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1969, vormt met de kinderen van partijen een gezin.

Het belastbare loon van de vrouw bedraagt volgens de jaaropgaven 2011 in dat jaar

€ 18.597,- bij Zorggroep Sint Maarten en € 7.982,- bij Den Bouw. Volgens de jaaropgaaf 2012 bedraagt het belastbare loon van de vrouw € 26.796,- in dat jaar bij Zorggroep Sint Maarten. De door de werkgever ingehouden bijdrage ZVW bedraagt in dat jaar € 1.777,-. De vrouw ontvangt kindgebonden budget.

3.8

De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 626,- aan huur;

- € 162,84 aan ziektekosten in 2012:

- € 102,84 premie basisverzekering ZVW,

- € 148,- aan door de werkgever afgedragen bijdrage ZVW,

- verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel

premie ZVW van € 49,- per maand voor een alleenstaande en de zorgtoeslag

van € 39,-.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.2

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw de volgende bedragen zal betalen: met ingang van 11 september 2012 tot 1 december 2012 een bedrag van € 425,- per kind per maand, in december 2012 een bedrag van € 440,- per kind, in januari 2013 een bedrag van € 432,- per kind en met ingang van februari 2013 een bedrag van € 440,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat deze alimentatie voor het eerst met ingang van 1 januari 2014 van rechtswege wordt verhoogd met de voor dat jaar geldende wettelijke indexering.

4.3

De man is met één grief in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van

28 november 2012. Deze grief ziet op de behoefte van de kinderen, zijn eigen draagkracht en die van de vrouw.

4.4

Het hof zal de grief per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking wat betreft de aan hem opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te vernietigen, en te bepalen dat de bijdrage wordt gesteld op nihil met ingang van 11 september 2012, of op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht. Volgens de man voldoet de aan hem opgelegde bijdrage niet aan de wettelijke maatstaven.

5.2

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het beroep te verwerpen. Volgens de vrouw is de man niet-ontvankelijk in zijn beroep, omdat hij het met de reeds in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure berekende kinderalimentatiebedragen eens was en hij het ouderschapsplan heeft ondertekend waarin deze bedragen zijn opgenomen. Voor zover de man meent dat de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen niet meer juist is, dient de man een wijzigingsverzoek bij de rechtbank in te dienen, aldus de vrouw.

5.3

Dit betoog van de vrouw faalt. De onderhavige procedure betreft een eerste vaststelling in rechte van de kinderalimentatie. De rechter die de kinderalimentatie daarbij vaststelt oordeelt daaromtrent zelfstandig met inachtneming van de wettelijke maatstaven, zonder hierbij te zijn gebonden aan wat de ouders hierover onderling zijn overeengekomen. Dit betekent dat de rechter van een overeenkomst ter zake kinderalimentatie, zoals in dit geval vastgelegd in artikel 7.1 van het ouderschapsplan, kan afwijken, ook zonder dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden of van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het hof zal aan de hand van de stellingen van partijen de behoefte en de draagkracht beoordelen.

Behoefte 2012

5.4

De man betwist dat de behoefte van de kinderen € 440,- per kind per maand bedraagt. Hij stelt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving van partijen € 4.500,- per maand bedroeg, hetgeen volgens hem leidt tot een behoefte van de kinderen van in totaal € 1.300,- per maand.

5.5

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van de kinderen de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2012 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van (thans:) de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders ten tijde van hun samenwoning dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is.

5.6

Het gezamenlijk netto gezinsinkomen bedroeg ten tijde van de samenwoning onweersproken € 4.500,- per maand. Gesteld noch gebleken is dat het huidig netto inkomen van de man hoger is dan dit gezinsinkomen. Op basis van de tabel 2012 berekent het hof de behoefte van de kinderen aan een bijdrage van hun ouders op € 1.320,- per maand, ofwel

€ 440,- per kind per maand. De grief van de man faalt.

Draagkracht

5.7

De man stelt voorts dat hij geen draagkracht heeft voor de hem opgelegde bijdrage, dat de vrouw ook dient bij te dragen in de behoefte van de kinderen en dat de opgelegde bijdrage tot een onbillijke uitkomst leidt, temeer nu volgens hem ten aanzien van [kind 2] en [kind 3] sprake is van co-ouderschap. Het hof zal een en ander hierna voor verschillende perioden beoordelen.

5.8

Het hof overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. Het hof zal dan ook hierna ieders draagkracht vaststellen.

Draagkracht man 2012

5.9

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te betalen. Hij stelt dat zijn inkomen € 68.281,- bruto per jaar is (ofwel € 3.626,- netto per maand inclusief vakantiegeld).

Na aftrek van zijn woonlasten van € 790,- per maand en ziektekosten van € 102,- per maand, de kosten van de zorgregeling van € 200,- per maand en de aflossing van de schuld aan de DSB Bank met € 206,- per maand, aan Flanderijn & Van Eck met € 150,- per maand en aan [B] met € 500,- per maand, resteert volgens de man geen draagkracht.

5.10

De vrouw heeft hetgeen de man heeft aangevoerd gemotiveerd weersproken.

5.11

Partijen zijn het er ter mondelinge behandeling over eens geworden dat het hof bij de berekening van de draagkracht van de man dient uit te gaan van de salarisspecificatie van december 2012.

Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de man tot 16 november 2012 een huurlast van € 600,- per maand deelde met zijn partner, zodat het hof tot die datum met een bedrag van

€ 300,- aan de zijde van de man rekening zal houden. Met ingang van 16 november 2012 zal het hof rekening houden met € 395,- per maand, de helft van het huurbedrag van € 790,- per maand. Dit bedrag acht het hof, gelet op de hoogte van het inkomen van de man zoals hiervoor onder 3.5 genoemd en gezien de gezinssamenstelling van de man, niet onredelijk.

Ter mondelinge behandeling is ten aanzien van de door de man opgevoerde schulden gebleken dat de man in september en oktober 2012 € 150,- per maand heeft afgelost op de schuld aan Flanderijn & Van Eck en € 26,82 per maand op de schuld aan de DSB Bank. De schuld aan [B] is reeds op 28 mei 2012 volledig afgelost, hetgeen de man ter mondelinge behandeling heeft erkend. Vanaf november 2012 heeft de vrouw de aflossing op de schulden aan Flanderijn & Van Eck en de DSB Bank overgenomen.

5.12

Ten aanzien van de kosten van de zorgregeling overweegt het hof dat ter mondelinge behandeling is gebleken dat in de periode tot 1 januari 2013 alleen [kind 3] omgang heeft gehad met de man, en wel voor de helft van de tijd. Uitgaande van het forfaitaire bedrag van € 5,- per dag, berekent het hof de kosten voor de zorgregeling in die periode op € 75,- per maand. Het hof ziet geen aanleiding om vanwege het co-ouderschap af te wijken van deze forfaitaire berekening, mede gelet op het feit dat ter zitting is gebleken dat de vrouw het overgrote deel van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen voor haar rekening neemt.

5.13

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man voor het overige uit van de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.14

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.15

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen in verband met artikel 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijkelijk over alle kinderen voor wie de man onderhoudsplichtig is, nu gesteld noch gebleken is dat die behoefte verschillend is.

5.16

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man, inclusief fiscaal voordeel, met ingang van 11 september 2012 tot november 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 1.497,- per maand. In de periode van november 2012 tot januari 2013 heeft de man draagkracht voor een bijdrage van € 1.571,- per maand.

Draagkracht vrouw 2012

5.17

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uit van de hiervoor onder 3.7 en 3.8 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.18

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt het hof rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting en de door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De vrouw heeft, naast het kindgebonden budget, recht op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de alleenstaande ouderkorting. Op grond van de inkomensgegevens van de vrouw zoals onder 3.7 zijn weergegeven, komt zij in aanmerking voor zorgtoeslag. Het hof becijfert deze toeslag in 2012 op basis van de op de website van de belastingdienst voorkomende “Proefberekening toeslagen” op € 39,- per maand. Het hof houdt rekening met deze bedragen. Het kindgebonden budget bedraagt in 2012 € 176,- per maand.

5.19

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de vrouw voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 70. Het hof verdeelt de aldus berekende draagkracht gelijkelijk over alle kinderen voor wie de vrouw onderhoudsplichtig is, nu gesteld noch gebleken is dat die behoefte verschillend is.

5.20

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw met ingang van 11 september 2012 tot november 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 411,- per maand. In de periode november 2012 tot januari 2013 heeft de vrouw draagkracht voor een bijdrage van € 287,- per maand.

5.21

Verdeling van de behoefte van de kinderen van € 440,- per kind per maand naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man met ingang van 11 september 2012 tot november 2012 een bijdrage van € 1.036,- per maand, ofwel € 345,- per kind per maand, en met ingang van november 2012 tot januari 2013 van € 1.116,- per maand dient te leveren, ofwel € 372,- per kind per maand.

Wijziging van omstandigheden in 2013

5.22

De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij van eind februari 2013 tot mei 2013 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Ziektewet en voorts dat hij met ingang van 15 mei 2013 ontslag heeft genomen, waardoor hij sindsdien geen inkomen meer heeft uit arbeid en evenmin een uitkering ontvangt.

5.23

De man heeft dit betoog niet met stukken gestaafd en hij heeft de mogelijkheid om door tussenkomst van zijn advocaat zijn standpunt alsnog met bescheiden te onderbouwen, niet benut. Het hof zal dan ook, nu de wederpartij de juistheid van de stellingen van de man heeft betwist, geen rekening houden met een eventuele inkomensachteruitgang aan de zijde van de man en ook in de periode 2013 uitgaan van het salaris van de man zoals dat blijkt uit de salarisspecificatie van december 2012.

5.24

De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat haar inkomen in 2013 lager uitvalt dan in 2012 omdat zij in 2013 minder uren krijgt en minder avonddiensten heeft. Het hof is van oordeel dat de vrouw dit betoog voldoende heeft onderbouwd aan de hand van haar salarisspecificaties van april en juni 2013. Uit deze salarisspecificaties, vergeleken met die van april en juni 2012, blijkt immers dat de vrouw weliswaar ongeveer hetzelfde aantal dagen per maand heeft gewerkt, maar dat haar belastbaar loon per maand in 2013 beduidend lager was dan in 2012 doordat de uitbetalingen uit hoofde van de posten “onr. toeslag” en “extra uren” in het jaar 2013 tot dusverre beduidend lager waren dan deze in het jaar 2012 zijn geweest. Naar verder blijkt uit de cumulatieven op de loonstrook van juni 2012 bedroeg het “loon LH” tot en met die maand € 12.671,97, terwijl uit de cumulatieven van de loonstrook van juni 2013 blijkt dat het “loon LH” tot en met deze maand nog slechts

€ 10.022,25 bedraagt. Afgezet tegen het belastbare loon van de vrouw van € 26.796,- zoals vermeld op de jaaropgaaf 2012, gaat het hof in redelijkheid uit van een belastbaar loon van de vrouw over 2013 van € 21.193,- (= [€ 10.022,25 : € 12.671,97] x € 26.796).

5.25

Op grond van de inkomensgegevens van de vrouw zoals hiervoor weergegeven, komt zij in aanmerking voor zorgtoeslag en huurtoeslag. Het hof becijfert deze toeslagen in 2013 op basis van de op de website van de belastingdienst voorkomende “Proefberekening toeslagen” op € 72,- per maand aan zorgtoeslag en € 244,- per maand aan huurtoeslag.

5.26

Ter zitting is voorts komen vast te staan dat per januari 2013 en per mei 2013 de frequentie van de omgang van de man met [kind 2] is gewijzigd. Van januari 2013 tot mei 2013 heeft [kind 2] de helft van de tijd bij de man doorgebracht. Vanaf mei 2013 verblijft [kind 2] een weekend per veertien dagen bij de man.

5.27

De Expertgroep Alimentatienormen heeft in februari 2013 nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie gepubliceerd. Gelet op de door de Expertgroep aanbevolen overgangsregeling en gezien het feit dat er vanaf januari 2013 respectievelijk mei 2013 sprake is van een wijziging van omstandigheden, zal het hof over de periode vanaf 1 januari 2013 de behoefte volgens de nieuwe richtlijnen vaststellen en over de periode vanaf 1 mei 2013 tevens de draagkracht volgens de nieuwe richtlijnen beoordelen.

Behoefte 2013

5.28

Overeenkomstig voormelde nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen beschouwt het hof bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2013 het kindgebonden budget als een bijdrage in de behoefte van de kinderen. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen dient daarom te worden vermeerderd met het kindgebonden budget voor zover partijen daarop ten tijde van hun huwelijk recht hadden. Vervolgens dient de behoefte van de kinderen aan de hand van de tabel te worden bepaald. Ten slotte dient het kindgebonden budget na het uiteengaan van partijen te worden berekend en te worden afgetrokken van de behoefte van de kinderen. Wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen.

5.29

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen ten tijde van hun uiteengaan € 4.500,- per maand bedroeg. Gelet op het inkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan, gaat het hof ervan uit dat zij op dat moment geen aanspraak konden maken op het kindgebonden budget. Aan de hand van de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2012 die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen, stelt het hof de behoefte van de kinderen aan een bijdrage van hun ouders, geïndexeerd naar 2013, vast op € 1.342,- per maand, ofwel afgerond € 447,- per kind per maand. Hierop dient het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt in mindering te worden gebracht.

5.30

Ten behoeve van de berekening van het kindgebonden budget waarop de vrouw in 2013 aanspraak kan maken, gaat het hof uit van het hiervoor onder 5.24 vermelde, in redelijkheid vastgestelde belastbaar loon van de vrouw over 2013 van € 21.193,-. De vrouw kan bij dit inkomen aanspraak maken op een kindgebonden budget van € 183,- per maand, dat wil zeggen afgerond € 61,- per kind per maand. Gelet op de genoemde uit de tabel afgeleide bedragen bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen - rekening houdend met het kindgebonden budget - afgerond € 386,- per kind per maand in de periode vanaf januari 2013.

Draagkracht man en vrouw januari 2013 tot mei 2013

5.31

In de periode januari 2013 tot mei 2013 hebben [kind 3] en [kind 2] de helft van de tijd bij de man doorgebracht (terwijl [kind 1] in deze periode de man slechts zo nu en dan heeft bezocht zonder daar te blijven slapen, zo bleek ter zitting). Uitgaande van het normbedrag van € 5,- per kind per dag (zie ook het ter zake overwogene in rov. 5.12), stelt het hof de totale zorgkosten in deze periode vast op € 150,- per maand.

5.32

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties hiervan heeft de man inclusief fiscaal voordeel met ingang van januari 2013 tot mei 2013 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 1.606,- per maand.

5.33

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de vrouw met ingang van januari 2013 tot mei 2013 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 214,- per maand.

5.34

Verdeling van de behoefte van de kinderen van € 386,- per kind per maand (€ 1.158,- totaal) naar rato van ieders draagkracht betekent dat de man met ingang van januari 2013 tot mei 2013 een bijdrage van € 1.022,- per maand dient te leveren, ofwel € 340,- per kind per maand.

Draagkracht man en vrouw vanaf mei 2013

5.35

Overeenkomstig de hiervoor genoemde nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen en gelet op het hiervoor onder 5.27 overwogene, zal het hof het bedrag aan draagkracht van elk der ouders vanaf mei 2013 vaststellen aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

5.36

Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor vermelde financiële gegevens en overwegingen, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

5.37

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt de man geacht in 2013 een netto besteedbaar inkomen te hebben van € 3.363,- per maand. Ingevolge de draagkrachttabel 2013 bedraagt de draagkracht van de man daarmee 70% x [€ 3.363 -/- (0,3 x € 3.363 + € 850)] = € 1.053,- per maand.

5.38

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden wordt de vrouw geacht in 2013 een netto besteedbaar inkomen te hebben van € 1.571,- per maand. Ingevolge de draagkrachttabel 2013 bedraagt de draagkracht van de vrouw daarmee 70% x [€ 1.571 -/- (0,3 x € 1.571 + € 850)] = € 250,- per maand.

5.39

Resumerend: de draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 250,- per maand; de draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.053,- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 205,- per maand, dus in totaal € 1.258,- per maand.


5.40 Het eigen aandeel van elk der ouders in de kosten van de kinderen moet vervolgens worden berekend naar rato van ieders draagkracht, en wel als volgt:

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 1.258 / € 1.508 x € 1.158 = € 966,- per maand;

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 250 / € 1.508 x € 1.158 = € 192,- per maand;

samen: € 1.158,- per maand.

5.41

Naar ter zitting is gebleken, verblijft sedert mei 2013 [kind 3] de helft van de tijd bij de man en [kind 2] een weekend per twee weken (terwijl er met [kind 1] sedertdien geen contact is). Ingevolge de nieuwe richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen leidt dit vanaf mei 2013 tot een zorgkorting van 15% van € 386,- = € 58,- per maand ten aanzien van [kind 2] en tot een zorgkorting van 35% van € 386,- = € 135,- per maand ten aanzien van [kind 3].

5.42

Het eigen aandeel van de man bedraagt € 322,- per kind per maand en dient voor [kind 2] en [kind 3] te worden verminderd met de hiervoor vermelde zorgkorting van € 58,- respectievelijk € 135,-, zodat de man vanaf mei 2013 dient te voldoen:

- voor [kind 1] € 322,- per maand;

- voor [kind 2] € 264,- per maand;

- voor [kind 3] € 187,- per maand.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt de grief ten dele. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als hierna vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan de uit het huwelijk geboren kinderen betreft.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van de draagkracht van partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zutphen van 28 november 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal betalen:

- vanaf 11 september 2012 tot november 2012 een bedrag van € 345,- per kind per maand;

- vanaf november 2012 tot januari 2013 een bedrag van € 372,- per kind per maand;

- vanaf januari 2013 tot mei 2013 een bedrag van € 340,- per kind per maand en

- vanaf mei 2013 voor [kind 1] een bedrag van € 322,-, voor [kind 2] een bedrag van € 264,- en voor [kind 3] een bedrag van € 187,- per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.J. Laurentius-Kooter en B.F. Keulen en is op 12 december 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.