Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9492

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
200.134.669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling na verzoek van schuldeiser om faillissement schuldenaar. Extreme schuldenlast. (Ex-)ondernemer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Bb 2014/20.1

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.134.669

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/347849)

arrest van de eerste civiele kamer van 12 december 2013

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. B.F. van Noort.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 25 november 2013.

1.2

Het hof heeft kennisgenomen van de brief van 2 december 2013 met bijlagen van
mr. Van Noort.

1.3

Ingevolge voornoemd tussenarrest is de mondelinge behandeling voortgezet op
5 december 2013, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Noort.

1.4

Vervolgens heeft het hof wederom arrest bepaald.



2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het hof blijft bij hetgeen het in het tussenarrest van 25 november 2013 heeft overwogen. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

2.2

Aan de orde is of (gezien artikel 288 lid 1 aanhef en onder b van de Faillissementswet, hierna: Fw) voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

2.3

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.
In oktober 2008 is het dienstverband van [appellant] bij zijn werkgever Beheersmaatschappij Floris B.V., welk bedrijf deel uitmaakte van de Geeris Groep, geëindigd wegens bedrijfs-economische omstandigheden. [appellant] was ruim een jaar eerder bij Floris in dienst getreden nadat hij zijn onderneming aan Floris had verkocht tegen een koopsom van 1,6 miljoen, welk bedrag eerst twee jaar later betaald hoefde te worden (zie rechtsoverweging 3.1.2 van het tussenarrest van 25 november 2013). Mede uit eigen belang, namelijk opdat hij eind juni 2009 betaling van de koopsom van 1,6 miljoen zou krijgen, heeft [appellant] van eind 2008 tot begin 2009 (onbetaald) onderzoek gedaan naar de eind 2008 bekend geworden fraude binnen de Geeris Groep en zich aldus ingespannen om betaling van de door Floris aan hem verschul-digde koopsom te krijgen. In april 2009 heeft [appellant] voor zijn verslavingsproblematiek en burn-outklachten in het buitenland een behandeling ondergaan, voor welke behandeling - die niet (volledig) door zijn verzekeraar werd vergoed - hij geld heeft geleend. Tot dan toe was hem door Floris en/of de Geeris Groep bij herhaling meegedeeld dat hij eind juni 2009 betaling van de koopsom van 1,6 miljoen tegemoet kon zien en had hij met Floris/Geeris Groep een goede verstandhouding. Eenmaal teruggekeerd in Nederland na afronding van zijn medische behandeling kreeg [appellant] onverwachts te horen dat Floris/Geeris Groep in betalings-problemen verkeerde en de verschuldigdheid van de koopsom betwistte. [appellant] moest toen gaan procederen om betaling te verkrijgen. [appellant] heeft in dat verband verschillende procedures gevoerd, tot in 2012, waarbij onder meer vaststellingsovereenkomsten zijn getekend die door Floris niet zijn nagekomen. In 2011 is Floris failliet gegaan.

In 2011 heeft [appellant] met de belastingdienst een vaststellingsovereenkomst getroffen (betreffende [appellant] in privé, [naam Holding], [naam Management B.V.] en [naam Holding] voor alle belastingsoorten tot en met 2010). Daarbij zijn geen vergrijpboetes, doch alleen verzuimboetes voor te late betaling opgelegd.

[appellant] heeft sinds 2009 geld geleend bij vrienden, familie en [naam Holding] om de belastingdienst (een preferente schuldeiser), zijn adviseurs (accountants en advocaten) en de rente betreffende de lening van Fortis ASR voor de gezinswoning te betalen en om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te kunnen voorzien. Dit betreft de in het tussenarrest onder 3.1.9 genoemde schulden b, c, f, j, k, l, m en n. [appellant] is tot aan de aanvraag van zijn faillissement door [naam levensverzekeringsmaatschappij] steeds in overleg geweest met zijn schuldeisers om te proberen tot een regeling te komen, waarbij hij met behulp van leningen van familie en vrienden de schuldeisers zou kunnen afkopen. Aan deze pogingen is door de aanvraag van zijn faillissement een einde gekomen.

Betreffende de overweging in het bestreden vonnis dat [appellant] ter zitting heeft gezegd dat hij “de grote jongen” wilde uithangen met zijn bestedingen, heeft [appellant] in hoger beroep verklaard dat deze uitlating (zij het genuanceerder dan in het bestreden vonnis is weergegeven) betrekking had op de periode 2006-2008. Hij heeft daaraan toegevoegd dat sinds in 2008 de financiële crisis begon, hij uitgaven heeft verricht en financiële verplichtingen is aangegaan die in het zicht van wat komen ging (de 1,6 miljoen euro koopsom) verantwoord waren en dat zijn inkomen niet aan (overmatige) consumptie is besteed, maar aan noodzakelijke kosten (belastingdienst, adviseurs, rente en (niet overmatig) levensonderhoud). [appellant] heeft daarbij gesteld dat zijn verplichtingen in Spanje, in 2008 aangegaan na een uitgebreid voortraject in 2007, betrekking hadden op een gezamenlijke investering in grond (met het oog op woningbouw) en dat hij deze investeringen in 2009 heeft stopgezet, omdat hij zich, gezien de ontstane situatie, geen investeringen meer kon permitteren.

Blijkens de overgelegde verklaring van zijn coach heeft [appellant] sinds zijn behandeling in 2009 geen verslavingsklachten meer en is hij sedertdien bij deze coach in behandeling.

[appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat hij in 2009 en daarna geen privé-leningen meer is aangegaan bij [naam Holding]Zijn schuld aan [naam Holding] is opgelopen door rente. In verband met die schuld dreigt een belastingaanslag begroot op € 345.000,- (al meegerekend in de in het tussenarrest bij a. genoemde schuld), die nog moet worden opgelegd wanneer als gevolg van zijn faillissement of toelating tot de wettelijke schuldsaneneringsregeling vast komt te staan dat hij de lening aan [naam Holding] niet zal kunnen terugbetalen.

2.4

Alles overziend is het hof van oordeel dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. [appellant] heeft aannemelijk gemaakt dat hij er tot in 2009 redelijkerwijs van mocht uitgaan dat hij de koopsom van Floris zou ontvangen, dat zijn financiële situatie pas echt problematisch is geworden doordat hij de koopsom medio 2009 niet ontving en dat hij, gezien de situatie op dat moment, te goeder trouw leningen bij vrienden en familie is aangegaan teneinde met behulp van advocaten en adviseurs alsnog betaling te verkrijgen en zoveel mogelijk zijn lopende financiële verplichtingen te kunnen nakomen. [appellant] heeft ook aannemelijk gemaakt dat hij met zijn schuldeisers steeds open heeft gecommuniceerd over zijn situatie en dat hij in/sinds 2009, toen bleek dat de koopsom mogelijk niet betaald zou worden, zijn bestedingen heeft verminderd en heeft geprobeerd met zijn schuldeisers een oplossing voor de gerezen betalingsproblemen te vinden. [appellant] heeft ten slotte aannemelijk gemaakt dat hij met de in de periode van vijf jaar aangegane schulden grotendeels reeds betaalde schulden heeft afgelost en geen onverantwoorde (hem zwaarder belastende) nieuwe verplichtingen is aangegaan.

2.5

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is gebleken is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden, dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en dat hij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, een en ander als in artikel 288 lid 1 aanhef en onder a en c Fw vereist voor toewijzing van het verzoek van [appellant].

2.6

Het hof heeft zich de vraag gesteld of het karakter van de wettelijke schuldsanerings-regeling zich niet verzet tegen toelating van een schuldenaar als [appellant], die door zakelijke ondernemingen en (in het verlengde daarvan) in privé verrichte investeringen een schuldenlast van extreme omvang heeft opgebouwd, hoezeer hij daarbij ook te goeder trouw geweest moge zijn en/of de betreffende schulden buiten de vijfjaarstermijn zijn ontstaan.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt evenwel dat de wetgever welbewust geen grens heeft willen stellen aan de omvang van de schuldenlast, wat meebrengt dat ook (ex-)ondernemers met extreem hoge schulden in beginsel, als aan de voorwaarden is voldaan, kunnen worden toegelaten. Het hof leidt daaruit af dat [appellant] niet de toegang tot de schuldsaneringsregeling kan worden ontzegd uitsluitend op de grond dat zijn schulden te hoog zijn.

Wel overweegt het hof dat het gelet op de extreme omvang van de schuldenlast voor de hand ligt om de duur van de schuldsaneringsregeling te verlengen tot vijf jaar. [appellant] heeft immers een aanzienlijke verdiencapaciteit en aldus kan worden bewerkstelligd dat [appellant] binnen de grenzen van de wettelijke schuldsaneringsregeling een zo groot mogelijk bedrag zal sparen ten behoeve van zijn schuldeisers. Het hof leidt evenwel uit de tekst van de wet, zoals deze sedert 1 januari 2008 luidt, af dat de vraag of er reden is voor een wijziging van de duur van de schuldsaneringsregeling niet (langer) al bij de toelating tot de regeling ter beoordeling staat, maar dat daarover pas later, bij een inhoudelijke beoordeling door (primair) de rechter-commissaris, een beslissing genomen wordt. Het hof zal daarover derhalve thans geen beslissing nemen.

2.7

Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en beslissen als volgt.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 september 2013, en, opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant].

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, H. Wammes en A.S. Gratama, en is op
12 december 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.