Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9313

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
200.135.460-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 800 lid 3 RV. Behandeling ter zitting kon niet worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.135.460/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/129696 / FJ RK 13-1021)

beschikking van de familiekamer van 3 december 2013

inzake

[appellante]

[verblijfplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. drs. G.A.S. Maduro, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

Bureau Jeugdzorg Friesland,

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: BJZ,

verweerster in hoger beroep.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.J.G. Schroeder, kantoorhoudende te Voorburg.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 september 2013 (verder te noemen: de bestreden beschikking), gewezen onder voormeld zaaknummer, is voor zover hier van belang machtiging tot uithuisplaatsing in een 24-uursvoorziening verleend ten behoeve van de minderjarige [kind], geboren [in 2005] (verder te noemen: [kind]), met ingang van de dag van die beschikking voor de duur van vier weken.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen op 11 oktober 2013, heeft de moeder het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [kind] weer moet worden teruggebracht bij zijn vader dan wel dat de moeder weer in staat wordt gesteld voor [kind] te zorgen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen op 13 november 2013, heeft BJZ het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot ongegrond verklaring van het appelschrift met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3

Bij brief van 31 oktober 2013 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) zijn rapport van 16 augustus 2013 aan het hof doen toekomen.

2.4

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder de brief met bijlagen van mr. Maduro van 8 november 2013 en het faxbericht/journaalbericht (met bijlagen) van mr. Schroeder van 20 november 2013.

2.5

De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 22 november 2013. Verschenen zijn de advocaat van de moeder en namens BJZ [namens BJZ] (jurist) en [namens BJZ] (gezinsvoogd). BJZ heeft het woord gevoerd aan de hand van ter zitting overgelegde pleitaantekeningen.

3 Feiten en achtergronden

3.1

Uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder zijn [kind] voornoemd en zijn broertje [kind 2] (2006) geboren. De ouders hebben, toen zij nog in Curaҫao woonden, hun relatie in 2010 verbroken.

3.2

In 2011 zijn de vader en de moeder afzonderlijk van elkaar naar Nederland gekomen. De vader is in [woonplaats] gaan wonen en heeft daar een nieuwe relatie gekregen.

3.3

De moeder en [kind] wonen sinds [2011] in [woonplaats]. In oktober 2012 is ook [kind 2] naar Nederland gekomen en bij de moeder, die alleen is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen, gaan wonen.

3.4

De raad heeft in de zomer van 2012 een onderzoek naar de opvoedingssituatie van [kind] afgesloten met de conclusie dat vrijwillige hulpverlening naar verwachting toereikend zal zijn om de zorgen over de kinderen te keren. In november 2012 zijn de zorgen over de kinderen verergerd en is vanuit de (vrijwillige) hulpverlening een zogenoemd 'drangtraject' gestart, omdat de moeder onvoldoende meewerkte. In december 2012 werd ongeoorloofd schoolverzuim van [kind] geconstateerd. Bovendien bleek [kind] een achterstand te hebben waarvoor speciaal onderwijs, cluster 2 onderwijs, geïndiceerd was. [kind] vertoonde daarbij op school agressief en seksueel grensoverschrijdend gedrag, volgens de raad veroorzaakt door een ontwikkelingsachterstand, het overvraagd worden, de wisseling van cultuur van Curaҫao naar Nederland en de zorgelijke opvoedingssituatie bij de moeder thuis.

3.5

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2013 is op verzoek van de raad de voorlopige ondertoezichtstelling van [kind] uitgesproken voor de duur van drie maanden. De moeder is daarop in maart 2013 met [kind] bij haar broer ingetrokken zonder de gezinsvoogdijinstelling BJZ daarover te informeren. Broertje [kind 2] werd door de moeder, tijdens de van kracht zijnde voorlopige ondertoezichtstelling, alleen op het vliegtuig gezet naar zijn oma in de Dominicaanse Republiek.

3.6

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 maart 2013 is - zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden - een machtiging verleend tot plaatsing van [kind] in een crisisopvang voor de duur van vier weken.

3.7

De raad heeft kort daarna, na afronding van zijn onderzoek, op 5 april 2013 een verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ingediend bij de kinderrechter.

3.8

Bij beschikking van 8 april 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] verlengd met ingang van 13 april 2013 tot 14 juni 2013 en de zaak voor het overige aangehouden. Die beschikking is in hoger beroep bekrachtigd.

3.9

Begin mei 2013 is [kind] bij de niet met het gezag belaste vader en zijn vriendin in [woonplaats] komen wonen per 6 juni 2013 op basis van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing, die laatstelijk is verlengd bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2013, met ingang van 6 september 2013 tot 6 juni 2014.

3.10

De moeder is in augustus 2013 samen met haar [in 2013] geboren derde kind naar Curaҫao vertrokken.

3.11

Bij de hier bestreden beschikking van 23 september 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, - zonder verhoor van belanghebbenden - op verzoek van de raad een machtiging tot plaatsing van [kind] verleend in een
24-uursvoorziening, voor de duur van vier weken. Daartoe is zeer kort gezegd overwogen dat ook de opvoedingssituatie bij de vader ontoereikend is gebleken. Hiertegen richt zich het onderhavige hoger beroep van de moeder.

3.12

De moeder heeft in haar beroepschrift één grief aangevoerd, inhoudende kort gezegd dat ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] is verleend, die uiteen valt in twee onderdelen. Allereerst voert de moeder aan dat de kinderrechter niet bevoegd was om op het verzoek te beslissen en daarnaast vindt de moeder de motivering voor de machtiging tot uithuisplaatsing ook inhoudelijk ontoereikend.

3.13

De vader heeft er blijkens de stukken voor gekozen om bij het hof Den Haag hoger beroep in te stellen tegen de bestreden beschikking. Wel heeft de vader in de onderhavige procedure een incident ex art. 220 Rv opgeworpen en verzocht de zaak te verwijzen naar het hof Den Haag.

4 De motivering van de beslissing


De bevoegdheid en ontvankelijkheid in hoger beroep

4.1

Op grond van artikel 60, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie oordelen de hoven over de daarvoor vatbare beschikkingen van de rechtbanken van hun ressort. Nu het onderhavig hoger beroep van de moeder is gericht tegen een beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, is het hof derhalve bevoegd daarvan kennis te nemen. Het verzoek van de vader tot verwijzing naar het hof Den Haag zal dan ook worden afgewezen.

4.2

Het hof is voorts niet gebleken van beletselen om de moeder in haar hoger beroep te ontvangen. Zo is weliswaar in artikel 807 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de mogelijkheid van hoger beroep tegen een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesloten, maar een vergelijkbare bepaling ontbreekt voor de hier in geschil zijnde (voorlopige) machtiging tot uithuisplaatsing. Voorts is weliswaar de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels verstreken en is de moeder naar Curaҫao vertrokken onder achterlating van [kind], maar acht het hof desondanks aannemelijk dat de moeder voldoende belang heeft bij een inhoudelijke toetsing van de rechtmatigheid van die maatregel. Namens de moeder is in dit verband desgevraagd toegelicht dat de moeder de gang van zaken onrechtmatig vindt en zij daarover een rechterlijk oordeel wil met het oog op eventuele vervolgstappen.

De relatieve bevoegdheid in eerste aanleg

4.3

De moeder heeft in haar beroepschrift de relatieve bevoegdheid van de kinderrechter in eerste aanleg, voor het eerst, aan de orde gesteld. Nu de moeder niet de gelegenheid heeft gehad die relatieve bevoegdheid in eerste aanleg aan de orde te stellen - de bestreden beschikking is immers niet voorafgegaan door een verhoor van belanghebbenden -, acht het hof het toelaatbaar dat de moeder zulks voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan en zal het hof zich daarover uitlaten.

4.4

Ingevolge artikel 265 Rv is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

4.5

Op grond van artikel 1:12 BW heeft een minderjarige in beginsel een afhankelijke woonplaats. Dit betekent dat een minderjarige de woonplaats volgt van hem die het gezag over hem uitoefent en indien beide ouders tezamen het gezag uitoefenen, de woonplaats van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft.

4.6

In het onderhavige geval is het hof gebleken dat de moeder, die is belast met het (door de ondertoezichtstelling beperkte) ouderlijk gezag over [kind], sinds augustus 2013 niet meer in Nederland verblijft. Blijkens het verhandelde ter zitting is de moeder in dit verband zonder overleg met BJZ naar Curaҫao vertrokken onder achterlating van [kind] bij de vader, kennelijk daarin in ieder geval op dat moment berustende. Namens de moeder is ter zitting voorts toegelicht dat zij in augustus 2013 het verstrekkende besluit heeft genomen om op Curaҫao te blijven, zij nog steeds in Curaҫao verblijft en dat nog niet duidelijk is of en wanneer zij naar Nederland terug zal keren.

4.7

In die omstandigheden en mede gelet op het feit dat [kind] ten tijde van de bestreden beschikking en het daaraan ten grondslag gelegen verzoek van de raad, reeds geruime tijd op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de niet met het gezag belaste vader verbleef, is het hof van oordeel dat de kinderrechter terecht aansluiting heeft gezocht bij de werkelijke verblijfplaats van de minderjarige bedoeld in het hiervoor aangehaalde artikel 265 Rv, en zich terecht bevoegd heeft geacht kennis te nemen van het verzoek van de raad. Het eerste onderdeel van de grief van de moeder tegen de bestreden beschikking faalt dus.

4.8

Voor zover de moeder zich, in het tweede onderdeel van haar grief, op inhoudelijke gronden heeft gekeerd tegen de bestreden beschikking, overweegt het hof het volgende.

4.9

Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.10

Artikel 800 lid 3 Rv bepaalt, voor zover van belang, dat een beschikking om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlenen alleen dan aanstonds kan worden gegeven indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.

4.11

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat aan voormelde criteria is voldaan. Als gesteld en niet weersproken staat in dit verband vast dat [kind] in de thuissituatie bij de vader na de recente relatiebreuk tussen de vader en zijn nieuwe partner aan zijn lot werd overgelaten. Nu de vader en de moeder, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon zijn verschenen ter zitting van het hof en zij zodoende het hof de mogelijkheid hebben onthouden hen hierover te bevragen en over de manier waarop zij invulling willen geven aan hun ouderlijke verantwoordelijkheden, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de (schriftelijke) toelichting zijdens de raad en BJZ. Het hof merkt hierbij op dat geen van de aanwezigen ter zitting van het hof bekend was met de huidige verblijfplaats van de vader en de bestendigheid daarvan. Het voorgaande betekent dat ook het tweede onderdeel van de grief van de moeder faalt.

5 De slotsom

5.1

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het gerechtshof:



in het incident:
wijst het verzoek van de vader af.

in het principaal appel:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 september 2013 waarvan beroep;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, A.H. Garos en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 december 2013 in bijzijn van de griffier.