Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
200.130.321-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. Vader laat zijn mogelijk (te) groot rechtvaardigheidsgevoel prevaleren boven het belang van de zeer kwetsbare minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.130.321/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/139250/JE RK 13-107)

beschikking van de familiekamer van 3 december 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudende te Amsterdam,

verder te noemen: de stichting,

verweerster in hoger beroep.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.M. Wolfert, kantoorhoudende te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 12 april 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 juli 2013, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en de inleidende verzoeken van de stichting alsnog af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 juli 2013 heeft de Stichting het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek van de vader in hoger beroep met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 augustus 2013, heeft de moeder het verzoek van de vader in hoger beroep bestreden en, eveneens, geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing ervan.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 23 juli 2013 een brief met bijlagen van de Raad voor de Kinderbescherming
(hierna: de raad) van 22 juli 2013;
- op 17 oktober 2013 een brief met bijlage van mr. Spoelstra van 16 oktober 2013.

2.5

De minderjarige [kind], geboren [in 2000] (verder te noemen: [kind]), is door het hof in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de zaak. Bij brief van 18 oktober 2013 heeft hij van die gelegenheid gebruik gemaakt.

2.6

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 8 november 2013. Verschenen zijn de vader en zijn advocaat mr. Spoelstra, mw. Luttikhuizen (gezinsvoogdes) namens de stichting en voorts is de moeder verschenen bijgestaan door haar advocaat mr. Wolfert.

3 Feiten en achtergronden

3.1

[kind] voornoemd is geboren uit het [in 1999]gesloten huwelijk tussen de vader en de moeder.

3.2

Bij beschikking van 16 september 2008 heeft de rechtbank Groningen de echtscheiding tussen de vader en de moeder uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking [in 2008] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

De ouders wilden aanvankelijk een co-ouderschapsregeling maar het is de ouders, vanwege onderlinge meningsverschillen, niet gelukt om daar uitvoering aan te geven. [kind] is kort na de scheiding bij de vader gaan wonen.

3.4

Op verzoek van de raad is [kind] door de kinderrechter, bij beschikking van 16 mei 2012, voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg (BJZ). Bij die beschikking is voorts machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verleend in een
24-uurs opvang met ingang van 16 mei 2012 voor de duur van zes maanden. Daartoe is door de kinderrechter destijds overwogen dat zorgen bestaan over de ontwikkeling van [kind], die volledig klem zit tussen de strijdende ouders. Als gevolg daarvan is bij [kind] sprake van epileptische aanvallen, stress, spanningen, angsten en forse loyaliteitsproblematiek. Verder wordt hij belast met volwassenproblematiek, hetgeen zeer schadelijk is voor zijn emotionele ontwikkeling. Voorts wordt hij in zijn cognitieve ontwikkeling bedreigd en verloopt ook zijn sociale ontwikkeling niet naar behoren, aldus de kinderrechter in die beschikking. Aan de basis van die beschikking ligt het raadsrapport van 1 mei 2012, welk rapport aan het hof is toegezonden bij voormelde brief van 23 juli 2013.

3.5

Bij de hier bestreden beschikking zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling (waarvan de uitvoering door BJZ is opgedragen aan de stichting) en machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] laatstelijk verlengd, met ingang van 16 mei 2013 voor de duur van een jaar. De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de maatregelen zich nog immer voordoen.

3.6

De vader kan zich daarin niet vinden en is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Volgens de vader zijn de maatregelen niet meer in het belang van [kind] omdat het de stichting niet is gelukt hem vooruit te helpen. De vader wijst erop dat [kind] voor zijn uithuisplaatsing bij hem woonde en stelt dat [kind] telkens heeft kunnen rekenen op liefde, zorg en aandacht van de vader. De vader is van mening dat de minderjarige beter af is bij de vader dan in het pleeggezin en vindt het teleurstellend dat de kinderrechter daar niet op in is gegaan. Sinds de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is het volgens de vader alleen maar achteruit gegaan met [kind], zoals bijvoorbeeld blijkt uit intelligentietesten. De vader heeft voorts opgemerkt dat hij part noch deel heeft gehad aan de strijd tussen de ouders. Het is de moeder die steeds de oorzaak van de strijd is geweest en heeft bereikt wat zij kennelijk wilde, namelijk dat [kind] niet meer bij de vader woont. Een sterke indicatie is volgens de vader dat [kind] zelf weer bij de vader wil wonen. De vader heeft er grote moeite mee dat niet aan waarheidsvinding wordt gedaan en dat niet naar hem wordt geluisterd. Hij heeft daarom het contact met [kind] verbroken evenals de samenwerking met de gezinsvoogd. De vader kan zich niet vinden in de ingeslagen weg en wil daarvoor geen enkele verantwoordelijkheid nemen. In de gegeven omstandigheden zijn de maatregelen volgens de vader in strijd met artikel 8 EVRM.

3.7

De stichting heeft het standpunt van de vader gemotiveerd bestreden en acht het niet in het belang van [kind] dat hij terugkeert naar de vader. Daartoe heeft de stichting in zijn verweerschrift en ter zitting onder meer een toelichting gegeven op hetgeen aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [kind] vooraf is gegaan, de persoonlijke (gezondheids)situatie van [kind] en de houding en het gedrag van de vader.

3.8

De moeder heeft het standpunt van de vader eveneens bestreden. Kort samengevat heeft de moeder daartoe opgemerkt dat de vader de strijd blijft opzoeken. De moeder betwist dat het goed ging met [kind] toen hij nog bij de vader woonde en verwijst in dat verband naar hetgeen de stichting daaromtrent heeft opgemerkt in zijn verweerschrift. De moeder is bang dat de strijd in alle hevigheid weer op zal laaien als [kind] terug naar de vader keert en dat de vader als gevolg daarvan de omgang tussen haar en [kind] weer zal dwarsbomen. De moeder betwist niet dat [kind] de vader mist maar dat is volgens de moeder iets anders dan dat hij weer bij de vader wil wonen. De vader heeft sinds mei 2012 het contact met [kind] verbroken. De moeder vindt het standpunt van de vader daarom tegenstrijdig: enerzijds wil hij dat [kind] weer bij hem komt wonen maar anderzijds heeft hij aangegeven dat hij uit de ouderlijke macht ontheven wil worden en houdt hij het contact met [kind] af.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het hof overweegt dat voor het antwoord op de vraag of de in geding zijnde maatregelen van kinderbescherming dienen te worden verlengd, beoordeeld dient te worden of de gronden voor de maatregelen zich nog voordoen.

4.2

Een ondertoezichtstelling kan worden uitgesproken indien de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.3

Een machtiging tot uithuisplaatsing is een uit de ondertoezichtstelling voortvloeiende maatregel die kan worden opgelegd wanneer dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.4

Maatregelen als de onderhavige maken naar hun aard inbreuk op het gezinsleven (family life) bedoeld in onder meer artikel 8 EVRM, maar kunnen gerechtvaardigd zijn wanneer bijvoorbeeld de gezondheid en/of het geestelijk welzijn van de minderjarige dat vorderen.

4.5

Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van maatregelen als de onderhavige, dient het belang van de minderjarige tot uitgangspunt te worden genomen mede gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het hof dient bij zijn beoordeling van de maatregelen voorts uit te gaan van de actuele situatie, ook wel ex nunc toetsing genoemd.

4.6

Het hof wil voorop stellen dat ter zitting op 8 november 2013 een voorzichtig positieve ontwikkeling is gebleken in die zin dat de vader en [kind] elkaar na afloop van de zitting, voor het eerst in anderhalf jaar, weer zouden ontmoeten. [kind] heeft de wens uitgesproken contact met de vader te hebben maar de vader heeft dat tot nu toe afgehouden dan wel verbonden aan bepaalde voorwaarden. Het hof juicht deze toenadering toe maar vindt het nog te pril om daar in deze procedure doorslaggevende betekenis aan toe te kennen, mede gelet op de uitspraak van de vader dat hij de bestendigheid van dat contact laat afhangen van de uitkomst van deze procedure en nog achter zijn beslissing staat uit mei 2012 om het contact te verbreken.

4.7

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof in dit verband gebleken dat [kind] ernstige schade heeft opgelopen in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en deels ook in zijn cognitieve ontwikkeling in de thuissituatie door met name de strijd tussen zijn ouders. Het hof is niet gebleken dat in de onderlinge verhouding tussen de ouders enige verbetering is gekomen. De vader legt nog steeds alle schuld dan wel oorzaak bij de moeder neer en vice versa. Daarbij reageert met name de vader uiterst rigide op de uithuisplaatsing van [kind] zonder rekening te houden met de wensen en gevoelens van [kind]. Het hof acht dat uitermate zorgelijk.

4.8

[kind] verkeert in een loyaliteitsconflict doordat hij onvoldoende ruimte en vrijheid ervaart in de contacten met beide ouders en hij functioneert daardoor cognitief op een lager niveau dan in aanleg bij hem past. Daarbij is bij [kind] sprake van epilepsie waarbij de aanvallen uitgelokt worden door spanningen. De epilepsie heeft zich voor het eerst gemanifesteerd in april 2010. In verband daarmee is [kind] van 4 oktober 2011 tot 15 december 2011 opgenomen geweest op de observatieafdeling voor jongeren van het epileptiecentrum SEIN (Stichting Epilepsie Instellingen Nederland), voor het in kaart brengen van de uitlokkende factoren en de daarop af te stemmen behandeling. In het eindadvies van december 2011 is door SEIN onder meer geconcludeerd dat [kind] in aanleg een gezonde jongen is, maar dat hij in nood zit door met name onduidelijkheid over zijn positie en de strijd tussen zijn ouders. SEIN heeft daarom in het eindadvies geconcludeerd dat [kind] het beste af zou zijn bij plaatsing in een (vervangend) gezinshuis. Naar aanleiding van dat advies heeft de vader destijds aangegeven dat het beter voor [kind] zou zijn als hij niet meer bij de vader zou wonen. In januari 2012 is [kind] tijdelijk naar de J.P. van den Bent Stichting gegaan en op 27 december 2012 is [kind] geplaatst in een gezinshuis te Onstwedde van De Zijlen.

4.9

Het hof is gebleken dat [kind] thans een positieve ontwikkeling doormaakt in die zin dat sinds de opnames en de uithuisplaatsingen de epileptische aanvallen en medicatie zijn verminderd en sprake is van een omgangsregeling tussen [kind] en de moeder waar [kind] van geniet. Eerder bleek ook al, bijvoorbeeld uit het observatieverslag van SEIN, dat [kind] zich positief ontwikkelt wanneer hij uit de spanningsvolle thuissituatie gehaald wordt. [kind] heeft het thans naar zijn zin in het gezinshuis en bloeit op. Hij mist echter het contact met de vader. Het hof kan de stichting echter volgen in zijn toelichting dat het feit dat [kind] de vader mist en graag weer wil zien, niet betekent dat hij weer bij de vader wil wonen. [kind] wil contact met de vader en niet perse meer dan dat.

4.10

De vader heeft echter het contact met [kind] sinds mei 2012, ten tijde dat de maatregelen voor het eerst zijn uitgesproken, verbroken. Anderzijds heeft de vader de wens dat [kind] weer bij hem komt wonen, maar het hof constateert dat het de vader nog niet lukt om de muren af te breken die aan terugkeer van [kind] in de weg staan. De vader benadrukt in dit verband steevast dat hij onrechtvaardig is behandeld en dat aan 'waarheidsvinding' gedaan moet worden alvorens hij het contact met [kind] wil hervatten. Daarbij legt de vader iedere verantwoordelijkheid buiten zichzelf en zit hij gevangen tussen de muren van het eigen gelijk. Het hof heeft in dit verband de indruk dat de vader, ondanks dat zijn beslissingen en handelen anders kunnen doen vermoeden, zeer betrokken is op [kind] maar dat hij zijn mogelijk (te) groot rechtvaardigheidsgevoel laat prevaleren boven het belang van de zeer kwetsbare [kind]. Die houding is ongetwijfeld goed bedoeld maar geeft [kind] geen ontwikkelingsruimte. Dat dit een ontwikkelingsbedreiging voor [kind] vormt, is gebleken. [kind] heeft nodig dat hij op een positieve manier contact kan onderhouden met beide ouders, omdat hij van beide ouders houdt, en dat hij op die manier zijn eigen beeld kan vormen zonder dat dit wordt opgelegd.

4.11

Daarnaast heeft [kind] veel behoefte aan structuur, duidelijkheid, voorspelbaarheid, begrenzing en liefdevolle aandacht, welke hem in zijn huidige gezinshuis worden geboden. Daar tegenover staat dat het de ouders tot op heden niet lukt om [kind] buiten hun eigen spanningen te houden sinds de echtscheiding in 2008. [kind] heeft nog steeds het gevoel dat hij moet kiezen van welke ouder hij mag houden. Vanuit het gezinshuis kan [kind] contact met beide ouders onderhouden en wordt hij zoveel mogelijk buiten de onderlinge spanningen tussen de ouders gehouden.

4.12

In de hiervoor geschetste omstandigheden kan niet worden staande gehouden dat de gronden voor de maatregelen zich niet meer voordoen, noch dat de inbreuk die de maatregelen maken op het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven niet gerechtvaardigd zijn. Het hoger beroep van de vader faalt dus.

4.13

Uit het voorgaande volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 12 april 2013 waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. A.H. Garos en mr. D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 december 2013 in bijzijn van de griffier.