Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9300

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
200.123.023
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot beëindiging partneralimentatie. Samenwoning in de zin van 1:160 BW? Voorshands voldoende aannemelijk; tegenbewijs vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.123.023

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 324685)

beschikking van de familiekamer van 5 december 2013

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.A. van Els-van den Berg te 's-Hertogenbosch,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek te Eindhoven.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 januari 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 7 maart 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 8 mei 2013;

- een journaalbericht van mr. Van Els-van den Berg van 20 augustus 2013 met bijlagen,

ingekomen op diezelfde dag;

- een journaalbericht van mr. Sliepenbeek van 20 augustus 2013 met bijlagen, ingekomen op

diezelfde dag.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 30 augustus 2013 plaatsgevonden. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat en mr. L.H.M. Zonnenberg. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 17 maart 1986 gehuwd. Bij beschikking van 6 oktober 2010 heeft de rechtbank Utrecht echtscheiding tussen hen uitgesproken. Deze beschikking is op 15 juni 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben één nog minderjarige zoon, [naam zoon], geboren in 1998, alsmede een meerderjarige zoon.

3.2

Bij voormelde beschikking van 6 oktober 2010 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud

€ 12.575,- per maand zal betalen. Deze beschikking is bij beschikking van het hof Amsterdam, locatie Arnhem, van 28 juni 2011, wat betreft de partneralimentatie vernietigd, waarna het hof heeft bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 16.755,- per maand zal betalen. Deze bijdrage bedraagt met ingang van 1 januari 2013 ingevolge de wettelijke indexering

€ 16.922,55 per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is of de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank heeft in de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 16 januari 2013 bepaald dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 juni 2011 is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw gehouden is om alle onderhoudsbijdragen die zij van de man heeft ontvangen, voor zover die zien op de periode na 15 juni 2011, aan de man terug te betalen. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw gehouden is om aan de man te vergoeden

€ 51.761,55 in verband met de door hem gemaakte recherchekosten.

4.2

De vrouw is met vijf grieven in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw met [X] in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961). Het uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt uitgelegd. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

5.2

De vrouw erkent dat sprake is van een affectieve relatie tussen haar en [X] (verder te noemen: [X]), maar betwist dat sprake is van een samenleving van haar en [X] in de zin van artikel 1:160 BW en dat de alimentatieverplichting van de man om die reden is geëindigd. De vrouw en [X] wonen ieder in hun eigen woning, er is geen sprake van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en van het elkaar wederzijds verzorgen.

5.3

De man betwist dat en stelt zich op het standpunt dat de vrouw in elk geval vanaf

15 juni 2011 (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) met [X] samenleeft in de zin van artikel 1:160 BW. Uit het onderzoeksrapport van Q&A Advies van 4 april 2012 blijkt dat de levens van de vrouw en [X], die een langdurige affectieve relatie hebben, vervlochten zijn geraakt, dat de vrouw met [X] samenwoont in de beslotenheid van het project[...] te [woonplaats] en dat sprake is van een lotsverbondenheid.

5.4

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof voorshands van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een samenleving in de zin van artikel 1:160 BW tussen de vrouw en [X] en overweegt daartoe als volgt.

5.5

Als achtergrond is het navolgende van belang. Niet - voldoende - betwist is dat de vrouw vanaf medio 2009 met grote regelmaat vanaf woensdagmiddag tot donderdagochtend en de weekenden samen met [naam zoon] bij [X] verbleef. Door de man is opdracht gegeven aan detectivebureau Siecru om de wandelgangen van de vrouw gedurende twee dagen te laten observeren. De man heeft gesteld dat hij wel op de hoogte was van de relatie van de vrouw met [X], doch dat hij hoopte op herstel van zijn huwelijk met de vrouw.

[X] is in de zomer van 2010 verhuisd naar een appartement in “[...]”, [woonplaats]. Dit nieuwbouwproject behelst een groot aantal appartementen/woningen, waarbij volgens de verkoopbrochure sprake is van “wonen met een hoog besloten karakter en een grote mate van privacy”. De vrouw heeft in 2011 een appartement in dit project gekocht en is daar met [naam zoon] gaan wonen. De appartementen van [X] en de vrouw zijn binnendoor, via de gangen, te bereiken. De appartementen hebben een gezamenlijke overdekte parkeerruimte, waarin de auto’s van [X] en van de vrouw geparkeerd worden.

Affectieve relatie

5.6

De vrouw heeft erkend dat zij een affectieve relatie heeft met [X]. Uit de stukken komt naar voren dat de vrouw en [X] hun relatie in 2009 hebben geïntensiveerd. Aangezien deze relatie dus in elk geval al vier jaar duurt, staat voor het hof vast dat aan het criterium van een duurzame affectieve relatie is voldaan. De vraag is vervolgens of ook aan de overige criteria is voldaan.

Feitelijk samenwonen

5.7

Ter onderbouwing van de overige criteria, te weten het feitelijk samenwonen, de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, heeft de man in eerste aanleg onder meer een onderzoeksrapport van Q&A advies van 4 april 2012 (verder: onderzoeksrapport) in het geding gebracht.

De vrouw stelt niet alleen de toelaatbaarheid, maar ook de betrouwbaarheid en de deugdelijkheid van dit onderzoeksrapport ter discussie. Het hof is, evenals de rechtbank en de man, van oordeel dat het onderzoeksrapport toelaatbaar bewijs is in deze zaak tussen de man en de vrouw en zal hetgeen in dat rapport is opgenomen betrekken in zijn oordeel.

5.8

Op grond van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is het hof voorshands van oordeel dat de levens van de vrouw en [X] in de loop van hun relatie zodanig vervlochten zijn geraakt, dat gesproken kan worden van een (praktisch) dagelijks samenleven in lotsverbondenheid gedurende een zekere tijd, waardoor dit samenleven de kenmerken draagt van een huwelijk als bedoeld in artikel 1:160 BW. Het hof heeft hierbij de navolgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Van belang is dat de vrouw bekend was met het feit dat de man in 2009 haar wandelgangen had laten observeren, waardoor niet valt uit te sluiten dat zij met voorzichtigheid heeft gehandeld. Uit genoemd onderzoeksrapport komt naar voren dat de vrouw en [X] in de observatieperiode van 10 oktober 2011 tot 15 januari 2012 bijna dagelijks in elkaars aanwezigheid verkeerden en dan voornamelijk in de woning van de vrouw. Na vergelijk van de observatieverslagen in het onderzoeksrapport en de weerlegging van die observaties door de vrouw in met name haar verweerschrift in eerste aanleg komt het hof op 41 nachten van de 97 geobserveerde nachten die partijen gezamenlijk hebben doorgebracht. De vrouw betwist 6 gezamenlijk doorgebrachte nachten in de periode van 14 oktober 2011 tot en met 19 oktober 2011. Volgens het onderzoeksrapport zijn de vrouw, [naam zoon] en [X] in deze periode niet waargenomen of aanwezig geweest in het appartement van de vrouw. Ter weerlegging van de aanname in het onderzoeksrapport dat in voormelde periode een gezamenlijke activiteit heeft plaatsgevonden heeft de vrouw in haar verweerschrift verklaard dat [naam zoon] in het weekend van 15 en 16 oktober 2011 bij een vriend heeft gelogeerd. De observatie dat hij niet is gesignaleerd in het appartement van de vrouw klopt dus in zoverre. Verder stelt de vrouw dat [X] op 18 oktober 2011 een zakelijke afspraak had in Den Bosch. De vrouw laat echter na daarbij te vermelden dat zij zelf ook op die dag in Den Bosch is geweest, zoals blijkt uit een door de vrouw overgelegd bankafschrift (productie 29 bij het verweerschrift in eerste aanleg). De vrouw heeft toen twee pintransacties verricht in Den Bosch, waarbij op het bankafschrift staat vermeld dat dit de aankoop van een boek en “spullen huis” betrof. Gelet op het vorenstaande acht het hof het niet onaannemelijk dat de vrouw en [X] ook in de periode van 14 oktober 2011 tot en met 19 oktober 2011 in elk geval 1 of meerdere nachten samen hebben doorgebracht.

5.9

Het hof merkt overigens ook op dat [X], wanneer hij in zijn eigen appartement heeft geslapen, in de vroege ochtenduren voordat hij vertrekt uit het appartementencomplex [...] in [woonplaats] (nagenoeg) elke keer eerst het appartement van de vrouw betreedt en daar enige tijd verblijft. Voorts blijkt uit het onderzoeksrapport onbetwist dat [X] op 11 januari 2012 met een kledinghanger met vrouwelijke kledingstukken waaronder een beha van zijn appartement naar het appartement van de vrouw is gelopen en diezelfde avond de vrouw en [X] met een verrijdbaar kledingrek van het appartement van de vrouw naar het appartement van [X] zijn gegaan, wat mogelijk betekent dat de vrouw en [X] in elkaars appartement een garderobe hebben hangen. Blijkens het onderzoeksrapport is daarnaast geconstateerd dat [X], anders dan de vrouw stelt, zich niet bij wijze van uitzondering met een sleutel de toegang verschaft tot het appartement van de vrouw, maar dat dit herhaaldelijk voorkomt. Zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld blijkt uit het onderzoeksrapport dat deze sleutel aan de sleutelbos van [X] zit. In het rapport wordt meerdere malen opgemerkt dat [X] aan het zoeken is naar de juiste sleutel.

5.10

Weliswaar heeft de vrouw veel observaties betwist en ook onderbouwd met bewijsstukken, maar het hof is gebleken dat deze bewijsstukken vaak bevestigen wat ook blijkt uit de observatie of in elk geval niet tegenstrijdig is met de observatie. Een voorbeeld hiervan is de observatie van 24 november 2011. In het onderzoeksrapport staat dat [X] zich om 22.14 uur begeeft naar het appartement van de vrouw. De vrouw stelt dat zij en [X] die nacht niet samen hebben doorgebracht omdat zij elkaar om 21.37 uur telefonisch hebben bijgepraat. Het door de vrouw genoemde tijdstip is niet tegenstrijdig met de observatie. Nog een voorbeeld hiervan is de observatie op 29 december 2011. In het onderzoeksrapport wordt onder meer vermeld dat de vrouw om 00.15 uur weer naar haar eigen appartement vertrekt, dus is geen gezamenlijke overnachting genoteerd. De vrouw stelt dat de weergave op die avond niet correct is, terwijl de vrouw nagenoeg een gelijke weergave geeft, namelijk dat zij en [naam zoon] weer naar hun eigen appartement zijn vertrokken.

Gelet op het feit dat in de observatieperiode de vrouw en [X] elkaar (bijna) dagelijks zagen in het appartement van de vrouw, het samenzijn soms kort, maar soms ook vele uren achtereen was, is het hof van oordeel dat niet gesproken kan worden van het hebben van een LAT-relatie zoals door de vrouw in hoger beroep is bepleit.

Ook de verklaring van de vrouw dat zij het appartement heeft gekocht omdat zij nooit meer wil hertrouwen of samenwonen en haar zoon, [naam zoon], voor een tweede negatieve ervaring in relaties tussen volwassen wil behoeden, acht het hof onvoldoende aannemelijk, gelet op de hoeveelheid tijd die de vrouw en [X] met elkaar doorbrengen.

Op grond van het vorenstaande is het hof dan ook van oordeel dat voorshands voldoende is komen vast te staan dat de vrouw en [X] feitelijk samenwonen.

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

5.11

Nu aan het criterium van feitelijke samenwoning is voldaan, dient te worden beoordeeld of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en een wederzijdse verzorging. Hierbij stelt het hof voorop dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad van wederzijdse verzorging slechts sprake is indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Het hof is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling genoegzaam volgt dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging. De vrouw heeft weliswaar een aantal van de hieronder vermelde omstandigheden betwist, maar het hof is van oordeel dat deze betwisting onvoldoende is in het licht van alle in het geding gebrachte stukken, waaruit deze omstandigheden blijken. Het hof neemt hierbij de volgende omstandigheden in aanmerking: de vrouw is, soms samen met [naam zoon], aanwezig bij familieaangelegenheden van [X]; de vrouw en [X] kregen op 24 mei 2010 gezamenlijk een uitnodiging om een geldelijke bijdrage over te maken voor een cadeau voor familieleden van [X]; de vrouw en [X] ondernemen regelmatig samen met [naam zoon] activiteiten; uit het onderzoeksrapport blijkt dat [X] zonder bijzijn van de vrouw [naam zoon] ook wegbrengt en/of ophaalt; [X] is betrokken bij [naam zoon], hetgeen blijkt uit een e-mailbericht van [X] aan zijn ex-echtgenote van 22 augustus 2009, waarin hij schrijft dat [naam zoon] dezelfde interesses heeft als zijn zoons en dat hij op een of andere manier het allemaal opnieuw beleeft; [X] schrijft aan zijn zoons [naam zoon 2] en [naam zoon 3] ook dat hij met [naam zoon] al hun avonturen opnieuw beleeft; ook schrijft [X] aan zijn zoon [naam zoon 2] dat [naam zoon] inmiddels zijn grote vriend is geworden; [X] verricht allerlei klusjes in het appartement van de vrouw; [X] komt meerdere malen met afhaaleten bij de vrouw; [X] schrijft in een e-mailbericht aan zijn zoon [naam zoon 2] op 24 september 2009, dat hij er over denkt zijn testament te veranderen en de vrouw in zijn testament te betrekken.

5.12

Ook laat [X] met enige regelmaat de hond van de vrouw uit, soms samen met de vrouw, maar ook alleen. Uit een e-mailbericht van 8 januari 2012 aan zijn zoon [naam zoon 2] blijkt ook dat [X] de hond van de vrouw “mijn Rover” noemt en dat hij die ochtend naar het bos is geweest met de hond. Dit wordt bevestigd in het onderzoeksrapport, waaruit blijkt dat [X] en de vrouw die ochtend de hond hebben uitgelaten. Verder doen de vrouw en [X] ook regelmatig samen boodschappen, wat er ook zij van het verweer van de vrouw dat zij zelf haar boodschappen betaalt.

5.13

Tevens is het hof gebleken dat de vrouw en [X] regelmatig gezamenlijk op vakantie gaan. Zo zijn zij, blijkens bladzijde 4 van het onderzoeksrapport van Q&A advies, tezamen (al dan niet met [naam zoon]) in onder meer de Ardennen, Duitsland, Limburg, Londen, Texel, Tsjechië, Marokko, de Canarische eilanden, België en New York geweest.

Voorts blijkt uit de stukken dat de vrouw voor een boeking van de reis naar New York het zakelijke e-mailadres van [X] gebruikte. Verder is uit de overlegde bankafschriften gebleken dat de vrouw aan [X] toegangskaartjes heeft terugbetaald voor een show in New York, zodat naar het oordeel van het hof, anders dat de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld, [X] de vrouw en [naam zoon] niet alleen vergezelde op de heen- en terugreis, maar dat zij tijdens het verblijf ook samen in elk geval een show hebben bezocht.

Uit de overgelegde bankafschriften blijkt verder dat de vrouw en [X] met enige regelmaat zaken met elkaar verrekenen. Zo wordt er soms betaald voor het mee-eten, voor het verrichten van allerlei klusjes en voor het geven van bijles door [X] aan [naam zoon]. Dit komt het hof, gelet op de affectieve relatie die tussen de vrouw en [X] bestaat, en de ad-hoc wijze van de betalingen, gekunsteld over. Veeleer lijkt dit te zijn ingegeven door het idee dat het voor de buitenwereld duidelijk moet zijn dat geen sprake is van enige financiële band tussen de vrouw en [X]. Dat de vrouw en [X] geen gemeenschappelijke bankrekening hebben doet aan het voldoen aan vorenstaande criteria evenmin af. Het hof acht reeds op grond van al het voorgaande aannemelijk dat ook dit slechts een constructie is om de partneralimentatie veilig te stellen. Te meer nu de vrouw al in de echtscheidingsprocedure op de hoogte was van het feit dat de man een recherchebureau had ingeschakeld om destijds zijn stelling, dat de vrouw en [X] samenleefden als waren zij gehuwd, te kunnen onderbouwen.

5.14

Het hof heeft bij het vormen van een oordeel overwogen dat het in het algemeen mogelijk is dat, bijvoorbeeld ter behoud van alimentatie, gekozen wordt voor een LAT-relatie, hetgeen dan rechtens is te respecteren. Alle feiten en omstandigheden in deze zaak tegen elkaar afgewogen brengen het hof tot de conclusie dat de man voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een situatie waarin de vrouw en [X] samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

5.15

De vrouw heeft aangeboden tegenbewijs te leveren. Het hof zal de vrouw in de gelegenheid stellen tegen voornoemd rechterlijk vermoeden tegenbewijs te leveren. De man zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld getuigen te horen in een tegengetuigenverhoor, waarbij het hof de man wijst op het bepaalde in de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ8766). Het hof kan op enig moment tijdens de getuigenverhoren een comparitie bepalen.

5.16

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

laat de vrouw toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat de vrouw en [X] samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW;

verzoekt de vrouw eventuele bewijsstukken toe te zenden aan het hof, met kopie aan de wederpartij, uiterlijk op 9 januari 2014;

bepaalt, indien de vrouw tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door haar vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden februari tot en met april 2014 zullen worden opgegeven door de advocaten van partijen uiterlijk op 9 januari 2014, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat de advocaat van de vrouw overeenkomstig het bepaalde in artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, A. Smeeïng-van Hees en R. Krijger, bijgestaan door mr. W. Nagelhout als griffier, en is op 5 december 2013

uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.