Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9240

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
200.112.594
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging arbeidsovereenkomt met wederzijds goedvinden. Dwaling? concreet vooruitzicht op een nieuwe baan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/172 met annotatie van mr. R.L. van Heusden
AR-Updates.nl 2014-0078
JAR 2014/172 met annotatie van mr. R.L. van Heusden

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.594

(zaaknummer rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, kantonrechter, locatie Amersfoort 761449)

arrest van de derde civiele kamer van 3 december 2013

in de zaak van

de stichting

stichting Siriz,

zetelend te Amersfoort,

appellante,

hierna: Siriz,

advocaat: mr. R. Stekelenburg,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te Veenendaal,

geïntimeerde,

hierna: [verweerder],

advocaat: mr. D.P.E.P. van Schieveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 september 2011 en 30 mei 2012 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Amersfoort) tussen [verweerder] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en Siriz als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Siriz heeft bij exploot van 28 augustus 2012 aangezegd van het vonnis van 30 mei 2012 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [verweerder] voor dit hof.

2.2.

Bij memorie van grieven heeft Siriz vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, aan [verweerder] alsnog zijn vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties.

2.3.

Bij memorie van antwoord heeft [verweerder] verweer gevoerd en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Siriz in de kosten van de procedure.

2.4.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6. van het bestreden vonnis, met dien verstande dat, anders dan in rechtsoverweging 2.1. van dat vonnis is vermeld, de partijen tussen augustus en november 2010 hebben onderhandeld over een beëindigingsovereenkomst (en niet tussen augustus en november 2011).

3.2.

Verder staat vast dat Siriz op 1 maart 2011 aan [verweerder] een voorstel heeft gedaan, vervat in een concept-vaststellingsovereenkomst, tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2011 met vergoeding van € 38.000,00 bruto, waarbij de niet-opgenomen vakantiedagen niet zouden worden vergoed. [verweerder] heeft dit aanbod op

2 maart 2011 verworpen.

3.3.

Mr. Bouw heeft mr. Stekelenburg bij email van 23 maart 2011 onder meer bericht:

“Daarna neemt u een nieuw punt 10 op, waar staat dat er op het moment van ondertekenen door [verweerder] geen concreet uitzicht is op een passende dienstbetrekking elders. Cliënt zal dat zo niet ondertekenen, omdat wij die afspraak in ons overleg van gisteren niet hebben gemaakt. Om het heel duidelijk te zeggen: er is op dit moment inderdaad geen concreet uitzicht op een baan, maar er is wel sprake van sollicitaties. Cliënt vertikt het om later problemen te krijgen over de datum waarop hij eventueel wist, dat hij een baan zou krijgen (met name bewijsproblemen)”

3.4.

In reactie daarop heeft mr. Stekelenburg aan mr. Bouw gemaild:

“Voor wat betreft de andere optie vond ik van belang dat hoewel niet woordelijk afgesproken de vraag naar de andere functie gisteren wel is gesteld en zo ook is beantwoord zodat ik kan leven met de uiteenzetting in uw brief.”

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende. Siriz en [verweerder] hebben met elkaar onderhandeld over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] bij Siriz. Tijdens of na een gesprek daarover op 22 maart 2011 is aan [verweerder] gevraagd of hij een concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan. [verweerder] heeft daarop geantwoord dat hij sollicitaties had lopen, maar dat hij nog geen concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan. Dit is ook nog zo in een brief van 23 maart 2011 van de advocaat van [verweerder] aan (de advocaat van) Siriz verwoord. Op 24 maart 2011 is de beëindigingsovereenkomst door Siriz en [verweerder] getekend. Bij brief van 31 maart 2011 is namens [verweerder] aan Siriz bericht dat [verweerder] per 1 mei 2011 bij [A] in dienst zou treden. Siriz heeft vervolgens geweigerd de overeengekomen beëindigingsvergoeding aan [verweerder] te betalen. Op vordering van [verweerder] heeft de kantonrechter Siriz veroordeeld tot betaling daarvan (verminderd met het, in hoger beroep niet meer ter zake doende, salaris over mei 2011). Tegen de toewijzing van de beëindigingsvergoeding richten zich de grieven.

4.2.

In de vierde grief klaagt Siriz dat de kantonrechter bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] zijn mededelingsplicht heeft verzaakt, een te beperkte toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. Nu [verweerder] al zo ver gevorderd was bij [A] (hij had zijn tweede gesprek op maandag 21 maart 2011 gevoerd) en een zo goed contact had gehad daar, had het volgens Siriz op zijn weg gelegen daarvan mededeling te doen. [verweerder] was volgens Siriz op 22 maart 2011 in een ‘meer dan beslissende fase’ terecht gekomen en had dat niet alleen desgevraagd maar ook spontaan moeten melden. In de derde grief klaagt Siriz erover dat de kantonrechter niet is ingegaan op haar verweer dat de vordering tot betaling van de beëindigingsvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit de eerste grief volgt verder dat Siriz bij de beoordeling betrokken wenst te zien de in die grieven geformuleerde stellingen, te weten dat zij, in het licht van haar aanbod voor outplacement, tíjdens de onderhandelingen op 22 maart 2011 (en niet ná die onderhandelingen) de vraag heeft gesteld of [verweerder] een vooruitzicht had op een baan elders. Verder klaagt Siriz in de tweede grief en de vierde grief dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [verweerder] onzeker was over zijn kansen. Volgens Siriz blijkt dat nergens uit, terwijl [verweerder] nooit inzage heeft willen geven in de feitelijke gang van zaken rond de sollicitatieprocedure bij [A].

4.3.

De kern van de kwestie betreft dus de vraag of [verweerder] aan Siriz meer informatie had moeten verstrekken dan hij heeft gedaan, of Siriz door het niet verschaffen van voldoende informatie een onjuiste voorstelling van zaken had en of de beëindigingsovereenkomst dus onder invloed van dwaling bij Siriz tot stand is gekomen dan wel of de vordering tot betaling van de overeengekomen beëindigingsvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.4.

Hierover wordt het volgende overwogen. Artikel 6:228 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de wederpartij in verband met hetgeen hij omtrent de dwaling wist dan wel behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. Artikel 6:228 lid 1 sub a BW bepaalt dat een overeenkomst op grond van dwaling kan worden vernietigd indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten de stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de omstandigheden waarop het beroep op dwaling is gegrond, bij degene die zich op de vernietigbaarheid van de overeenkomst beroept, in dit geval dus bij Siriz.

4.5.

Vast staat dat [verweerder] op maandagavond 21 maart 2011 per email heeft geïnformeerd naar het verdere verloop van de sollicitatieprocedure bij [A]. Diezelfde avond heeft hij per email het volgende antwoord ontvangen:

“Je gesprekspartners sturen vanavond een e-mail aan de andere bestuursleden met een voorstel voor de eerste keuze van een kandidaat. Uiterlijk woensdag kunnen zij reageren; wanneer daar geen blokkade uitkomt zal er donderdag naar de eerstgekozen kandidaat (en de anderen) worden gecommuniceerd (…) Heb begrepen dat je goed contact met allen had!”

Siriz heeft op 22 maart 2011 gevraagd of [verweerder] al een concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan. Daarop heeft [verweerder] geantwoord dat dat niet zo was, maar dat hij wel sollicitaties had lopen. Dat antwoord is namens [verweerder] nogmaals herhaald in de brief van 23 maart 2011 van zijn raadsman. Siriz stelt dat uit de email van [B] ([A]) aan [verweerder] van 21 maart 2011 blijkt dat [verweerder] op dat moment, op 21 maart 2011 dus, wél reeds een concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan en dat hij dus een onjuist antwoord heeft gegeven.

4.6.

Indien de inhoud van de email van 21 maart 2011 als een concreet vooruitzicht zou moeten worden beschouwd, zou dat antwoord inderdaad onjuist zijn, zodat de beëindigingsovereenkomst op grond van artikel 6:228 lid 1 sub a BW vernietigbaar zou zijn.

Uit de email van 21 maart 2011 blijkt echter niet dat [verweerder] op dat moment al (zo goed als) zeker was van een nieuwe baan. Daaruit blijkt niet meer dan dat [verweerder] op 24 maart 2011 (namelijk de donderdag ná maandag 21 maart 2011) bericht zou kunnen verwachten over de vraag of hij de eerste keus was. Bovendien blijkt uit die email ook dat er meer dan twee kandidaten waren (er wordt immers gerept van ‘de anderen’). In het licht hiervan is het antwoord van [verweerder] op 22 maart 2011, herhaald in de brief van zijn advocaat van 23 maart 2011, dat hij geen concreet vooruitzicht had op een nieuwe baan en dat hij aan het solliciteren was, niet onjuist. De zinsnede ‘heb begrepen dat je goed contact had met allen’, maakt dat niet anders. Weliswaar is die zinsnede bemoedigend, maar daaraan zou [verweerder] geen enkele zekerheid hebben kunnen ontlenen. Er is dus geen sprake van een dwaling van Siriz die te wijten is aan een inlichting van [verweerder].

4.7.

Dan is vervolgens de vraag aan de orde of [verweerder] Siriz had behoren in te lichten, op 22 of 23 maart 2011, over de fase waarin zijn sollicitatie bij [A] zich bevond, namelijk dat hij al een tweede gesprek had gehad en dat hij op 24 maart 2011 zou vernemen of hij de eerste kandidaat was. Siriz heeft aangevoerd dat [verweerder] uit zichzelf over die stand van zaken had moeten vertellen gezien de zeer hoge beëindigingsvergoeding die was overeengekomen (c > 1), het feit dat [verweerder] de vergoeding waarschijnlijk niet nodig had gezien zijn vooruitzichten op ander werk en het feit dat Siriz een non-profit organisatie is die afhankelijk is van giften en ieder dubbeltje moet omdraaien.

4.8.

Wanneer een partij bij de totstandkoming van een overeenkomst aan de wederpartij bepaalde inlichtingen had behoren te geven om te voorkomen dat de wederpartij zich omtrent de betreffende punten een onjuiste voorstelling zou maken, zal in het algemeen de goede trouw zich ertegen verzetten dat de eerstgenoemde partij ter afwering van een beroep op dwaling aanvoert dat de wederpartij het ontstaan van de dwaling aan zichzelf te wijten heeft. Bij het beantwoorden van de vraag of een partij terzake van bepaalde relevante gegevens naar de in het verkeer geldende opvattingen een mededelingsplicht heeft, dan wel of hij die gegevens voor zich mag houden, moet worden gelet op alle bijzonderheden van het gegeven geval. Het onderwerpelijke geval wordt hierdoor gekenmerkt dat tussen de partijen sprake was van onderhandelingen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [verweerder] en Siriz, die was ingegeven door een verschil van inzicht over het functioneren van onder anderen [verweerder]. Een extern bureau adviseerde de spanningen op te lossen door het laten afvloeien van onder anderen [verweerder]. Er was dus sprake van een beëindiging op initiatief van de werkgever. Tussen de partijen was sprake van onderhandelingen die al in het najaar van 2010 waren gevoerd, en die in februari/begin maart 2011 waren hervat. Op 1 maart 2011 had Siriz aan [verweerder] het voorstel gedaan tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst tegen een vergoeding van € 38.000,00. Uiteindelijk heeft daarover een bespreking plaatsgevonden, die aanvankelijk was gepland op 17 maart 2011 maar door ziekte van de advocaat van Siriz is verplaatst naar 22 maart 2011. Op het moment van die bespreking heeft [verweerder] conform de waarheid verklaard dat hij enkele sollicitaties had lopen. Onder deze omstandigheden rustte naar het oordeel van het hof geen spontane mededelingsplicht op [verweerder] ten aanzien van de fase waarin zijn sollicitaties zich bevonden. Indien de stand van zaken in die sollicitatieprocedures op dat moment voor Siriz beslissend was geweest voor de vraag of zij al dan niet de beëindigingsovereenkomst wenste te sluiten, had zij naar die stand van zaken moeten doorvragen. Zij heeft dat niet gedaan. De eerste, tweede en vierde grief worden verworpen.

4.9.

Het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen. Nu van dwaling geen sprake is, is het enkele feit dat Siriz een non-profit organisatie is terwijl een relatief hoge vergoeding is afgesproken, onvoldoende voor het oordeel dat de vordering tot nakoming van die vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De afgesproken vergoeding moet immers worden beschouwd als een vergoeding naar billijkheid, die mede strekt tot compensatie van de werknemer voor door het ontslag verloren promotiekansen, anciënniteit, arbeidsvoorwaarden etcetera. [verweerder] heeft gesteld dat daarvan ook in zijn geval sprake is, hetgeen door Siriz onvoldoende is weersproken. De derde grief, waarin Siriz klaagt dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op haar beroep op de redelijkheid en billijkheid, kan dus niet tot vernietiging leiden.

4.10.

De vijfde grief, die zich richt tegen de proceskostenveroordeling, mist zelfstandige betekenis. Nu op grond van het voorgaande de overige grieven falen, kan ook de vijfde grief niet tot vernietiging leiden.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Siriz in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verweerder] zullen worden vastgesteld op € 666,00 wegens griffierecht en € 1.158,00 wegens salaris advocaat.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Amersfoort van 30 mei 2012;

veroordeelt Siriz in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 666,00 voor verschotten en op € 1.158,00 voor salaris;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, D.J. Buijs en A.E.B. ter Heide en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.