Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9214

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
200.096.385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:317, 7:397 BW

Vastlegging van pachtovereenkomst. Geliberaliseerde pachtovereenkomst.

Anders dan geïntimeerden veronderstellen, eist de wet niet dat een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in art. 7:397 lid 1 BW schriftelijk tot stand komt. Wel veronderstelt een zodanige overeenkomst dat partijen zijn overeengekomen dat in hun verhouding de bepalingen van de art. 7:313 lid 2, 7:319 lid 1 onder a, c en d, 7:325, 7:327, 7:328, 7:332, 7:333, 7:363 tot en met 7:374, 7:378 tot en met 7:384, 7:399a en 7:399c lid 1 BW niet van toepassing zullen zijn. Dit betekent niet dat per se deze bepalingen met zoveel woorden door partijen moeten zijn genoemd, maar wel dat partijen hun overeenstemming over en weer in de bedoelde zin hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. Appellanten hebben onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat partijen voor het seizoen 2008-2009 een geliberaliseerde pachtovereenkomst zijn aangegaan.

Volgt instructie met betrekking de inhoud van reguliere pachtovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.096.385

(zaaknummer rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond 290687)

arrest van de pachtkamer van 3 december 2013

inzake

1 [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2],

3. [appellante sub 3],

4. [appellante sub 4],

allen wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: gezamenlijk [appellanten] en afzonderlijk respectievelijk [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4],

advocaat: mr. M.Th.M. Zusterzeel,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: gezamenlijk [geïntimeerden] en afzonderlijk respectievelijk [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2],

advocaat: mr. J.E. Brands.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 april 2011, dat de pachtkamer van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond, tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep van 9 mei 2011;

■ de memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis;

■ de akte houdende wijziging van eis van [appellanten];

■ de memorie van antwoord;

■ de pleidooien ter zitting van 21 oktober 2013 van mr. Zusterzeel voornoemd en van mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, wat betreft mr. Zusterzeel overeenkomstig zijn pleitnotitie.

2.2

Na afloop van de pleitzitting, die gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de pleitzitting in de zaak tussen partijen met nummer 200.120.542, heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2

[geïntimeerden] hebben sinds 1978 ten behoeve van hun landbouwbedrijf ononderbroken in gebruik gehad:

  1. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie L, nummer 1622, ter grootte van 2.88.90 ha (perceel […]);

  2. het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie O, nummer 13, ter grootte van 1.43.90 ha (perceel [..1..]).

3.3

[appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] zijn ieder voor eenderde gedeelte eigenaar van beide percelen. [appellant sub 1] is de echtgenoot van [appellante sub 2].

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vorderen [appellanten] (1) vastlegging van een pachtovereenkomst met betrekking tot de percelen [..1..] en […], primair als een geliberaliseerde pachtovereenkomst en subsidiair als een reguliere pachtovereenkomst en (2) € 3.000,— vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Bij het bestreden vonnis heeft de pachtkamer in eerste aanleg [appellant sub 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen, [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen voor zover gericht tegen [geïntimeerde sub 2] en de toen voorliggende vorderingen van [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] jegens [geïntimeerde sub 1] (onder meer strekkende tot vastlegging van een geliberaliseerde pachtovereenkomst) afgewezen.

4.2

Bij hun akte houdende wijziging van eis hebben [appellanten] wat betreft het perceel […] hun eis opnieuw gewijzigd, in die zin dat zij thans wat betreft dat perceel primair ontbinding vorderen en subsidiair en meer subsidiair vastlegging als geliberaliseerde respectievelijk reguliere pachtovereenkomst. Bedoelde eiswijziging hebben zij toegelicht met verwijzing naar de zaak met nummer 200.120.542, in welke zaak zij wat betreft het perceel […] ontbinding hebben gevorderd op de grond dat sprake is van onderverpachting. Volgens hun akte onder 12 is de strekking van de eiswijziging dat schriftelijke vastlegging niet meer nodig is indien in de zaak met nummer 200.120.542 ontbinding volgt.

4.3

[geïntimeerden] hebben tegen de eiswijziging bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is terecht voor zover die wijziging (overeenkomstig de letter van het petitum) aldus zou moeten worden opgevat dat [appellanten] ook in de onderhavige zaak thans ontbinding vorderen. Voor een dergelijke eiswijziging bestaat in verband met de zogenaamde tweeconclusieregel geen ruimte. Voor bedoelde regel verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064. Dat er reden zou zijn voor een uitzondering op deze regel is niet gebleken. Tegen een vermindering van de vorderingen, in die zin dat [appellanten] van hun eis tot schriftelijke vastlegging met betrekking tot het perceel […] afzien voor het geval dat in de zaak met nummer 200.102.542 ontbinding plaatsvindt (overeenkomstig de toelichting op de eiswijziging), bestaat geen bezwaar. Het hof zal op de aldus verminderde eis recht doen.

4.4

Grief 1 richt zich tegen twee beslissingen van de pachtkamer in eerste aanleg omtrent de ontvankelijkheid. De pachtkamer in eerste aanleg heeft in de eerste plaats [appellant sub 1] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] tezamen eigenaar van de beide percelen zijn. De pachtkamer in eerste aanleg heeft in de tweede plaats [appellanten] allen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen voor zover die zijn gericht tegen [geïntimeerde sub 2].

4.5

Volgens de stellingen van [appellanten] is [appellant sub 1] mede als verpachter opgetreden (naast [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4]). Daaruit volgt dat hij in zijn vorderingen behoort te worden ontvangen. Daaraan staat niet in de weg dat [appellant sub 1] zelf geen eigenaar is van de grond (anders dan als echtgenoot van [appellante sub 2]). In zoverre slaagt dus de grief.

4.6

Eveneens volgens de stellingen van [appellanten] is ook [geïntimeerde sub 2] partij bij de pachtovereenkomst(en). Daaruit volgt dat [appellanten] in hun vorderingen jegens haar behoren te worden ontvangen. Ook in zoverre slaagt de grief.

4.7

Grief 2 strekt ertoe dat alsnog schriftelijke vastlegging plaatsvindt, primair van een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397 lid 1 Burgerlijk Wetboek, subsidiair van een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van een jaar. Bij gelegenheid van de pleitzitting in hoger beroep hebben [appellanten] verduidelijkt dat zij slechts vastlegging wensen van de volgens hun stellingen als laatste tot stand gekomen pachtovereenkomst, namelijk voor het seizoen 2008-2009.

4.8

Anders dan [geïntimeerden] veronderstellen, eist de wet niet dat een geliberaliseerde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397 lid 1 Burgerlijk Wetboek schriftelijk tot stand komt. Wel veronderstelt een zodanige overeenkomst dat partijen zijn overeengekomen dat in hun verhouding de bepalingen van de artikelen 7:313 lid 2, 7:319 lid 1 onder a, c en d, 7:325, 7:327, 7:328, 7:332, 7:333, 7:363 tot en met 7:374, 7:378 tot en met 7:384, 7:399a en 7:399c lid 1 Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zullen zijn. Dit betekent niet dat per se deze bepalingen met zoveel woorden door partijen moeten zijn genoemd, maar wel dat partijen hun overeenstemming over en weer in de bedoelde zin hebben begrepen en hebben mogen begrijpen. [appellanten] hebben onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat partijen voor het seizoen 2008-2009 een geliberaliseerde pachtovereenkomst zijn aangegaan. Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerden] de beide percelen sinds 1978 ononderbroken in gebruik hebben gehad, volgens de stellingen van [appellanten] van jaar tot jaar. In 1978 bestond de rechtsvorm van een geliberaliseerde pachtovereenkomst nog niet. Dat na de introductie van die rechtsvorm per 1 september 2007 daarover tussen partijen is gesproken, hebben [appellanten] niet aangevoerd. Ook overigens hebben zij niets gesteld waaruit de bedoeling om een geliberaliseerde pachtovereenkomst aan te gaan redelijkerwijs zou kunnen worden afgeleid. De enkele omstandigheid dat partijen een gebruik van jaar tot jaar beoogden, is in dit verband onvoldoende. Dat beding ziet uitsluitend op de duur van de pachtovereenkomst en zondert dus hooguit de toepasselijkheid uit van de bepalingen van titel 5 van Boek 7 die daarop betrekking hebben. Een geliberaliseerde pachtovereenkomst veronderstelt dat met betrekking tot veel meer de pachter beschermende bepalingen tussen partijen is overeengekomen dat zij niet van toepassing zijn.

4.9

De subsidiaire vordering van [appellanten] is wel toewijsbaar, in de zin dat vastlegging van enigerlei reguliere pachtovereenkomst dient te volgen. Partijen zijn het er immers over eens dat tussen hen sprake is van pacht. Zij zijn het echter niet over alle voorwaarden van die overeenkomst eens. Bewijslevering is daardoor onvermijdelijk.

4.10

Partijen zijn het in de eerste plaats niet eens over de vraag wie partij bij de overeenkomst zijn. Volgens de stellingen van [appellanten] zijn zij alle als verpachter bij de overeenkomst betrokken en traden [geïntimeerden] beiden als pachter op. [geïntimeerden] betwisten dat. Volgens hun stellingen zijn alleen [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] verpachter en [appellant sub 1] niet; volgens hen trad [appellant sub 1] alleen als woordvoerder of tussenpersoon op voor [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] op (memorie van antwoord onder 42). Eveneens volgens de stellingen van [geïntimeerden] was alleen [geïntimeerde sub 1] pachter en niet mede [geïntimeerde sub 2] (memorie van antwoord onder 41). [appellanten] dienen dus bewijs bij te brengen van de feiten en omstandigheden waaruit volgt (1) dat [appellant sub 1] naast [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] verpachter is en (2) dat [geïntimeerde sub 2] naast [geïntimeerde sub 1] pachter is.

4.11

Partijen zijn het in de tweede plaats niet eens over de overeengekomen duur. Volgens [geïntimeerden] is sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd sinds 1978. Volgens [appellanten] is sprake van een overeenkomst steeds voor de duur van één jaar (“van jaar tot jaar”), dus voor een kortere duur dan de wettelijke in de zin van artikel 7:325 Burgerlijk Wetboek. [appellanten] dienen dus bewijs bij te brengen van feiten en omstandigheden waaruit volgt (3) dat de pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar.

4.12

Partijen zijn het erover eens dat tot en met 2007 de pachtprijs f 4.120,— (€ 1.869,57) bedroeg en vanaf 2008 € 4.032,—, steeds voor beide percelen tezamen, is dus € 431,97 respectievelijk € 931,61 per hectare.

4.13

In de zaak met nummer 200.120.542 is bij arrest van heden de pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel […] ontbonden. Dit betekent dat alleen met betrekking tot het perceel [..1..] vastlegging zal volgen.

4.14

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellanten] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt:

  • -

    dat [appellant sub 1]naast [appellante sub 2], [appellante sub 3] en [appellante sub 4] verpachter is;

  • -

    dat [geïntimeerde sub 2] naast [geïntimeerde sub 1] pachter is; en

  • -

    dat de pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar;

bepaalt dat, indien [appellanten] dat bewijs door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk en het deskundige lid ir. H.K.C. Roelofsen, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door de raadsheer-commissaris vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellanten] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 17 december 2013, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellanten] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, G.P.M. van den Dungen en M.F.J.N. van Osch en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.