Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9213

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
200.093.116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executele. Loon executeur. Beneficiaire aanvaarding. Zaakwaarneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2014/30
FJR 2016/30.13

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.093.116

(zaaknummer rechtbank Arnhem 207737)

arrest van de vierde kamer van 3 december 2013

in de zaak van

1 [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

en

2.[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: [verzoekers],

advocaat: mr. L.L.A. Cox,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [verweerder],

advocaat: mr. G.W. Boogaard.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 9 februari 2011 en 1 juni 2011 die de rechtbank Arnhem tussen [verzoekers] als eisers en [verweerder] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 15 augustus 2011;

- de memorie van grieven van 29 januari 2013;

- de memorie van antwoord van 21 mei 2013, met één productie;

- het rolbericht van 29 augustus 2013 van de zijde van [verzoekers], met producties 1-4;

- de pleidooien die gehouden zijn op 16 september 2013.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft de zaak enige weken op de rol gestaan voor beraad partijen. Partijen hebben vervolgens nog arrest gevraagd.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het (bestreden) vonnis van 1 juni 2011.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in dit geding kort samengevat over het volgende. Appellant sub 1 is de zoon van [A] (verder: [A]) en appellante sub 2 is de zuster van [A]. Bij (eerste) testament van 21 april 2004 heeft [A] zijn zuster tot erfgename benoemd “over dat gedeelte van mijn nalatenschap waarover ik vrijelijk kan beschikken”; appellant sub 1 (verder: [verzoeker]) is derhalve ook erfgenaam. In hetzelfde testament zijn tot executeur benoemd [B] en [verweerder] (zij zijn geen familie van elkaar). [B] verzorgde al sedert jaren de financiën van [A]; [verweerder] verzorgde de belastingaangiften, zo verklaarde [verweerder] ten pleidooie. Bij aanvullend testament van 7 juni 2004 is ten aanzien van de beloning van [verweerder] bepaald dat deze beloning gelijk is aan de beloning als bedoeld in artikel 4:144 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op 3 oktober 2004 is [A] overleden. [verweerder] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard. [verzoekers] hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. Ten tijde van het overlijden van [A] had de nalatenschap een negatieve waarde van afgerond € 68.000,- in verband met de verkoop (op 14 oktober 1989) van zijn woning aan ene [C] (voor een bedrag van fl. 120.000 kosten verkoper) en de hoogte van de hypotheek (bijna € 168.000,-) die op de woning rustte. De woning zou na het overlijden van [A] aan [C] geleverd worden. [C] heeft na het overlijden van [A] daarom levering van de woning gevorderd. In het kader van de gerechtelijke procedure die daarover gevoerd is, is deze koopovereenkomst door een schikking ontbonden en is aan [C] begin 2006 een (schikkings)bedrag van € 15.000,- betaald. De woning is daarna voor een bedrag van € 335.000,- aan een derde verkocht, hetgeen ertoe heeft geleid dat de nalatenschap – achteraf bezien – toch een positief saldo behelsde. [verweerder] heeft voor zijn werkzaamheden in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap, medio 2006, aan [verzoekers] een voorstel gedaan om hiervoor € 12.000,- in rekening te brengen; op dit voorstel hebben [verzoekers] bij brief van 4 september 2006 (productie 3 bij inleidende dagvaarding) afwijzend gereageerd. Uiteindelijk heeft [verweerder] voor zijn werkzaamheden als executeur een bedrag van € 15.500,- van de boedelrekening afgehaald.

4.2

Bij inleidende dagvaarding van 1 november 2010 hebben [verzoekers] [verweerder] in rechte betrokken en gevorderd dat [verweerder] een bedrag van € 20.450,- aan [verzoekers] zal (terug)betalen. Ter comparitie van partijen van 20 april 2011 zijn [verzoekers] ermee akkoord gegaan een bedrag van afgerond € 2.665,- aan advocaatkosten ten laste van de nalatenschap (de ervenrekening) te laten komen, zodat resteert een vordering van € 17.785,-. De rechtbank heeft bij eindvonnis van 1 juni 2011 de vordering van [verzoekers] afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

4.3

[verzoekers] zijn met drie grieven tegen het eindvonnis opgekomen. Deze grieven beogen een volle (her)beoordeling in hoger beroep.

4.4

Het hof ziet zich ambtshalve, op de voet van artikel 25 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, voor de vraag gesteld op welke (wettelijke) grondslag partijen zich beroepen ter onderbouwing van hun stelling(en) dan wel verweren. Het hof zal hierop nader ingaan bij de beoordeling van die stellingen respectievelijk verweren.

4.5

Op grond van het aanvullend testament – en artikel 4:144 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – heeft [verweerder] als executeur recht op een beloning ter grootte van 1/100e

(= 1%) van de (positieve) waarde van het vermogen van erflater op diens sterfdag. Nu vaststaat dat het vermogen van [A] op de dag van zijn overleden negatief was, komt [verweerder] op grond van de bewoordingen van het testament (juncto artikel 4:144 lid 2 BW) geen beloning toe. Ambtshalve voegt het hof toe – evenals de rechtbank in het bestreden vonnis op pagina 3, 2e alinea – dat, gelet op artikel 4:149 lid 1 sub d BW juncto artikel 4:202 lid 1 sub a BW, met de beneficiaire aanvaarding door de erfgenamen de executele reeds bij aanvang van de afwikkeling van de nalatenschap is geëindigd en dat vereffening had moeten plaatsvinden (hetgeen overigens toen niet is gebeurd). Dit betekent dat [verweerder] na de beneficiaire aanvaarding (omstreeks januari 2005, zo lijkt uit de brief van de notaris van 19 januari 2005 te volgen) niet meer in hoedanigheid van executeur heeft kunnen handelen.

4.6

[verweerder] heeft in de conclusie van antwoord (sub 19-20) aangevoerd dat het uiterst onredelijk zou zijn als hij geen enkele vergoeding zou ontvangen voor de werkzaamheden die hij heeft verricht in het kader van de gerechtelijke procedure tegen [C], als gevolg waarvan de boedel in 2006 een positieve waarde (van ongeveer € 171.330,-) heeft gekregen. Hij voert primair als grondslag voor zijn beloning aan, dat de door hem verrichte werkzaamheden buiten de normale werkzaamheden van een executeur-testamentair vallen. Subsidiair (conclusie van antwoord sub 21), indien geoordeeld zou worden dat de door hem verrichte werkzaamheden wel onder die normale werkzaamheden vallen, dient op gronden van redelijkheid en billijkheid van de testamentaire regeling afgeweken worden.

4.7

Het hof verstaat het primaire betoog van [verweerder] aldus, dat hij zich beroept op zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW. Hiervan is sprake als de zaakwaarnemer zich welbewust en op redelijke grond bezighoudt met het behartigen van iemand anders belang, zonder dat de zaakwaarnemer hiertoe de bevoegdheid ontleent aan de wet of aan een overeenkomst of anderszins. Uit de stellingen van [verweerder] (onder andere conclusie van antwoord sub 10-13 en memorie van antwoord sub 8-10) begrijpt het hof dat hij vooral veel tijd heeft besteed aan de procedure tegen [C] en dat hij daarvoor dan ook een redelijke vergoeding wenst.

Uit de stukken en op grond van hetgeen [verweerder] ten pleidooie heeft toegelicht, volgt dat [C] beslag had gelegd op de woning (teneinde levering van de woning veilig te stellen) en dat de advocaat van [C] (mr. H.A. Koning) beide executeurs bij (aangetekende) brief van 27 oktober 2004 (productie 4 bij rolbericht 29 augustus 2013) heeft aangeschreven om levering van de woning te bewerkstelligen. Uit de brief van mr. Boogaard van 28 december 2005 (onderdeel van productie 3 bij rolbericht 29 augustus 2013) blijkt, dat hij als advocaat van [verweerder] en [B] in de procedure tegen [C] was betrokken; in diezelfde brief vraagt mr. Boogaard aan [verzoeker] om als getuige op te treden. Ten pleidooie heeft [verzoeker] desgevraagd geantwoord dat hij niet als getuige wilde optreden en dat hij toen zelf contact heeft gezocht met [C] om hem een bedrag aan te bieden. Er was nog € 40.000,- over en [verzoeker] bood [C] € 15.000,-. Er is toen ongeveer een half jaar overheen gegaan, aldus nog steeds [verzoeker], en na weer een telefoongesprek is [C] uiteindelijk akkoord gegaan met het (schikkings)bedrag van € 15.000,-. Dat akkoord zou medio 2006 zijn geweest; daarna is het beslag van de woning gehaald en is de woning verkocht aan een derde. Een en ander strookt in grote lijnen met de brief van 7 december 2006 van [verzoeker] aan mr. Boogaard (onderdeel van productie 3 bij rolbericht van 29 augustus 2013).

Per brief van 12 april 2006 van [verweerder] aan de “[D]” (aan het adres van de notaris) heeft [verweerder] een gespecificeerde urenbegroting gestuurd en een verzoek gedaan tot betaling van € 13.400,-. Per brief van 26 april 2008 heeft [verweerder] een tweede declaratie gestuurd van € 2.100,- over de periode 12 april 2006-25 april 2008.

Ter comparitie bij de rechtbank op 20 april 2011 heeft [verzoeker] onder meer verklaard, dat hij zelf medio 2006 een eigen advocaat heeft ingeschakeld om uit de impasse met [verweerder] te geraken en dat hij tot die tijd [verweerder], “zij het soms met kritische kanttekeningen”, zijn werkzaamheden heeft laten verrichten.

4.8

Uit de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden concludeert het hof dat [verweerder] als zaakwaarnemer heeft kunnen optreden: hij heeft op redelijke grond de belangen behartigd van de erfgenamen van [A] toen hij, kennelijk met de andere executeur [B], in rechte werd betrokken (zie ook artikel 6:201 BW). Het hof heeft al onder 4.5 geoordeeld, dat [verweerder] krachtens de wet na de beneficiaire aanvaarding niet meer in hoedanigheid van executeur heeft kunnen optreden (het feit dat hij kennelijk wel in die hoedanigheid in rechte is betrokken door [C] doet daar niets aan af), zodat [verweerder] zijn bevoegdheid tot handelen niet ontleende of kon ontlenen aan zijn reeds geëindigde taak als executeur en dus ook vanuit dit punt bezien als zaakwaarnemer kon optreden. Of [verzoeker] op de hoogte was (gebracht) van de door [C] aangespannen procedure kan in het midden blijven, omdat [verweerder] op redelijke grond de belangen van de erfgenamen kon (en zelfs moest) waarnemen door in rechte verweer te voeren, namens de erfgenamen, tegen de vordering van [C]. Dat ook [verzoeker] heeft bijgedragen aan het beëindigen van de procedure tegen [C], laat onverlet dat de werkzaamheden die [verweerder] heeft verricht in het kader van die procedure onder zijn zaakwaarneming vallen. Uit de verklaring van [verzoeker] ter comparitie van 20 april 2011 leidt het hof voorts af, dat [verzoeker] [verweerder] zijn werkzaamheden ook heeft laten verrichten en aldus ook geen (grote) bezwaren had tegen de zaakwaarneming door [verweerder]. Dit betekent dat niet alleen de handelingen die [verweerder] heeft verricht ten aanzien van de procedure tegen [C], maar dat ook de andere handelingen in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap onder de zaakwaarneming vallen.

4.9

Deze zaakwaarneming eindigde echter per september 2006 toen [verzoekers] in hun brief van 4 september 2006, die overigens mede ondertekend is door [B] (productie 3 bij inleidende dagvaarding) uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven geen vergoeding te willen geven voor de door [verweerder] verrichte werkzaamheden. Uit deze brief (gezien ook de latere reactie daarop van mr. Boogaard per brief van 1 december 2006; productie 5 bij inleidende dagvaarding) kon en moest [verweerder] wel afleiden dat [verzoekers] inmenging van [verweerder] niet meer wensten, zodat er rechtens geen sprake meer kan zijn van het nadien op redelijke grond behartigen van de belangen van de erfgenamen.

4.10

Gelet op artikel 6:200 lid 1 BW heeft [verweerder] als zaakwaarnemer recht op vergoeding van zijn schade (als bedoeld in de artikelen 6:95 en 6:96 BW), die de rechter kan begroten (op de voet van artikel 6:97 BW). Uit de stellingen van partijen, mede bezien in het licht van de brief van 1 december 2006 van mr. Boogaard, leidt het hof af dat [verweerder] in feite stelt dat er sprake is van inkomstenderving om zijn taken in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap tot een goed einde te brengen. [verweerder] heeft in zijn eerste declaratie van 12 april 2006 268 uur opgevoerd tegen € 50,- per uur. Het hof verstaat deze declaratie dan ook als schade in het kader van inkomstenderving. [verzoekers] hebben wel in het algemeen bezwaren tegen deze declaratie aangevoerd, doch die zien meer op de discussie tussen partijen of [verweerder] (volgens de bewoordingen van het aanvullende testament) aanspraak kan maken op de executeursbeloning (omdat het saldo van de nalatenschap op de sterfdag negatief was) dan op de werkzaamheden die [verweerder] heeft verricht. De algemene opmerking ter comparitie van 20 april 2011 dat [verweerder] veel te veel (overbodige) werkzaamheden heeft verricht, oordeelt het hof onvoldoende in het licht van die specificatie van werkzaamheden. Anderzijds heeft [verweerder] ten pleidooie aangegeven dat hij de urenspecificatie pas achteraf, ten tijde van het opmaken van die declaratie, heeft opgesteld, waaruit het hof afleidt dat deze urenspecificatie ook wel enige nauwkeurigheid ontbeert; zo is bijvoorbeeld elke handeling afgerond in uren. Ten pleidooie heeft [verweerder] ook verder niet meer duidelijkheid over het aantal bestede uren kunnen verschaffen dan hetgeen hij weergegeven heeft in zijn specificatie. Dit betekent dat het hof naar alle redelijkheid een schatting zal (moeten) maken (ex artikel 6:97 BW) naar de door [verweerder] geleden schade vanwege inkomstenderving; het hof hakt de knoop in het midden door en oordeelt dat aan [verweerder] de helft van het gedeclareerde bedrag ad € 13.600,- over de periode vanaf overlijden tot medio april 2006 toekomt; dit is een bedrag van € 6.800,-. De tweede declaratie beslaat een periode vanaf medio april 2006 tot eind april 2008. Het hof slaat enkel acht op de urenbegroting (pagina 6) vanaf 18 april 2006 tot en met 24 augustus 2006, dit betreft een totaal aan 33 uren waarvan het hof ook weer naar redelijkheid de helft van het aantal uren als inkomstenderving zal aanmerken; dit komt neer op 16,5 uur x € 50,- = € 825,-.

Aldus begroot het hof de schade van [verweerder] op een bedrag van € 7.625,-.

5 Slotsom

5.1

De grieven van [verzoekers] slagen deels nu de rechtbank de vordering van [verzoekers] in zijn geheel heeft afgewezen. In de inleidende dagvaarding sub 18 onder c. hebben [verzoekers] onbetwist aangevoerd en gesteld dat [verweerder] zichzelf ten onrechte een bedrag van € 15.500,- heeft toegeëigend; zij wensen terugbetaling van dit bedrag inclusief rente en kosten. Het hof heeft onder 4.10 geoordeeld dat aan [verweerder] een bedrag van € 7.625,- toekomt, zodat [verweerder] het verschil van € 7.875,- aan de nalatenschap c.q. [verzoekers] dient te voldoen, met daarover de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding, 1 november 2010. Het hof zal voor alle duidelijkheid het dictum van de rechtbank vernietigen en de vordering van [verzoekers] toewijzen zoals hierboven beschreven.

5.2

Nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld zal het hof de kosten tussen partijen compenseren zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 1 juni 2011 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [verweerder] tot (terug)betaling van € 7.875,- aan [verzoekers], te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2010 tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.