Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9211

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
200.090.146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

6:265, 7:347, 7:355, 7:363 en 7:376 BW

De regeling van de pachtovereenkomst gaat ervan uit dat de pachter het gepachte zelf exploiteert. Volgens art. 7:355 BW is, tenzij partijen anders zijn overeenkomen, de pachter niet tot onderverpachting bevoegd, behoudens toestemming door de verpachter. Overgang van de positie van de pachter op een derde kan de pachter uitsluitend afdwingen door indeplaatsstelling te vorderen, welke vordering alleen mogelijk is indien de derde behoort tot de in art. 7:363 lid 1 BW omschreven kring van personen, terwijl bovendien de pachtrechter in zo’n geval beoordeelt of de voorgestelde pachter voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Tegen deze achtergrond handelt een pachter niet als goed pachter in de zin van art. 7:347 BW wanneer hij een samenwerkingverband aangaat in een zodanige vorm dat hij (feitelijk) het gepachte niet langer zelf exploiteert.

Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet. Dat neemt echter niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog zelf exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven aan de Dienst Regelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.090.146

(zaaknummer rechtbank Groningen, locatie Groningen, 292643)

arrest van de pachtkamer van 3 december 2013

inzake

[appellant],
wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk,

tegen:

[geïntimeerde],
rechtsopvolger van de overleden [A],
wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.J. Niezink.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van deze kamer van 16 augustus 2011 verwijst het hof naar dat arrest. De bij dat arrest bevolen comparitie van partijen heeft geen doorgang gevonden.

1.2

Het vervolg van de procedure blijkt uit:

■ de memorie van grieven;

■ de memorie van antwoord tevens eis in incidenteel appel;

■ de memorie van antwoord in incidenteel appel;

■ de pleidooien ter zitting van 4 november 2013, wat betreft [geïntimeerde] overeenkomstig de pleitnotitie van zijn advocaat.

1.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tussen [appellant] en [A] (hierna: [A]) is op 29 september 1997 een pachtovereenkomst vastgelegd in de notariële akte van die datum. Offerman-Dietzel heeft van [appellant] gekocht en geleverd gekregen, en verpacht aan [appellant] in totaal ongeveer 20.05.45 ha bouwland onder […] en […], kadastraal bekend gemeente […], sectie L, nummers 50, 51 (ged.), 52 en 53 (ged.).

2.2

In 2000 heeft [appellant] ongeveer 10 hectare land verkocht en geleverd aan een derde. In 2005 heeft [appellant] opnieuw gronden verkocht en geleverd aan derden, in totaal ruim 18 hectare, waaronder 3.75.00 ha aan [B] (hierna: [B]), zwager van [appellant].

2.3

Op of omstreeks 22 november 2005 heeft [appellant] aan zijn schuldeisers een

buitengerechtelijk akkoord aangeboden van 22,5%. Tegelijk zijn door [appellant] aan

[B] overgedragen machines, inventaris en onroerende zaken voor € 375.000,—.

2.4

[appellant] is per 1 januari 2006 een samenwerking aangegaan met [B]. Op dat

moment bestond het akkerbouwbedrijf van [appellant] uit ongeveer 50 ha en is hij overgegaan

van de teelt van pootgoed naar die van hoogwaardige tafelaardappelen. In een concept

maatschapsovereenkomst van 1 maart 2006 is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 8

De maten regelen hun werkzaamheden in onderling overleg, met dien verstande dat:

 de feitelijke werkzaamheden in het akkerbouwbedrijf voor het overgrote deel worden uitgevoerd door de maat [appellant];

 de gehele (financiële) administratie wordt bijgehouden door de maat [B];

 de maat [appellant] geheel zelfstandig de door hem thans gepachte landerijen exploiteert en slechts het exploitatiesaldo zal worden toegevoegd aan de winst of het verlies van de maatschap en aldus zal worden betrokken in de winst of verliesverdeling van de maatschap…”

2.5

[A] is op 13 oktober 2006 overleden. [geïntimeerde] is haar enige erfgenaam.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In dit geding heeft [geïntimeerde] onder meer ontbinding en ontruiming gevorderd op de grond (voor zover in hoger beroep van belang) dat [appellant] niet als goed pachter handelt omdat hij in het kader van zijn samenwerking met [B] de zeggenschap over het gepachte uit handen heeft gegeven. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de pachtovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gepachte bevolen, op straffe van een dwangsom, maar heeft dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast heeft de pachtkamer in eerste aanleg [appellant] veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.

3.2

In het principaal beroep komt [appellant] op tegen de ontbinding en ontruiming, alsook tegen de veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. In het incidenteel beroep concludeert [geïntimeerde] dat het hof zijn arrest uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

3.3

Grief V in het principaal beroep klaagt erover dat [appellant] ten onrechte is veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, omdat de desbetreffende vordering van [geïntimeerde] zag op beweerde schadefeiten, die zich volgens de pachtkamer in eerste aanleg (en deels ook volgens de eigen stellingen van [geïntimeerde]) niet hebben voorgedaan. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] een en ander erkend, zodat deze grief slaagt.

3.4

De overige grieven in het principaal beroep zal het hof gezamenlijk bespreken.

3.5

Het hof stelt voorop dat de regeling van de pachtovereenkomst ervan uitgaat dat de pachter het gepachte zelf exploiteert. Volgens artikel 7:355 Burgerlijk Wetboek is, tenzij partijen anders zijn overeenkomen, de pachter niet tot onderverpachting bevoegd, behoudens toestemming door de verpachter. Overgang van de positie van de pachter op een derde kan de pachter uitsluitend afdwingen door indeplaatsstelling te vorderen, welke vordering alleen mogelijk is indien de derde behoort tot de in artikel 7:363 lid 1 Burgerlijk Wetboek omschreven kring van personen, terwijl bovendien de pachtrechter in zo’n geval beoordeelt of de voorgestelde pachter voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Tegen deze achtergrond handelt een pachter niet als goed pachter in de zin van artikel 7:347 Burgerlijk Wetboek wanneer hij een samenwerkingverband aangaat in een zodanige vorm dat hij (feitelijk) het gepachte niet langer zelf exploiteert.

3.6

Op de verpachter die ontbinding vordert, rust de stelplicht en bewijslast van zijn stelling dat de pachter tekortschiet. Dat neemt echter niet weg dat indien er aanleiding bestaat tot twijfel omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog zelf exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven aan de Dienst Regelingen.

3.7

De vaststaande feiten geven voldoende aanleiding tot twijfel in de zojuist bedoelde zin. Tegen die achtergrond heeft het hof arrest van 16 augustus 2011, dus reeds voorafgaand aan de memorie van grieven, aan [appellant] verzocht om kopieën in het geding te brengen van:

■ een ondertekende maatschapsakte;

■ jaarstukken omzetgegevens over de periode 2006-2010;

■ de gecombineerde opgaven over de periode 2006-2010;

■ vaststelling en uitbetaling van toeslagrechten, inclusief bankafschriften;

■ bestelformulieren en facturen betreffende kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen.

3.8

Dat de bij het vonnis van 16 augustus 2011 bevolen comparitie van partijen geen doorgang heeft gevonden, neemt niet weg dat het aan [appellant] duidelijk moet zijn geworden dat van hem werd verlangd met schriftelijke stukken inzicht te bieden in de wijze waarop het gepachte wordt geëxploiteerd.

3.9

[appellant] heeft bij memorie van grieven, genomen op de rol van 10 januari 2012, als productie 1 in het geding gebracht een concept van een jaarrekening 2006. In dit verband heeft hij toegelicht dat zijn accountant zeer plotseling is overleden en dat diens opvolgster nog niet in staat is geweest om “alle jaarrekeningen” op te stellen. Daarbij heeft hij aangekondigd later in de procedure alsnog de definitieve jaarrekeningen van 2006 tot en met 2010 in het geding te zullen brengen (memorie van grieven p. 7 onder 1). Daarnaast heeft [appellant] nog in het geding gebracht een vaststelling van de bedrijfstoeslag 2008, een overzicht van op naam van [appellant] geregistreerde toeslagrechten, overzichten gewaspercelen 2008 en 2009, aangiftes met betrekking tot de landbouwtelling 2007 tot en met 2010 en enkele verklaringen van verpachters (“verhuurders”) en leveranciers. In eerste aanleg had [appellant] onder meer nog overgelegd een bewijs inschrijving bedrijfsvoerder van 26 maart 2008, een verklaring van de toenmalige accountant van [appellant] over onder meer het doen van gecombineerde opgaven, de gecombineerde opgaven 2008 en 2009, tekeningen van bouwplannen 2006-2009 en balansen per eind 2006, 2007 en 2008. Aan de hiervoor bedoelde aankondiging om alsnog definitieve jaarrekeningen over 2006 en volgende jaren in het geding te brengen, heeft [appellant] geen vervolg gegeven.

3.10

Aldus heeft [appellant] volstrekt onvoldoende inhoud gegeven aan de hiervoor bedoelde gehoudenheid om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Jaarstukken over jaren 2009 en volgende ontbreken geheel. De status van de in eerste aanleg overgelegde balansen per eind 2006, 2007 en 2008 is geheel onduidelijk. Volgens de eigen stellingen van [appellant] bestond immers ten tijde van de memorie van grieven de jaarrekening over 2006 nog slechts in concept. Ook ontbreken gecombineerde opgaven over recente jaren (de laatste betreft het jaar 2009).

3.11

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft het hof aan [appellant] vragen gesteld. Daarop heeft [appellant] uiteindelijk laten weten dat er jaarstukken zouden zijn tot en met het boekjaar 2011. Die stukken heeft hij echter niet overgelegd.

3.12

Ook op inhoudelijke gronden – dus los van [appellant]’ gehoudenheid om stukken in het geding te brengen – geldt dat [appellant] zijn betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarnaar gevraagd hebben [appellant] en zijn advocaat bij gelegenheid van het pleidooi namelijk laten weten dat gespecificeerde gegevens over de exploitatie, zoals opbrengsten en kosten, niet uit de (niet overgelegde) jaarrekeningen blijken, maar alleen het bedrag dat [appellant] “op zijn rekening krijgt”. Op basis daarvan wordt aangifte bij de fiscus gedaan. Dit laatste wijst er op dat [appellant] inmiddels niet langer de ondernemer is en mogelijk slechts een (loon)vergoeding ontvangt. Het lag daarom ook op inhoudelijke gronden op de weg van [appellant] om de wijze waarop het gepachte wordt geëxploiteerd, nader toe te lichten.

3.13

Bij gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] nog aangeboden een afschrift van een vaststellingsovereenkomst in het geding te brengen, waarbij de relatie tussen [appellant] en [B] zou zijn beëindigd. Dat baat hem niet, omdat een eventuele beëindiging van de relatie met [B] niet kan wegnemen dat het ervoor moet worden gehouden dat [appellant] gedurende in ieder geval enige tijd (mogelijk gedurende jaren) het gepachte niet zelf heeft geëxploiteerd.

3.14

Uit het voorgaande volgt dat de pachtkamer in eerste aanleg de pachtovereenkomst terecht heeft ontbonden en terecht de ontruiming van het gepachte heeft bevolen. De door de pachtkamer in eerste aanleg aan de veroordeling tot ontruiming verbonden dwangsom (€1.000,— per dag met een maximum van € 100.000,—) acht het hof gepast, zodat ook in zoverre de grieven falen.

3.15

Door de schorsende werking van het hoger beroep kan [appellant] thans nog geen dwangsom hebben verbeurd. Het hof zal een nieuwe ontruimingstermijn bepalen en de dwangsom verbinden aan de aldus herhaalde veroordeling tot ontruiming. Het hof zal het vonnis van 1 juni 2011 dus vernietigen, met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten. Voor wat betreft de vernietiging van de veroordeling van [appellant] tot schadevergoeding nader op te maken bij staat, verwijst het hof naar wat onder 3.3 is overwogen. Voor het overige zal het hof de bestreden vonnissen bekrachtigen.

3.16

De strekking van het door [geïntimeerde] ingestelde incidenteel beroep is dat het hof zijn arrest, anders dan de rechtbank heeft gedaan ten aanzien van het eindvonnis van 1 juni 2011, uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. [geïntimeerde] heeft bij die verklaring voldoende belang en hetgeen [appellant] daartegen heeft ingebracht, acht het hof niet overtuigend.

3.17

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep. De kosten van het principaal beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zal het hof begroten op € 284,— voor griffierecht en op € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (drie punten tarief II). In het incidenteel beroep zal het hof geen proceskostenveroordeling uitspreken, omdat dit beroep onnodig was. Uitvoerbaarbijvoorraadverklaring is een rechterlijke beslissing met betrekking tot (niet het gevorderde als zodanig, maar) de executoriale kracht van het vonnis of arrest waarbij over het gevorderde wordt beslist voor het geval dat daartegen een rechtsmiddel wordt ingesteld. Die beslissing kan weliswaar in beginsel alleen op vordering van een procespartij worden genomen, maar dat betekent niet dat [geïntimeerde] die vordering in de vorm van een incidenteel beroep behoefde in te stellen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, van 23 september 2009 en 10 maart 2010;

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, van 1 juni 2011, met uitzondering van de beslissing omtrent de proceskosten, en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] het gepachte uiterlijk op 1 januari 2014 te ontruimen wanneer die datum valt één maand na de betekening van dit arrest, en anders binnen één maand na die betekening, op straffe van een dwangsom van € 1.000,— per dag voor iedere dag dat [appellant] aan deze veroordeling niet voldoet, tot een maximum van € 100.000,—;

bekrachtigt bedoeld vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal beroep, tot op de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft het principaal beroep begroot op € 284,— voor griffierecht en € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, J.H. Lieber en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.