Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9207

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
200.052.296
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting huur na overlijden – standplaats - - afstemming Huisvestingswet en huurrecht – huisvestingsvergunning – duurzame gemeenschappelijke huishouding - tweeconclusieregel – erkenning – interveniërende partij

Verhuurder kan niet meer terugkomen van erkenning dat het gehuurde een standplaats is, ook niet als aan zijn zijde gevoegde partij heeft betoogd dat het gehuurde een onbebouwde onroerende zaak is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/125

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.052.296

(zaaknummer rechtbank Utrecht 545280)

arrest van de tweede civiele kamer van 3 december 2013

in de zaak van

1 [appellante sub 1],

2. [appellante sub 2]

3. [appellant sub 3],

allen wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal hoger beroep,

verweerders in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellanten],

advocaat: mr. A.W. van Luipen,

tegen:

1. de rechtspersoon naar publiek recht

de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

zetelende te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

hierna: de Gemeente,

advocaat: mr. J.M. van Noort,

en tegen

2 [geïntimeerde sub 2],

3.[geïntimeerde sub 3],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [geïntimeerde sub 2 en sub 3],

advocaat: mr. J.P.H. Jacobs.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt hier over de inhoud van het tussenarrest van 24 mei 2011, waarin mr. W.M. de Brauw te Heino is benoemd tot mediator. De mediation heeft niet tot resultaat geleid.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

■ de akte voortzetting procedure tevens overlegging productie van [geïntimeerde sub 2 en sub 3],

■ de akte voortzetting procedure tevens overlegging producties van de Gemeente,

■ de antwoordakte na pleidooi en mediation van [appellanten] van 27 november 2012,

■ de antwoordakte na pleidooi en mediation van [appellanten] van 8 januari 2013.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof blijft bij de vaststelling van de feiten onder 3.1 tot en met 3.11 van het tussenarrest en voegt daaraan het volgende toe.

2.2

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 9 november 2011 uitspraak gedaan in het door [appellanten] ingestelde hoger beroep tegen de in 3.11 van het tussenarrest genoemde uitspraak van de rechtbank Utrecht. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2011:BU3767). Zij heeft beslist dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de standplaats van [appellanten] geen standplaats is in de zin van de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening van de Gemeente en dat het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (hierna: het college) reeds om die reden de huisvestingsvergunningen mocht weigeren.

3 De motivering van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

3.1

In de kern gaat het in deze procedure om het volgende. [appellanten], die zusters en broer zijn, zijn bewoners van een woonwagen die is geplaatst op het adres [adres] te [adres] (hierna: het perceel). Zij zijn daar als kinderen met hun ouders gaan wonen. Het perceel is in 1982 eigendom geworden van [geïntimeerde sub 2 en sub 3]. De Gemeente huurt het perceel vanaf de jaren vijftig. [geïntimeerde sub 2 en sub 3] en de Gemeente hebben de huurverhouding in 1982 opnieuw vastgelegd. De Gemeente heeft het perceel aan de vader van [appellanten] in gebruik gegeven. In 1980 hebben de Gemeente en de ouders van [appellanten] hun rechtsverhouding opnieuw vastgelegd. De vader van [appellanten] is op 16 maart 2007 overleden. Hun moeder was daarvóór overleden. [appellanten] hebben in conventie gevorderd dat zij de huur van hun vader voortzetten. De Gemeente heeft in reconventie onder de voorwaarde dat de vordering van [appellanten] in conventie zou worden afgewezen, ontruiming gevorderd. [geïntimeerde sub 2 en sub 3] zijn als interveniërende partij tot het geding toegetreden en hebben geconcludeerd, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van [appellanten]. De kantonrechter heeft de vordering in conventie afgewezen, omdat [appellanten] geen huisvestingsvergunning hebben kunnen overleggen. Zij heeft de vordering in reconventie toegewezen. Het procesverloop in hoger beroep is uiteengezet in 2.1 tot en met 2.7 van het tussenarrest en in 1.1 tot en met 1.3, hierboven.

3.2

[appellanten] stellen in de grieven I tot en met III in principaal hoger beroep, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, dat de kantonrechter in het tussenvonnis van 5 maart 2008 [geïntimeerde sub 2 en sub 3] ten onrechte hebben toegelaten als tussenkomende partij. Zij betwisten dat [geïntimeerde sub 2 en sub 3] een voldoende rechtstreeks belang hebben bij de uitkomst van de procedure. Deze grieven worden verworpen. Als grondeigenaar/hoofdverhuurder van de bij [appellanten] in gebruik zijnde grond hebben [geïntimeerde sub 2 en sub 3] een voldoende rechtstreeks belang om in deze procedure te verdedigen dat [appellanten] de huur van hun vader niet kunnen voortzetten. Zij willen daarmee voorkomen dat een ongunstige uitspraak in deze procedure negatieve consequenties heeft voor het nog lopende hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter te Amersfoort van 16 augustus 2000. Verder wensen zij te bewerkstelligen dat het perceel, dat een enclave is tussen door hen verpachte grond, conform de bestemming als landbouwgrond zal worden gebruikt. Aan het aannemen van voldoende belang doet niet af dat [geïntimeerde sub 2 en sub 3] eerder zonder succes bij de kantonrechter te Amersfoort ontruiming van de Gemeente en ontbinding van de huurovereenkomst met de Gemeente hebben gevorderd, dat zij nog niet tot opzegging van de huurovereenkomst met de Gemeente zijn overgegaan en dat de financiering van de noodzakelijke bodemsanering nog onduidelijk is.

3.3

Het hof merkt op dat [geïntimeerde sub 2 en sub 3] in het incident hebben gevorderd dat zij worden toegelaten als tussenkomende partij en dat de kantonrechter de vordering heeft toegewezen, maar dat [geïntimeerde sub 2 en sub 3] bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak hebben gevorderd, kort gezegd, de vordering van [appellanten] af te wijzen. Dat brengt mee dat [geïntimeerde sub 2 en sub 3], gezien hun eigen proceshouding, niet zozeer als tussenkomende partij moeten worden beschouwd, maar als gevoegde partij.

3.4

[geïntimeerde sub 2 en sub 3] stellen in grief I in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde sub 2 en sub 3] dat de kantonrechter ten onrechte in r.o. 1.1 van het eindvonnis heeft vastgesteld dat de ouders van [appellanten] sinds 1969 gebruik maken van het perceel. Tijdens pleidooi in hoger beroep op 25 maart 2011 hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 3] verklaard dat zij veertien, resp. vier jaar waren toen zij op het perceel kwamen wonen. Ten tijde van het pleidooi waren zij 51, resp. 40 jaar. Dat betekent dat zij omstreeks 1974 met hun ouders zijn gaan wonen op het perceel. De grief is weliswaar gegrond, maar leidt niet tot vernietiging van het vonnis. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten in 3.1 van het tussenarrest de datum van vestiging op het perceel van de familie [naam 1] in het midden gelaten.

3.5

De grieven II tot en met IV in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde sub 2 en sub 3], die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, komen op tegen de oordelen van de rechtbank in r.o. 3.1 tot en met 3.4 van het eindvonnis dat er sprake is van een huurovereenkomst, nu [appellanten] en de Gemeente het erover eens zijn dat huur betaald moet worden, en dat het huur van woonruimte betreft. Volgens [geïntimeerde sub 2 en sub 3] blijkt uit niets dat een tegensprestatie verschuldigd is en al helemaal niet dat deze is betaald. Zij stellen verder dat het perceel geen standplaats is in de zin van artikel 7:236 BW, zodat de huurovereenkomst, als deze al moet worden aangenomen, er een is van bedrijfsruimte of van een onbebouwde onroerende zaak. Zij zoeken voor hun stellingen steun bij de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011.

3.6

Een gevoegde partij kan de stellingen van de hoofdpartij aanvullen, maar de rechter kan stellingen die strijden met die van de hoofdpartij niet in zijn beoordeling betrekken (HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9067). De Gemeente heeft zelf betoogd dat de rechtsverhouding tussen haar en de vader van [appellanten] moet worden gekwalificeerd als huur. Dat betekent dat er geen ruimte is voor [geïntimeerde sub 2 en sub 3] als gevoegde partij te betogen dat de rechtsverhouding er een van bruikleen is. Grief II gaat al om die reden niet op.

3.7

De Gemeente heeft de rechtsverhouding met [appellanten] aanvankelijk evenals [appellanten] gekwalificeerd als huur van een standplaats in de zin van artikel 7:236 BW en dus van woonruimte (zie vooral nr. 12 van de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en verder ook nr. 5 van de akte van 27 november 2012). Zij heeft in de memorie van antwoord geen stelling genomen tegen de kwalificatie door de kantonrechter in r.o. 3.3 en 3.4 van het eindvonnis dat het gaat om huur van woonruimte. Bij akte voortzetting procedure tevens overlegging van producties van 27 november 2012 komt zij terug van die opvatting en stelt zij dat de rechtsverhouding moet worden gezien als huur van een onbebouwde onroerende zaak. Zij licht toe dat zij tot dit gewijzigde inzicht is gekomen door de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011, die oordeelde dat het perceel geen standplaats is in de zin van de Huisvestingswet. Die uitspraak heeft volgens haar in dit civiele geding formele rechtskracht. Het begrip standplaats in artikel 1 sub e Huisvestingswet heeft dezelfde betekenis als in artikel 7:236 BW. Voorkomen moet worden dat de rechtspraak van bestuurs- en burgerlijke rechter uiteen gaan lopen. Zij achtte zich voorshands gebonden aan het oordeel van de kantonrechter te Amersfoort in het vonnis van 16 augustus 2000, maar ziet zich nu genoodzaakt haar standpunt te wijzigen. [appellanten] hebben aangevoerd dat deze koerswijziging in strijd is met een goede procesorde en dat de Gemeente niet meer van haar eerdere standpunt kan terugkomen.

3.8

Het hof oordeelt dat er voor de Gemeente geen ruimte meer is te betogen dat de huurovereenkomst betrekking heeft op een onbebouwde onroerende zaak. Zij heeft in eerste aanleg ondubbelzinnig en uitdrukkelijk erkend in de zin van artikel 154 Rv dat het om huur van woonruimte gaat. [appellanten] hebben een en ander ook opgevat als een erkenning (nr. 2 van de conclusie van dupliek in reconventie, etc.). De Gemeente is van haar stelling in hoger beroep tot aan de akte van 27 november 2012 niet teruggekomen en heeft evenmin gereageerd op de stelling van [appellanten] dat het om een erkenning gaat. Nog bij gelegenheid van de pleidooien van 25 maart 2011 – dus nàdat de sector bestuursrecht van de rechtbank Utrecht in zijn uitspraak van 24 december 2010 reeds had geoordeeld dat het perceel waarvoor de huisvestingsvergunning was aangevraagd, geen standplaats was als bedoeld in de Huisvestingswet – heeft de Gemeente betoogd dat de vraag voorligt of [appellanten] op grond van artikel 7:268 lid 2 BW recht hebben op voortzetting van de huur, welke bepaling deel uitmaakt van afdeling 7.4.5 BW (huur van woonruimte). Voor herroeping van een gedane erkenning is alleen ruimte bij een vergissing of een misverstand. De Gemeente heeft deze gronden voor herroeping niet gesteld en zij zijn ook niet gebleken. Het oordeel van de kantonrechter te Amersfoort in het vonnis van 16 augustus 2000, dat het gaat om huur van woonruimte, heeft de Gemeente zelf uitgelokt door in die procedure een verweer van die strekking te voeren. Als er al sprake is van een misverstand, komt dat voor haar rekening. Het college heeft in zijn primaire besluiten op de aanvragen voor een huisvestingsvergunning van 28 mei 2009 beslist dat het perceel geen standplaats is in de zin van artikel 1 sub e Huisvestingswet (de besluiten zijn niet overgelegd, maar zijn te kennen uit r.o. 1.1 van de uitspraak van de sector bestuursrecht van de rechtbank Utrecht). Dat duidt niet op een bij de Gemeente bestaand(e) misverstand of vergissing. Het beginsel van formele rechtskracht gaat niet zover dat de burgerlijke rechter gebonden is voor zijn beslissing over artikel 7:236 BW aan een oordeel van de bestuursrechter over artikel 1 sub e Huisvestingswet, ook al heeft de wetgever bedoeld dat beide begrippen dezelfde inhoud hebben. Als de Gemeente in een civiele procedure een standpunt verdedigt, dat haaks staat op haar standpunt in een bestuursrechtelijke procedure, zijn tegenstrijdige uitspraken niet uit te sluiten.

3.9

Ook staat de tweeconclusieregel, die niet alleen geldt voor wijzigingen van eis maar ook voor wijzigingen of aanvullingen van het verweer, in de weg aan het alsnog beoordelen van het gewijzigde standpunt van de Gemeente. [appellanten] hebben niet ingestemd met het in de rechtsstrijd betrekken van het gewijzigde standpunt. De aard van deze procedure brengt niet mee dat er meer ruimte is voor het wijzigen van het verweer. Al vóór het nemen van de memorie van antwoord door de Gemeente had het college beslist dat de huisvestingsvergunningen moesten worden geweigerd omdat het perceel geen standplaats is in de zin van de Huisvestingswet. Het gaat daarom niet om nieuwe feiten of omstandigheden. De bevestiging van dat standpunt door de bestuursrechters kan niet worden gezien als een nieuw feit.

3.10

Het voorgaande leidt er verder toe dat de stellingen van [geïntimeerde sub 2 en sub 3] dat het perceel geen standplaats is en dat de (huur-)overeenkomst moet worden gekwalificeerd als één met betrekking tot bedrijfsruimte, afwijken van het standpunt van de Gemeente en daarom door het hof niet kunnen worden betrokken in zijn oordeel. Reeds om die redenen zijn de grieven III en IV in het incidenteel hoger beroep ongegrond.

3.11

Voor zover het hof ten gevolge van deze oordelen zijn beslissing mogelijk baseert op een onjuiste kwalificatie van de rechtsverhouding tussen (de vader van) [appellanten] en de Gemeente, geldt het volgende. Artikel 154 Rv en de tweeconclusieregel berusten onder meer op de beginselen van hoor en wederhoor en van een voortvarende procesgang. In dit geval hebben [geïntimeerde sub 2 en sub 3] vanaf de conclusie van antwoord aangevoerd dat de huurovereenkomst er niet een is met betrekking tot woonruimte. [appellanten] hebben dat verweer bestreden en de kantonrechter is in de r.o. 3.3 en 3.4 van het eindvonnis op dat verweer ingegaan. [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hebben het geschilpunt onderwerp gemaakt van een incidenteel hoger beroep, zodat [appellanten] daarop weer hebben kunnen reageren in de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep. [appellanten] hebben dus vóór het moment waarop de Gemeente haar standpunt wijzigde, voldoende mogelijkheden gehad het bewuste verweer te bestrijden. Niettemin brengt dit een en ander niet mee dat het hof toch het verweer dat het perceel geen standplaats is, zal onderzoeken. [appellanten] mogen ervan uitgaan dat hun vordering zal worden beoordeeld, uitgaande van een huurovereenkomst van woonruimte, nu haar wederpartij bij die overeenkomst die kwalificatie tot de laatste akte niet heeft betwist en zelfs heeft erkend. Dat de gevoegde partij die bij die overeenkomst geen partij is, daar anders over denkt, weegt onvoldoende zwaar.

3.12

De grieven IV tot en met VI in het principaal hoger beroep, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, richten zich kennelijk tegen de oordelen van de kantonrechter in de r.o. 3.6 tot en met 3.10 van het eindvonnis, waarin de kantonrechter heeft beslist dat hoofdstuk II van de Huisvestingswet op het perceel van toepassing is en dat de vordering van [appellanten] moet worden afgewezen, omdat zij geen huisvestingsvergunning hebben overgelegd.

3.13

De grieven zijn gegrond. De bestuursrechters hebben het oordeel van het college in stand gelaten dat op het perceel hoofdstuk II van de Huisvestingswet niet van toepassing is. De burgerlijke rechter is aan dit oordeel gebonden. Artikel 7:268 lid 3 sub c BW brengt mee dat [appellanten] in dat geval geen huisvestingsvergunning behoeven over te leggen.

3.14

De Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hebben niet betwist dat [appellanten] ten tijde van het overlijden van hun vader hun hoofdverblijf hadden in de woonwagen op het perceel.

3.15

In eerste aanleg heeft de Gemeente tegen de vordering van [appellanten] verder aangevoerd dat er geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW. [appellanten] hebben gesteld dat zij vanaf hun geboorte tot de dood van hun ouders ononderbroken hebben samengewoond met hun ouders, vanaf 1974 in de woonwagen op het perceel, dat deze bewoning na hun meerderjarigheid duurzaam is voortgezet, dat zij gezamenlijk leefden in één huiskamer en één keuken, dat alle uitgaven werden voldaan uit de gemeenschappelijke huishoudpot en dat zij elkaar duurzaam wederzijds verzorgden. Ter uitwerking van deze stellingen hebben zij een advies van de bezwaarcommissie van de voormalige gemeente [naam 2] van 14 juli 1998 in het geding gebracht (productie 6 bij conclusie van dupliek in reconventie, etc.), waaruit blijkt dat [appellante sub 1] 39 uur en 15 minuten per week besteedde aan de verzorging van de zieke moeder van [appellanten]. Zij hebben verder gesteld dat conform gebruik in de woonwagenwereld betalingen contant geschiedden, zodat zij geen schriftelijke bewijsstukken van betalingen kunnen overleggen.

3.16

De Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hebben de stellingen van [appellanten] betwist. Zij hebben niet concreet aangegeven in welk opzicht de stellingen van [appellanten] onjuist zijn. Een uitzondering is dat volgens de Gemeente in 1999 bouwsels op het perceel zouden zijn bijgebouwd en dat [appellanten] daarin mogelijk zijn gaan wonen. Na de betwisting door [appellanten] van dat betoog is de Gemeente daarop niet meer teruggekomen.

3.17

Op [appellanten] rusten stelplicht en bewijslast voor hun stelling dat zij duurzaam gemeenschappelijk hebben samengewoond met in ieder geval hun vader. Er zijn geen aanwijzingen om te veronderstellen dat [appellanten] - en hun ouders tot hun dood - niet vanaf 1974 ononderbroken op het perceel hebben gewoond. De Gemeente heeft de ononderbroken bewoning door [appellanten] op het perceel niet betwist. Dat is relevant, omdat de Gemeente de verantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie en dus op de hoogte is van de woonplaats van haar ingezetenen. Het hof gaat daarom voorbij aan de ongemotiveerde betwisting door [geïntimeerde sub 2 en sub 3] van die ononderbroken bewoning. Dat betekent dat het gezin [naam 1] vanaf 1974 tot de dood van de ouders ononderbroken en gezamenlijk in de kleine behuizing van een woonwagen hebben samengeleefd. Dat brengt weer mee dat van de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] concretere betwistingen hadden mogen worden verwacht van het gedetailleerde relaas van [appellanten] over hun duurzame gemeenschappelijke huishouding, die in dit geval nu eenmaal niet zo gemakkelijk aan de hand van schriftelijke stukken is te illustreren. Dit een en ander betekent dat de duurzame gemeenschappelijk huishouding die [appellanten] hadden met hun vader, onvoldoende gemotiveerd is betwist en daarmee vaststaat. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

3.18

[geïntimeerde sub 2 en sub 3] hebben betwist dat [appellanten] voldoende financiële waarborgen bieden voor een behoorlijke nakoming van de huur als bedoeld in artikel 7:268 lid 3 sub b BW. [appellanten] hebben gesteld dat zij over voldoende middelen beschikken om de huur te betalen, ook om een eventuele huurachterstand te voldoen. De Gemeente heeft als verhuurder deze soliditeit niet betwist en heeft aangevoerd dat een huurachterstand geen onderwerp van het debat uitmaakt (nr. 3 van de conclusie van dupliek in conventie, etc.). Daarmee heeft de Gemeente aangegeven de soliditeit niet in de rechtsstrijd te willen betrekken, zodat de daarmee strijdige stelling van [geïntimeerde sub 2 en sub 3] geen behandeling behoeft. Dat impliceert dat niet is vast komen te staan dat [appellanten] onvoldoende waarborgen bieden voor de nakoming van de huur.

3.19

De Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hebben aangevoerd dat [naam 1] het aanbod van de Gemeente heeft aanvaard voor een woonwagenwoning in [adres] en dat zij daarom geen belang heeft bij haar vordering tot voortzetting van de huur. [appellanten] hebben daarop aangegeven dat de woning nog niet gerealiseerd is en dat [naam 1], zolang dat niet is gebeurd, belang heeft bij de vordering. Door de Gemeente is tijdens het pleidooi verklaard dat het plan vertraging heeft opgelopen. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat [naam 1] geen belang heeft bij haar vordering.

3.20

Al het voorgaande brengt mee dat de afwijzingsgronden, genoemd in artikel 7:268 lid 3 BW, die voortzetting door [appellanten] van de huurovereenkomst tussen hun vader en de Gemeente beletten, niet aanwezig zijn. De vordering in conventie zal daarom alsnog worden toegewezen, op de wijze als in het dictum geformuleerd. Dat brengt verder mee dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie tot ontruiming is ingesteld, niet is vervuld, zodat de vordering geen behandeling behoeft. Dat leidt ertoe dat de r.o. 3.11 tot en met 3.14 en het dictum in reconventie van het eindvonnis niet in stand kunnen blijven. De grieven VII en VIII, die zich richten tegen de beslissing van de kantonrechter in r.o. 3.11 e.v. van het eindvonnis, behoeven daarom geen behandeling.

3.21

Grief IX die zich richt tegen de proceskostenveroordeling ten opzichte van [geïntimeerde sub 2 en sub 3] is gegrond, nu de vordering in conventie alsnog zal worden toegewezen en [appellanten] ook ten opzichte van [geïntimeerde sub 2 en sub 3] als de in het gelijk te stellen partij hebben te gelden. [appellanten] hebben onder II.E van het petitum gevorderd om de Gemeente te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg. Het hof leest dit als een grief tegen de proceskostenveroordelingen ten gunste van de Gemeente in eerste aanleg. Aldus gelezen is de grief gegrond en kan het vonnis ook in dat opzicht niet in stand blijven. Hoewel de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld, niet is vervuld, zou de daarin gevorderde ontruiming niet zijn toegewezen. Om die reden dienen de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] wel in de kosten van de reconventie te worden veroordeeld.

3.22

Onder II.D hebben [appellanten] gevorderd de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] te veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] op grond van de vonnissen van de kantonrechter aan hen hebben voldaan. Omdat [appellanten] niet hebben gesteld dat zij de proceskostenveroordelingen in het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindvonnis hebben betaald, zal dat onderdeel van het petitum worden afgewezen.

3.23

Bij de grieven X en XI, die de afwijzing van een verzoek om een mondelinge toelichting te mogen geven, resp. het passeren van het bewijsaanbod van [appellanten] betreffen, hebben [appellanten] gezien de uitkomst van het hoger beroep geen belang.

4 Slotsom in het principaal en incidenteel hoger beroep

De grieven I tot en met III in het principaal hoger beroep falen, zodat het tussenvonnis van 5 maart 2008 moet worden bekrachtigd.

De grieven IV tot en met VI en IX in het principaal hoger beroep slagen, zodat het eindvonnis van 18 februari 2009 moet worden vernietigd. Bij de grieven VII, VIII, X en XI hebben [appellanten] geen belang.

Grief I in het incidenteel hoger beroep is weliswaar terecht voorgesteld, maar leidt niet tot vernietiging van het eindvonnis. De grieven II tot en met IV zijn ongegrond.

De vordering onder II.D van [appellanten] tot veroordeling van de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] tot terugbetaling van hetgeen [appellanten] op grond van de vonnissen van de rechtbank Utrecht aan hen heeft betaald, zal worden toegewezen, voor zover het betrekking heeft op het eindvonnis van 18 februari 2009.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partijen zal het hof de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

■ explootkosten € 84,31

■ griffierecht € 106,00

totaal verschotten € 190,31, en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

3 punten € 600,00

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in reconventie aan de zijde van [appellanten] zullen worden begroot op € 200,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief,

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

■ explootkosten € 72,25

■ griffierecht € 262,00

totaal verschotten € 334,25, en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

5 punten x tarief II € 4.470,00

5 De beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussenvonnis van de kantonrechter te Utrecht 5 maart 2008,

vernietigt het eindvonnis van de kantonrechter te Utrecht van 18 februari 2009 in conventie en in reconventie gewezen, en opnieuw rechtdoende in conventie,

bepaalt dat [appellanten] ieder voor zich de huurovereenkomst met betrekking tot de woonwagenstandplaats op het perceel [adres] te [adres] voortzetten en dat [appellanten] huurders zijn van deze standplaats,

veroordeelt de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hoofdelijk in de kosten van de eerste aanleg in conventie en in reconventie, aan de zijde van [appellanten] begroot op € 990,31, waarvan te voldoen aan de griffier van de rechtbank Midden-Nederland (bankrekening 56.99.90.696 ten name van MvJ arrondissement Utrecht) het bedrag van € 963,81, te weten:

- € 79,50 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 84,31 wegens exploten,

- € 800,00 wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

en het restant ad € 26,50 aan de advocaat van [appellanten] wegens hun eigen aandeel in het griffierecht;

veroordeelt de Gemeente en [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op € 4.804,25, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 4.738,75 te weten:

- € 196,50 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 72,25 wegens exploten,

- € 4.470,00 wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief ,

en het restant ad € 65,50 aan de advocaat van [appellanten] wegens hun eigen aandeel in het griffierecht,

veroordeelt de Gemeente tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] op grond van het vonnis van 18 februari 2009 aan de Gemeente hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag van algehele voldoening,

veroordeelt [geïntimeerde sub 2 en sub 3] tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] op grond van het vonnis van 18 februari 2009 aan [geïntimeerde sub 2 en sub 3] hebben voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag van algehele voldoening,

verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Wammes, M.F.J.N. van Osch en F.J. de Vries, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.