Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9192

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
200.122.666-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang meer bij incidentele vordering ex artikel 843a Rv, omdat appellante naar eigen zeggen in staat is aan de hand van de van geïntimeerde ontvangen stukken haar memorie van grieven te formuleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.122.666/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 191473 / HZ ZA 11-1026)

arrest van de tweede kamer in het incident tot overlegging van stukken ex artikel 843aRv van 3 december 2013

in de zaak van

[appellant],

gevestigd te [woonplaats],

appellante, tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [woonplaats],

advocaat: mr. H.N. s'Jacob, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 Gadjo B.V.,

gevestigd te Ommen,

hierna: Gadjo B.V.,

2. Rimar Management B.V.,

gevestigd te Dalfsen,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: Gadjo B.V. c.s.,

in eerste aanleg: gedaagden, tevens verweersters in het incident,

advocaat: mr. N.L.H.M. Laane, kantoorhoudend te Enschede.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 12 december 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 februari 2013,

- de incidentele memorie (vordering ex artikel 843a Rv), met producties,

- de incidentele memorie van antwoord (ex artikel 843a Rv) tevens verzoek aan de rolraadsheer re- en dupliek te gelasten in het incident, met producties,

- de incidentele memorie van repliek (vordering ex artikel 843a Rv),

- de incidentele memorie van dupliek (ex artikel 843a Rv).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [woonplaats] in de appeldagvaarding luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank (…) Zwolle-Lelystad d.d. 12 december 2012, bekend onder zaaknummer/rolnummer 191473 HZ ZA 11-1026, gewezen tussen appellante als eiseres en geïntimeerden als gedaagden te vernietigen en opnieuw recht doende alsnog de vordering(en) van appellante toe te wijzen,

en geïntimeerden hoofdelijk in de kosten van beide instanties te veroordelen (waaronder begrepen de kosten van rechtsbijstand), een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en indien voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 14e dag na de datum van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening,

te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- zonder betekening en € 199,- met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaats vindt, te vermeerderen met de wettelijk rente over de na kosten, te rekenen vanaf de 14e dag na de datum van het arrest tot aan de dag der algehele voldoening."

2.4

De conclusie van de incidentele memorie (vordering ex artikel 843a Rv) luidt:

"(…) bij incidenteel arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

- Gadjo B.V. en Rimar B.V. hoofdelijk te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het incidentele arrest, althans een door uw Hof te bepalen termijn, een afschrift te verstrekken aan [woonplaats] van de complete polissen van de Uitgebreide Brand Bedrijven-verzekering van de panden aan [adres 1] en [adres 1] over de periode 2002 t/m 2010 en de bijbehorende taxaties uit 2002 en d.d. 13 augustus 2008 van Troostwijk Amsterdam, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag, ieder dagdeel daaronder begrepen dat Gadjo B.V. en Rimar B.V. niet voldoen aan het incidentele arrest.

- Met veroordeling van Gadjo B.V. en Rimar B.V. in de kosten van de procedure in het incident."

3 De beoordeling

In het incident

3.1

De aandeelhouders/bestuurders van partijen oefenden samen een dierenartspraktijk uit.  Met ingang van 1 januari 2004 werd de dierenartspraktijk ingebracht in een besloten vennootschap. Daartoe is de holdingmaatschappij ‘Pluimveepraktijk Noord & Oost Holding B.V. opgericht, die 100% van de aandelen houdt in de werkmaatschappij Pluimveepraktijk Noord & Oost B.V. De aandelen in de holding werden, ieder voor een derde, gehouden door [woonplaats], Gadjo B.V. en Rimar Management B.V. In dit kader hebben partijen een Overeenkomst maatschapsleden Pluimveepraktijk Noord & Oost inzake aanpassing structuur praktijkuitoefening april 2005 (hierna: “overeenkomst 2005”) opgesteld.

3.2

De samenwerking met [woonplaats] is per 1 januari 2010 beëindigd. [woonplaats] heeft inmiddels haar aandelen aan de medeaandeelhouders geleverd.

3.3

Artikel 14 van de Overeenkomst 2005 bepaalt, voor zover van belang:

“1. (…)

Ten aanzien van de waarde van de bedrijfspanden van de Pluimveepraktijk Noord & Oost Holding B.V. geldt dat deze in het kader van de waardering van aandelen zoals bedoeld in dit lid wordt gesteld op de waarde alsof de betreffende panden nieuw zijn, dat wil zeggen op verzekerde waarde (exclusief opruimkosten) + fundering + waarde grond op going concern basis.

(…)
2. De in lid 1 bedoelde waardering zal geschieden door de accountant van Pluimveepraktijk Noord & Oost Holding B.V. die deze waarde op voor alle partijen bindende wijze vaststelt binnen zes maanden nadat het overlijden van een partij heeft plaatsgevonden. De accountant is gerechtigd een of meer deskundigen aan te trekken teneinde bij de vaststelling van dit bedrag behulpzaam te zijn. De kosten van de accountant en die van de door de accountant benoemde deskundigen, zijn voor rekening van Pluimveepraktijk Noord & Oost Holding B.V.
3. Indien de aanbiedingsplicht van de aandelen in Pluimveepraktijk Noord & Oost Holding B.V. ontstaat door een andere gebeurtenis dan bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn de andere partijen niet gehouden de aandelen in Pluimveepraktijk Noord & Oost Holding B.V. af te nemen. (…) Met betrekking tot de waardering van de aandelen zal het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel in acht worden genomen. (…)”

3.4

De door [woonplaats] geleverde aandelen zijn gewaardeerd door accountant [naam], die in dat kader twee makelaars de opdracht heeft gegeven om de bedrijfspanden van de holding te Slagharen en te Leek te taxeren. Deze makelaars hebben de waarde van de bedrijfspanden getaxeerd aan de hand van de zogenaamde vervangingswaarde op respectievelijk € 755.500,- en € 541.500,-.

3.5

Het polisblad van 16 november 2009 van de Uitgebreide Brand Bedrijvenverzekering vermeldt ten aanzien van het bedrijfspand te Slagharen een "verzekerde som" van € 923.200,- en ten aanzien van het bedrijfspand te Leek een "verzekerd bedrag" van € 670.400,-.

3.6

[woonplaats] heeft in de hoofdzaak - samengevat weergegeven - gevorderd (primair) voor recht te verklaren dat het bindend advies van de accountant nietig is, dan wel (subsidiair) dit bindend advies te vernietigen, ten aanzien van de waardering van de genoemde bedrijfspanden en dat bij de waardering van die panden uitgegaan dient te worden van de verzekerde waarden zoals vermeld in de verzekeringspolis.

3.7

[woonplaats] heeft in het incident gevorderd Gadjo B.V. c.s. hoofdelijk te veroordelen een afschrift aan haar te verstrekken van de complete polissen van de Uitgebreide Brand-Bedrijvenverzekering van de bedrijfspanden aan [adres 1] en [adres 1] over de periode 2002 tot en met 2010 en de bijbehorende taxaties uit 2002 en 13 augustus 2008 van Troostwijk Amsterdam, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.8

Bij memorie van antwoord in het incident hebben Gadjo B.V. c.s. de in onderdeel 7 van die memorie omschreven bescheiden overgelegd, en veroordeling van [woonplaats] in de kosten van het incident gevorderd. De overige gevorderde polisbescheiden over de tussenliggende jaren verklaren Gadjo c.s. niet in hun bezit te hebben.

3.9

[woonplaats] heeft bij memorie van repliek in het incident verklaard dat de aldus in het geding gebrachte bescheiden voldoende zijn om thans haar memorie van grieven te kunnen formuleren. Voor wat betreft de proceskostenveroordeling heeft [woonplaats] aangevoerd dat zij reeds voorafgaand aan de appeldagvaarding om overlegging van deze bescheiden heeft verzocht, maar dat Gadjo B.V. c.s. dit hebben geweigerd, hetgeen zij kan onderbouwen door het in het geding brengen van de hierop betrekking hebbende confraternele correspondentie. Door die weigering was zij genoodzaakt om een incident ex artikel 843a Rv op te werpen. Gadjo B.V. c.s. dienen volgens [woonplaats] om die reden in de proceskosten in het incident te worden veroordeeld.

3.10

Gadjo B.V. c.s. hebben verzocht de uitspraak met betrekking tot de kosten van het incident aan te houden tot de uitspraak in de hoofdzaak. Zij hebben bepleit dat deze kosten voor rekening van [woonplaats] komen en daarvoor aangevoerd dat [woonplaats] geen rechtmatig belang heeft bij de gevraagde stukken, dat die stukken voor het bodemgeschil irrelevant zijn, dat Gadjo B.V. c.s. deze stukken onverplicht hebben overgelegd, en dat Gadjo B.V. c.s. die stukken vrijwillig hebben overgelegd op eerste verzoek in het incident. Gadjo B.V. c.s. hebben daarbij verklaard niet in te gaan op de inhoud van de confraternele correspondentie en te volstaan met de ontkenning dat die correspondentie de inhoud en strekking heeft als door [woonplaats] is gesteld en anders dan door hen gesteld in het incident.

3.11

Het hof oordeelt dat [woonplaats], nu zij naar haar eigen zeggen in staat is aan de hand van de van Gadjo B.V. c.s. ontvangen bescheiden haar memorie van grieven te formuleren, geen belang (meer) heeft bij haar incidentele vordering. Het hof zal deze incidentele vordering daarom afwijzen.

3.12

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal het hof reserveren totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist.

In de hoofdzaak

3.13

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van grieven.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van [woonplaats] af;

bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 21 januari 2013 voor memorie van grieven.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, G van Rijssen en I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.