Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9157

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
KS 21-004927-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Is er sprake van roekeloosheid? Naar het oordeel van het hof is bij verdachte onder de vastgestelde feiten en omstandigheden sprake geweest van zeer onvoorzichtig handelen en niet van roekeloosheid. Voor roekeloosheid gelden in de jurisprudentie zeer strenge eisen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat aan die eisen in deze niet ten volle is voldaan. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld, zodat het omschreven ongeval aan zijn schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004927-13

Uitspraak d.d.: 29 november 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 april 2013 met parketnummer 18-670421-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1960],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. E. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

primair:

hij op of omstreeks 15 september 2012, in de gemeente [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, (de [straat]), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, in elk geval na het nuttigen van een (aanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen voetgangersoversteekplaats, bij/voor welke voetgangersoversteekplaats (een) bord(en) L2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst,

- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig te zoeken naar een (gevallen) mobiele telefoon, en/of aldus niet voortdurend zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer te houden, en/of

- zijn, verdachtes, snelheid niet zodanig te regelen, dat hij, verdachte, in staat was, dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

immers is hij, verdachte, een voetgangersoversteekplaats opgereden/genaderd, zonder zich (daarbij) te vergewissen dat deze vrij was van één of meer voetganger(s) en/of een gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, althans een of meer personen, die voornoemde voetgangersoversteekplaats overstak(en) en/of (daarbij) geen voorrang verleend aan die voetganger(s) en/of gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde voetganger (genaamd [slachtoffer1]) en/of gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig (genaamd [slachtoffer2]), althans voornoemde personen,

waardoor die/een ander(en) (genaamd [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1]) zwaar lichamelijk letsel, te weten aangaande [slachtoffer2], breuken in bekken en lendenwervels en borstwervels en/of aangaande [slachtoffer1], gescheurde milt, of zodanig lichamelijk letsel werd(en) toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

1

subsidiair:

hij op of omstreeks 15 september 2012, in de gemeente [plaats], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 1200 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

en/of

hij op of omstreeks 15 september 2012, in de gemeente [plaats] als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de [straat], terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, in elk geval na het nuttigen van een (aanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank, gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen voetgangersoversteekplaats, bij/voor welke voetgangersoversteekplaats (een) bord(en) L2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst,

- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig heeft gezocht naar een (gevallen) mobiele telefoon, en/of aldus niet voortdurend zijn aandacht bij de weg en/of het verkeer heeft gehouden, en/of

- zijn, verdachtes, snelheid niet zodanig heeft geregeld, dat hij, verdachte, in staat was, dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij, verdachte, een voetgangersoversteekplaats opgereden/genaderd, zonder zich (daarbij) te vergewissen dat deze vrij was van één of meer voetganger(s) en/of een gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, althans een of meer personen, die voornoemde voetgangersoversteekplaats overstak(en) en/of (daarbij) geen voorrang verleend aan die voetganger(s) en/of gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, waarbij en/of waardoor een botsing en/of aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde voetganger (genaamd [slachtoffer1]) en/of gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig (genaamd [slachtoffer2]), althans voornoemde personen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;


2:
hij op of omstreeks 15 september 2012, in de gemeente [plaats], als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan (een) ander(en) (te weten [slachtoffer2] en/of [slachtoffer1]) letsel en/of schade was/waren toegebracht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van feit 1

Verdachte wordt onder 1 primair verweten dat hij zich op 15 september 2012 te [plaats] als verkeersdeelnemer (rijdend in een auto) zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Bij de beoordeling heeft het hof acht geslagen op de volgende aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft in de periode van (in ieder geval) vrijdagavond 14 september 2012 tot de vroege middag van zaterdag 15 september 2012, voorafgaand aan het ongeval, een zeer grote hoeveelheid alcoholhoudende drank tot zich genomen. Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij op de vrijdagavond en de daaropvolgende nacht minimaal drie flessen wijn heeft gedronken. Vast staat dat hij rond het middaguur in zijn auto naar de ACLO (sportcomplex te [plaats]) is gereden en daar wederom wijn heeft gedronken. Hierna stapt verdachte weer in zijn auto. Even later rijdt hij over de [straat]. Daar willen omstreeks 13.10 uur [slachtoffer1] en zijn oma [slachtoffer2] de rijbaan oversteken. [slachtoffer1] duwt daarbij [slachtoffer2] in haar rolstoel voort. Dit oversteken vindt plaats ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats, een zebrapad. Wanneer zij ongeveer halverwege de voetgangersoversteekplaats zijn, zien zij links van hen de door verdachte bestuurde auto aan komen rijden. Verdachte rijdt met onverminderde snelheid tegen [slachtoffer2] en [slachtoffer1] aan. [slachtoffer2] wordt hierbij gelanceerd over de motorkap en komt op het wegdek terecht. Ook [slachtoffer1] komt ten val. Verdachte voelt een schok maar besluit door te rijden. Bij de politie heeft hij daarover verklaard dat hij wel in zijn achteruitkijkspiegel heeft gekeken en heeft gezien dat hij een of meer mensen had geraakt, maar is doorgereden ‘omdat het in zijn optiek niet ernstig leek’. Een omstander heeft verklaard dat verdachte om toegesnelde omstanders heen reed, zijn hand opstak en doorreed. Een kentekenplaat van de auto van verdachte blijft achter op de plaats van het ongeval. Verdachte wordt even later thuis aangehouden. Een blaastest, uitgevoerd om 14:22 uur, wijst uit dat zijn ademalcoholgehalte 1200 ug/l bedraagt. Door de aanrijding loopt [slachtoffer2] zwaar lichamelijk letsel op, te weten bekkenbreuken, breuken van de lendenwervels en de borstwervels. [slachtoffer1] heeft een gescheurde milt. Verdachte heeft nadien verklaard dat hij de slachtoffers niet heeft zien oversteken, omdat hij bezig was zijn op de autovloer gevallen telefoon te zoeken. Ook blijkt bij verhoor van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het ongeval op een andere plek had plaatsgevonden dan op de [straat].

Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft gehad aan de aanrijding. Bij de beantwoording van deze vraag komt het aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet alleen uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden volgt dat de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan de aanrijding, bevestigend kan worden beantwoord.

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is in welke mate verdachte schuld heeft gehad aan de aanrijding.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte sprake is geweest van roekeloosheid.

De verdediging gaat uit van dezelfde gedragingen van verdachte maar heeft betoogd dat dat geen roekeloosheid oplevert maar grove schuld.

Het hof overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van roekeloosheid komt het wederom aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, zij het dat daarbij moet worden betrokken dat deze roekeloosheid in de wetsgeschiedenis als “de zwaarste vorm van het culpose delict” wordt aangemerkt. Van roekeloosheid, als zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake. Daarbij verdient opmerking dat “roekeloosheid” in de zin van de wet een specifiekere betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder “roekeloos” in de betekenis van “onberaden”- wordt verstaan.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid WVW 1994 zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Naar het oordeel van het hof is bij verdachte onder de vastgestelde feiten en omstandigheden sprake geweest van zeer onvoorzichtig handelen en niet van roekeloosheid. Voor roekeloosheid gelden in de jurisprudentie zeer strenge eisen, zoals hiervoor al aangegeven. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat aan die eisen in deze niet ten volle is voldaan. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld, zodat het omschreven ongeval aan zijn schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1

primair:

hij op 15 september 2012, in de gemeente [plaats], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, gekomen ter hoogte van een in die weg gelegen voetgangersoversteekplaats, bij/voor welke voetgangersoversteekplaats (een) bord(en) L2 van bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 was geplaatst,

- tijdens het besturen van voornoemd motorrijtuig te zoeken naar een (gevallen) mobiele telefoon, en aldus niet voortdurend zijn aandacht bij de weg en het verkeer te houden, en

- zijn, verdachtes, snelheid niet zodanig te regelen, dat hij, verdachte, in staat was, dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg kon overzien en waarover deze vrij was,

immers is hij, verdachte, een voetgangersoversteekplaats opgereden, zonder zich (daarbij) te vergewissen dat deze vrij was van één voetganger en een gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, die voornoemde voetgangersoversteekplaats overstaken en heeft hij daarbij geen voorrang verleend aan die voetganger en gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig, waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en voornoemde voetganger (genaamd [slachtoffer1]) en gebruiker/bestuurder van een gehandicaptenvoertuig (genaamd [slachtoffer2]),

waardoor die [slachtoffer2] zwaar lichamelijk letsel, te weten breuken in bekken en lendenwervels en borstwervels werd toegebracht,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2:
hij op 15 september 2012, in de gemeente [plaats], als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan anderen te weten [slachtoffer2] en [slachtoffer1] letsel en schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet en het feit (mede) is veroorzaakt doordat hij geen voorrang heeft verleend.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op zaterdagmiddag 15 september 2012 een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door met een enorme hoeveelheid alcohol op - verdachte had naar eigen zeggen meer dan drie flessen wijn genuttigd gedurende de avond/nacht voor het ongeval en had overdag ook weer wijn gedronken, - met de door hem bestuurde auto een voetgangersoversteekplaats op te rijden, terwijl hij ondertussen druk bezig was zijn telefoon te zoeken die op de vloer van de auto was gevallen. Verdachte had zijn aandacht derhalve in het geheel niet bij de weg. De voetgangersoversteekplaats was gesitueerd vlak bij een druk bezocht winkelcentrum. Verdachte is met zijn auto tegen de aldaar net overstekende 80-jarige [slachtoffer2] (zittend in een rolstoel) en haar kleinzoon [slachtoffer1] aangereden. [slachtoffer2] werd daardoor gelanceerd over de motorkap van de auto van verdachte. [slachtoffer2] en [slachtoffer1] hebben hier beiden letsel aan overgehouden, [slachtoffer2] zelfs zwaar letsel. Verdachte is vervolgens zonder zich te bekommeren om de gevolgen van de aanrijding weggereden, dit tot grote verbijstering van de slachtoffers en omstanders. Uit zijn nadien afgelegde verklaringen blijkt dat hij kennelijk in een staat is geweest waarin hij zelfs geen weet meer had van waar hij zich met zijn auto bevond op het moment van de aanrijding. Al met al kan deze handelwijze van verdachte als ronduit schandalig worden aangemerkt.

Voor de beide slachtoffers heeft het ongeval, zowel psychisch als lichamelijk, een grote impact gehad, zo blijkt uit een schriftelijke verklaring van de dochter van [slachtoffer2], tevens de moeder van [slachtoffer1].

Verdachte is zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam geweest ten tijde van het ongeval. Hij heeft daarom ernstig verwijtbaar gehandeld en heeft grove schuld aan het ongeval. Daarvoor verdient hij straf.

Het hof neemt bij de strafoplegging ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 11 november 2013, tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens rijden onder invloed en daarvoor ook tweemaal een transactie heeft gehad.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend en geboden is. Door de verdediging is verzocht om bij een detentie rekening te houden met de angststoornis en claustrofobische klachten van verdachte. Het hof ziet in voorgaande geen aanleiding om af te wijken van oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte op te leggen straf kan met zijn beperkingen rekening worden gehouden. Hoewel het hof komt tot een andere gradatie van schuld dan de rechtbank, zal het hof gelet op alle overige, hiervoor geschetste omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en het strafrechtelijke verleden van verdachte, dezelfde straf opleggen als de rechtbank heeft gedaan, namelijk 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Aan het voorwaardelijke deel worden de bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het dictum verbonden. Het voorwaardelijke deel heeft mede als doel verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Het hof zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het hof wijkt hiermee af van de door de advocaat-generaal gevorderde hoofdstraf. Enerzijds omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en anderzijds omdat het hof het aangewezen acht dat de bijzondere voorwaarde tevens moet inhouden een verbod om alcohol te drinken en alle bijzondere voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad moeten worden opgelegd.

Daarnaast is het, in verband met het ernstig gevaarzettend gedrag van verdachte op de weg, alsmede uit het oogpunt van verkeersveiligheid, noodzakelijk dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor lange tijd wordt ontzegd. Het hof volgt hier de vordering van de advocaat-generaal.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, onder behandeling zal stellen van VNN/Solutions of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen voor zijn psychische en verslavingsproblematiek, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde verboden is gedurende de volledige proeftijd alcohol te gebruiken en dat hij verplicht is ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat alle voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. K. Lahuis en mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 29 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.