Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9128

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
P13-0291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof stelt vast dat de officier van justitie de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling weliswaar niet binnen de in artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn heeft ingediend, maar het hof acht, evenals de rechtbank, de officier van justitie niettemin ontvankelijk in die vordering.

Ontvankelijkheid van het beroep

Het hof is van oordeel dat, hoewel ook de appelmemorie niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, deze omstandigheid niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P13/0291

Beslissing d.d. 30 september 2013

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [1966],

onder verantwoordelijkheid van de [kliniek] te [plaats],

verblijvende in [kliniek] te [plaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 9 april 2013, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 januari 2006, waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

- het verlengingsadvies van de [kliniek] van 4 december 2012, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode van 14 november 2011 tot en met 6 maart 2013;

- de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 31 januari 2013;

- een brief van de raadsman van 19 maart 2013 met als bijlage een ‘beschikking voorlopige machtiging’ van de rechtbank Amsterdam van 7 februari 2013;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van het door de officier van justitie ingestelde beroep;

- de memorie van appel van de officier van justitie, ingekomen bij de rechtbank op 18 mei 2013;

- een brief van [psychiater], psychiater, Directeur behandelzaken [kliniek] van 6 mei 2013;

- de aanvullende informatie van [kliniek] van 29 augustus 2013, met als bijlage de weekevaluaties van 6 maart 2013 tot en met 5 juni 2013 van [kliniek] en de wettelijke aantekeningen van [kliniek] van 11 juni tot en met 27 augustus 2013.

Het hof heeft ter zitting van 16 september 2013 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Römelingh, advocaat te 's-Gravenhage, en de advocaat-generaal mr M.J.M van der Mark. Voorts is gehoord als deskundige [psycholoog], als psycholoog verbonden aan [kliniek].

Overwegingen:

Het standpunt van de kliniek

De terbeschikkinggestelde is een 46-jarige man van Surinaams-Hindoestaanse afkomst met een zeer lange justitiële psychiatrische voorgeschiedenis. Het is een chronisch-psychotische man die vanaf zijn begin twintiger jaren last heeft van akoestische hallucinaties. Deze stemmen geven veel commentaar op het doen en laten van de terbeschikkinggestelde, waar hij met moeite weerstand tegen kan bieden. Naast de psychotische symptomen ervaart de terbeschikkinggestelde periodes met angsten en meer stress. Deze symptomen hangen echter veelal samen met de psychotische klachten en ook met een fluctuerende stemming. De terbeschikkinggestelde functioneert op zwakbegaafd niveau.

De beperkte cognitieve vaardigheden van de terbeschikkinggestelde zorgen ervoor dat hij het lastig vindt om verbale uitleg van taken goed te begrijpen en therapieën te volgen. De terbeschikkinggestelde is sinds vroege leeftijd afhankelijk van verschillende middelen (alcohol, cannabis, heroïne en cocaïne) en was daarvoor in behandeling. Onder toezicht is dit in remissie. De terbeschikkinggestelde lijkt gemakkelijk beïnvloedbaar en dat hangt samen met zijn beperkt cognitief vermogen. Door gebrek aan coping met het leven op de afdeling komt hij altijd weer met nieuwe somatische klachten waarmee hij de aandacht van het team trekt. Het toestandsbeeld van de terbeschikkinggestelde is stabiel dankzij de complexe uitgebalanceerde medicatie en de strakke structuur van de individuele afdeling waar hij verblijft. Hij heeft weinig ziektebesef of -inzicht. De ervaringen met begeleid en onbegeleid verlof waren positief en dat opende de mogelijkheid voor een overplaatsing naar de eigen regio. Het is te verwachten dat door transmuraal verlof de kwaliteit van leven van de terbeschikkinggestelde aanzienlijk verbeterd wordt, en tegelijk de veiligheid van de maatschappij gegarandeerd kan worden.

Uit de risicotaxatie komt naar voren dat de terbeschikkinggestelde zich “vrij in de maatschappij” niet zal kunnen handhaven vanwege zijn psychose en zijn beperkte cognitieve en sociale vaardigheden. Het risico zonder intensieve begeleiding is dan matig tot hoog.

Gelet op de gunstige ontwikkelingen in het verloop van de behandeling en de overplaatsing naar Den Haag begin 2013 kunnen wij het verlengingsadvies beperken tot één jaar omdat niet uitgesloten is dat de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging zich binnen twee jaar aandient.

Ter zitting van de rechtbank van 9 april 2013 heeft de deskundige [psychiater], als psychiater en behandelaar verbonden aan de kliniek, het advies toegelicht. De deskundige heeft het in het verlengingsadvies ingenomen standpunt van de kliniek verlaten en heeft betoogd dat een rechterlijke machtiging op grond van de Wet BOPZ in alle behoeften zou voorzien en dientengevolge een verlenging van de TBS-maatregel niet (langer) meer noodzakelijk is.

De kliniek kan zich niet vinden in het ter zitting weergegeven standpunt van de door de kliniek afgevaardigde deskundige [psychiater]. Door [psychiater], psychiater en directeur behandelzaken [kliniek], is in een brief van 6 mei 2013 een en ander toegelicht. Uit deze brief komt - kort gezegd - naar voren dat de kliniek het advies om de terbeschikkingstelling met een jaar te verlengen handhaaft. De overplaatsing naar [kliniek] in [plaats] betekent voor de terbeschikkinggestelde een grote verandering waardoor de functie van vroeg signalering (cruciaal bij het risicomanagement) zeker de eerste tijd beperkt is. Bovendien is de kans op destabilisering extra groot na overplaatsing. Die twee factoren maken dat het gevaar sterk zal toenemen in geval van beëindiging van de TBS.

Uit het aanvullend advies van de kliniek van 29 augustus 2013 komt naar voren dat tot aan de TBS-behandeling het nooit is gelukt om de terbeschikkinggestelde goed in behandeling te krijgen. Langdurige gestructureerde behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging in een forensisch kader heeft tot stabilisatie geleid. Deze stabilisatie hangt echter mede af van de sterke structuur en het in stand houden van externe steun. Het evenwicht is wankel en zelfs geringe stressoren leiden tot een verstoring, onbegrip, agressie en geweld. Het transmuraal verlof in [kliniek] verloopt moeizaam. De terbeschikkinggestelde is instabiel en is gesepareerd nadat hij verbaal agressief was geweest en geprobeerd had iemand te slaan. Ook heeft hij alweer drie keer cannabis gebruikt. De risicotaxatie laat duidelijk zien dat “vrij in de maatschappij” er een hoog risico is op herhaling van delictgedrag. De kliniek handhaaft het advies.

Ter zitting van het hof heeft de deskundige [psycholoog] verklaard dat de terbeschikkinggestelde thans in een veranderfase zit en continuïteit in de behandeling en begeleiding belangrijk is. De kliniek is nog steeds duidelijk betrokken bij de stabilisering van de terbeschikkinggestelde. Dit is niet mogelijk op een andere titel dan die van de terbeschikkingstelling.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De vordering tot verlenging van de maatregel is niet binnen de wettelijke termijn ingediend, maar wel binnen de periode dat de terbeschikkingstelling nog liep. Dit had te maken met de perikelen rond de al dan niet gemaximeerde terbeschikkingstelling. Nadat de officier van justitie kennis had genomen van de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad op 15 januari 2013 is de vordering tot verlenging alsnog en - gelet op de bijzondere omstandigheden - ook tijdig ingediend. De belangen van de terbeschikkinggestelde zijn hierdoor niet geschaad. Ten grondslag aan de beslissing van de rechtbank lag de verklaring van de deskundige [psychiater], die hij ter terechtzitting namens [kliniek] heeft afgelegd. De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt van de deskundige gevolgd. Zodra de beschikking van de rechtbank [kliniek] had bereikt, heeft de kliniek bij monde van de heer [psychiater], psychiater en directeur behandelzaken van de inrichting, contact opgenomen met de behandelend officier van justitie. De kliniek kon zich niet vinden in het ter zitting door de deskundige weergegeven standpunt van de kliniek, zoals dat uit de beslissing van de rechtbank bleek. Nu door het herleven van het oorspronkelijke standpunt van de kliniek de grondslag voor zowel het ter zitting door het openbaar ministerie ingenomen standpunt als de beslissing van de rechtbank is weggevallen, is het door de officier van justitie tijdig ingestelde appel ook overigens ontvankelijk. Ten aanzien van de late inzending van de appelmemorie heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er vóór het inzenden van de appelmemorie nader overleg is geweest met de kliniek en dat dit enige tijd heeft genomen. De belangen van de terbeschikkinggestelde zijn hierdoor niet geschaad.

De terbeschikkinggestelde verblijft momenteel in het kader van transmuraal verlof in [kliniek]. Uit het (aanvullende) advies van de kliniek en de brief van de deskundige [psychiater] komt naar voren dat dit verlof moeizaam verloopt. De terbeschikkinggestelde heeft permanent structuur en begeleiding nodig. Gelet op de ernst van de stoornis, het feit dat het recidivegevaar bij een eventuele beëindiging als hoog wordt ingeschat en het gegeven dat de terbeschikkinggestelde nog veel zorg en begeleiding nodig heeft, is voortzetting van de maatregel geïndiceerd. Op termijn is er wellicht uitstroom naar de reguliere GGZ mogelijk. De advocaat-generaal heeft in het licht van deze feiten en omstandigheden geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en tot verlenging van de maatregel voor de duur van één jaar.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Tijdens de behandeling bij de rechtbank heeft de deskundige van de kliniek verklaard dat het TBS-kader niet langer noodzakelijk is, gelet op de afgegeven voorlopige rechterlijke machtiging op grond van de wet BOPZ. De terbeschikkinggestelde kon volgens de deskundige prima terecht binnen een GGZ-kader. Ook voor de zitting had de deskundige dit al aan de verdediging laten blijken. Er was geen sprake van een plotselinge wijziging van het standpunt van de deskundige ter zitting. De raadsman stelt geen redenen te hebben om er aan te twijfelen dat de deskundige ter zitting het standpunt van de kliniek weergaf. De verdediging begreep in eerste instantie ook niet waarom het openbaar ministerie appel had ingesteld. Pas na ontvangst van de appelschriftuur werd duidelijk dat de kliniek de officier van justitie had gevraagd hoger beroep in te stellen.

In 2006 werd aan de terbeschikkinggestelde de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd. Vervolgens moest hij twee à drie jaar wachten op zijn behandeling. In die tijd is door [kliniek] al over een rechterlijke machtiging gesproken. De overplaatsing naar [kliniek] heeft ook lang op zich laten wachten. Het is duidelijk dat de terbeschikkinggestelde een vangnet nodig heeft. De raadsman stelt dat hij zich kan verenigen met een verlenging van de terbeschikkingstelling, maar dan wel met kritische kanttekeningen bij het verloop van de procedure.

Het oordeel van het hof

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen omdat het hof tot een andere beslissing komt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Het hof stelt vast dat de officier van justitie de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling weliswaar niet binnen de in artikel 509o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn heeft ingediend, maar het hof acht, evenals de rechtbank, de officier van justitie niettemin ontvankelijk in die vordering. Het hof is van oordeel dat de vordering binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, nu deze minder dan één maand na afloop van bedoelde termijn - en daarmee nog ruim vóór het einde van de lopende termijn van de maatregel - bij de rechtbank is ingekomen. Het hof neemt hierbij in aanmerking de bijzondere omstandigheden zoals die uit de stukken blijken en door het openbaar ministerie ter zitting naar voren zijn gebracht met betrekking tot het verloop van de advisering door dan wel namens de kliniek.

Het hof is voorts van oordeel dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van personen en/of goederen, ondanks het belang van de terbeschikkinggestelde, de verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Het hof merkt in dit verband op dat

het belang van de terbeschikkinggestelde met name is gelegen in de omstandigheid dat hij tijdig weet of opnieuw verlenging zal worden gevorderd. Gelet op het advies van de kliniek van 4 december 2012 had de terbeschikkinggestelde geen redenen om te veronderstellen dat dit niet het geval zou zijn, en is hij door de verlate indiening van de vordering tot verlenging niet ernstig in zijn belangen geschaad.

Ontvankelijkheid van het beroep

Het hof is van oordeel dat, hoewel ook de appelmemorie niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, deze omstandigheid niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De verklaring voor de verlate inzending, zoals door de advocaat-generaal gegeven, is op zichzelf begrijpelijk, en de terbeschikkinggestelde is hierdoor niet in zijn belangen geschaad, nu de verdediging ruim vóór de behandeling van het beroep ter zitting in het bezit van de appelmemorie is gesteld. Het hof verbindt aan de termijnoverschrijding dan ook geen gevolgen.

Indexdelict

Het hof stelt vast dat de terbeschikkinggestelde bij vonnis van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 20 januari 2006 -onder meer - is veroordeeld ter zake van: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de straf en de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, ligt in die uitspraak besloten dat de terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Derhalve kan niet worden gezegd dat de mogelijkheid van verlenging van de maatregel na vier jaren voor de terbeschikkinggestelde in redelijkheid niet voorzienbaar was.

Stoornis en recidivegevaar

De terbeschikkinggestelde is een 46-jarige man van Surinaams-Hindoestaanse afkomst die lijdt aan een schizo-affectieve stoornis, zwakbegaafdheid en drugsverslaving en die een lange psychiatrische en justitiële voorgeschiedenis heeft. Op 20-jarige leeftijd wordt de eerste psychotische decompensatie gesignaleerd. In het verleden leidde de combinatie van psychotische hallucinaties, drugsgebruik en affectlabiliteit tot impulsiviteit en agressiviteit. In het afgelopen jaar was sprake van een incident door de gebrekkige impulscontrole en incidenten van grensoverschrijdend seksueel gedrag.

Uit de risicotaxatie komt naar voren dat de terbeschikkinggestelde zich “vrij in de maatschappij” niet zal kunnen handhaven vanwege zijn psychose en zijn beperkte cognitieve en sociale vaardigheden. Het risico zonder intensieve begeleiding is matig tot hoog. Echter ondersteund door een klinische setting “in het kader van transmuraal verlof” wordt het risico als laag tot matig ingeschat.

Verlenging

Het hof constateert dat de kliniek in haar verlengingsadvies het standpunt had ingenomen dat de terbeschikkingstelling met een jaar diende te worden verlengd. Ter zitting van de rechtbank heeft de deskundige [psychiater], als psychiater verbonden aan de kliniek, dit standpunt gewijzigd. Hij heeft verklaard dat het TBS-kader niet langer noodzakelijk was, gelet op de afgegeven voorlopige machtiging op grond van de Wet BOPZ. De rechterlijke machtiging bood voldoende bescherming en de terbeschikkinggestelde kon terecht binnen een GGZ-kader, aldus de deskundige. Op basis van de verklaring van de deskundige [psychiater] heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie afgewezen. Na de beslissing van de rechtbank heeft de kliniek zich gemotiveerd gedistantieerd van het standpunt van de eerdergenoemde deskundige en bij monde van de heer [psychiater], psychiater en directeur behandelzaken van de [kliniek], aangegeven dat een terugplaatsing in de reguliere GGZ, zonder afgedwongen toezicht en mogelijkheden tot terugplaatsing in het FPC, gedoemd is te mislukken. De terbeschikkinggestelde zal afglijden en opnieuw ontwrichtend worden. In een brief van 6 mei 2013 heeft de heer [psychiater] dit standpunt toegelicht.

Uit deze brief komt naar voren dat de terbeschikkinggestelde is overgeplaatst naar de [kliniek] in [plaats]. Door de overplaatsing is de functie van vroegsignalering zeer beperkt, omdat de hulpverleners in de kliniek betrokkene nog niet kennen. Bovendien is de kans op destabilisering extra groot na overplaatsing. Deze twee factoren maken dat het recidive gevaar sterk zal toenemen in het geval van beëindiging van de terbeschikkingstelling. In het kader van transmuraal verlof is er continuïteit van hulpverlening. De [kliniek] blijft betrokken en bezoekt betrokkene regelmatig. Bovendien is het toezicht ook op langere termijn gewaarborgd omdat de reclassering betrokken wordt bij een eventueel proefverlof. Als het kader van de terbeschikkingstelling wegvalt, stopt ook de financiering voor forensische zorg. De inzet van medewerkers van de [kliniek] wordt daarmee feitelijk onmogelijk gemaakt. Tot slot komt het in de praktijk helaas met regelmaat voor dat een goedlopende behandeling binnen het forensisch kader na overgang naar de reguliere GGZ snel ontspoort ondanks een goede, precieze en warme opdracht. Een dergelijke ontsporing vindt onder meer zijn oorzaak in de wijze waarop de GGZ stuurt op gevaar en niet op risico. De terbeschikkingstelling zou met een jaar verlengd moeten worden.

Op grond van het bovenstaande en het ter zitting besprokene is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling vereist. Het hof volgt het eerdere advies van de kliniek en zal de maatregel verlengen met een termijn van één jaar.

Beslissing

Het hof:

Verklaart het beroep ontvankelijk

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Den Haag van 9 april 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr F.G. Bauduin als raadsheren,

en drs. R. Poll en prof. dr. W.J. Schudel als raden,

in tegenwoordigheid van mr J.P. Fuchs-van Dis als griffier,

en op 30 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Mr Bauduin en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.