Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9127

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
P13-0316
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is het hof in navolging van zijn uitspraak van 24 oktober 2011, LJN BU3561, van oordeel dat - ingevolge de overgangsregeling in artikel VI van de Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818) - artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat na inwerkingtreding van die wet is komen te luiden, slechts van toepassing is met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van die wet. Met betrekking tot feiten, gepleegd voor inwerkingtreding van die wet, blijft ingevolge die overgangsregeling artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zoals dat luidde voor dat tijdstip. De jeugdige heeft de feiten waarvoor aan hem de maatregel is opgelegd, gepleegd voor de inwerkingtreding van genoemde wet op 1 juli 2011, zodat artikel 77s Sr oud moet worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

PIJ P13/0316

Beslissing d.d. 10 oktober 2013

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1992],

verblijvende in [kliniek] te [plaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2013, houdende verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de jeugdige van 11 juli 2013;

- de aanvullende informatie van [kliniek] van 11 september 2013;

- de ter zitting van het hof van 19 september 2013 door de jeugdige aan het hof overgelegd schrijven.

Het hof heeft ter zitting van 19 september 2013 gehoord de jeugdige, bijgestaan door zijn raadsman mr M.A.W. Nillessen, advocaat te ’s Hertogenbosch, en de advocaat generaal mr M.J.M van der Mark. Tevens is gehoord de deskundige dr [psychiater], als psychiater verbonden aan [kliniek].

Overwegingen:

Het standpunt van de jeugdige en zijn raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. De jeugdige heeft een grote ontwikkeling doorgebracht en zou hiervoor beloond moeten worden, maar in plaats daarvan wordt de jeugdige steeds geconfronteerd met zijn verleden en verlopen de verloven atypisch en moeizaam. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de maatregel voorwaardelijk beëindigt dient te worden. De raadsman heeft daarbij verwezen naar de Scoppola-uitspraak van het EHRM van 17 september 2009, inhoudende dat in artikel 7 EVRM besloten ligt dat de voor de verdachte gunstigste bepalingen moeten worden toegepast als de wet na het plegen van het feit is veranderd. Voor de jeugdige betekent dit dat artikel 77s Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidt sinds 1 juli 2011, moet worden toegepast en de maatregel voorwaardelijk kan worden beëindigd. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de maatregel met zes maanden te verlengen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Onder verwijzing naar de informatie van de kliniek en het verhandelde ter zitting heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. De jeugdige is gemotiveerd om mee te werken en heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Desondanks is het in het belang van de ontwikkeling van de jeugdige dat de maatregel wordt afgesloten met een Scholings en Trainingsprogramma (STP) om de overgang van het verblijf binnen de instelling naar buiten de instelling te kunnen begeleiden en om recidive te voorkomen. Onder verwijzing naar de uitspraak van dit hof van 24 oktober 2011, BU3561, heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de nieuwe wettelijke regeling van artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is op de jeugdige. De advocaat-generaal acht het op dit moment ook te vroeg voor een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel.

Het oordeel van het hof

Met de rechtbank is het hof in navolging van zijn uitspraak van 24 oktober 2011, LJN BU3561, van oordeel dat - ingevolge de overgangsregeling in artikel VI van de Wet van 13 december 2010 tot wijziging van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten, in verband met de aanpassing van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende jeugdsancties (Stb. 2010, 818) - artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat na inwerkingtreding van die wet is komen te luiden, slechts van toepassing is met betrekking tot feiten gepleegd na inwerkingtreding van die wet. Met betrekking tot feiten, gepleegd voor inwerkingtreding van die wet, blijft ingevolge die overgangsregeling artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zoals dat luidde voor dat tijdstip. De jeugdige heeft de feiten waarvoor aan hem de maatregel is opgelegd, gepleegd voor de inwerkingtreding van genoemde wet op 1 juli 2011, zodat artikel 77s Sr oud moet worden toegepast.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd. Het hof gaat ervan uit dat de kliniek voortvarend invulling zal geven aan het Scholings-en Trainingsprogramma (STP).

Beslissing

Het hof:

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2013 met betrekking tot de betrokkene [verdachte].

Aldus gedaan door

mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr P.R. Wery en mr. J.W. Rijkers als raadsheren,

en dr. W. van Kordelaar en W.J. Canton als raden,

in tegenwoordigheid van mr J.P. Fuchs-van Dis als griffier,

en op 10 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.