Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9038

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
21-004320-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank Almelo heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van moord. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen deze vrijspraak. Het hof spreekt verdachte ook vrij van het medeplegen van de moord. Naar het oordeel van het hof kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het slachtoffer is beschoten door verdachte of haar medeverdachte dan wel dat zij daarbij aanwezig is geweest of anderszins nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004320-11

Uitspraak d.d.: 27 november 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 25 oktober 2011 met parketnummer 08-700651-10 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het medeplegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 6 maanden

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr Y. Quint, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte van 11 november 2013 heeft de advocaat-generaal het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ingetrokken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde (witwassen). De omvang van het hoger beroep is derhalve beperkt tot dat deel van het vonnis waarbij verdachte is vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en de daarmee samenhangende beslissingen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover in hoger beroep aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.
zij op of omstreeks 10 september 2010, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een (vuur)wapen (op (zeer) korte afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd/(af)geschoten in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen verklaard dat verdachte zich samen met de medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde moord op haar partner [slachtoffer]. Daartoe heeft de advocaat-generaal onder meer het volgende aangevoerd.

Verdachte en de medeverdachte hadden beiden een motief voor de moord. Verdachte, levenspartner van [slachtoffer] wilde maar kon het slachtoffer niet verlaten. Volgens een verklaring van medeverdachte vertelde verdachte hem dat zij van het slachtoffer af wilde, waarop medeverdachte tegen haar zei dat zij eens op Internet moest zoeken naar een huurmoordenaar. De medeverdachte had financiële problemen en schulden bij verschillende personen, onder wie het slachtoffer. Hij werkte samen met het slachtoffer bij de handel in weed.

Een dag voor de moord zocht de medeverdachte op Internet naar informatie over vuurwapens en bekeek hij een filmpje waarin werd geschoten met een Magnum.

Op de dag van de moord hadden medeverdachte en het slachtoffer een afspraak om 17:00 uur. Medeverdachte belde het slachtoffer om 16:58 uur. Op dat moment was het slachtoffer bij het autobedrijf van de getuige [getuige 1], die hem hoorde zeggen: “Ik ben in de buurt. Ik ben bij [getuige 1]. Ik kom er zo aan”. De getuige [getuige 2] hoorde hem ook zeggen dat hij er zo aan kwam. De verklaringen van deze getuigen duiden erop dat de afspraak tussen medeverdachte en het slachtoffer niet werd afgezegd, zoals de medeverdachte heeft verklaard, maar werd bevestigd in het telefoongesprek.

Het slachtoffer kwam even na 17:00 uur thuis. Verdachte, die boven in de woning was, hoorde even later dat hij iemand de woning binnenliet. Dit moet een bekende zijn geweest van het slachtoffer, die een vreemde niet voetstoots zou hebben binnengelaten. Het kan niet anders zijn dan dat medeverdachte kort na 17:00 uur werd toegelaten in de woning van het slachtoffer en de verdachte, gelet op de bestaande afspraak en het telefoongesprek.

Er zijn schotresten aangetroffen bij beide verdachten. De alternatieve lezingen van de verdachten voor de aanwezigheid van de schotresten sluiten hun betrokkenheid bij het schieten op het slachtoffer niet uit.

Verdachte heeft volgens de advocaat-generaal wisselend en leugenachtig verklaard over de tijdstippen van de gebeurtenissen in de woning. Uit de korte tijdsspanne tussen het ontstaan van het schotletsel en het overlijden van het slachtoffer en de verklaring van verdachte valt af te leiden dat zij aanwezig moet zijn geweest op het moment dat het slachtoffer werd neerschoten. Verdachte heeft pas een half uur na het schietincident naar 112 gebeld. Hierdoor is ruimte ontstaan voor haar en haar mededader om sporen weg te werken.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de moord op haar partner ontkend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat zij dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. De raadsman heeft onder meer het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft geen aannemelijk motief voor de moord. De emoties van verdachte na het overlijden van haar partner stroken niet met de gedachte dat zij hem heeft vermoord. Een traumatische ervaring heeft een grote invloed op de hersenen en op het geheugen. Het is dan ook niet vreemd dat verdachte, die eerst als getuige is gehoord en pas drie maanden nadien als verdachte is aangemerkt, de exacte tijdstippen van de gebeurtenissen niet heeft kunnen reproduceren tijdens de verhoren. Er is geen sprake van ongeloofwaardige of kennelijk leugenachtige verklaringen. De schotresten op de handen en kleding van verdachte zijn niet zonder meer delictgerelateerd. Het is geenszins uit te sluiten dat de schotresten op haar handen en kleding zijn overgedragen door contact met het neergeschoten slachtoffer en/of de gaswolk. Het dossier bevat geen direct bewijs waaruit kan blijken dat verdachte heeft geschoten.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat het slachtoffer [slachtoffer] op 10 september 2010 in zijn woning moet zijn neergeschoten ná 16:58 uur en vóór 17:54 uur. Op het eerst genoemde tijdstip heeft het slachtoffer nog telefonisch contact gehad met de medeverdachte en op het laatste genoemde tijdstip heeft verdachte 112 gebeld om te melden dat haar partner was neergeschoten. Het dossier bevat onvoldoende objectief bewijsmateriaal om het tijdstip van het schietincident binnen de hiervoor aangeduide periode precies vast te stellen.

Ook op basis van de afgelegde verklaringen is niet precies vast te stellen wanneer het schietincident moet hebben plaatsgevonden en of en zo ja wie er, buiten verdachte [verdachte], in de woning van het slachtoffer is geweest.

Verdachte heeft verklaard dat zij boven in de woning was en heeft gehoord dat het slachtoffer iemand binnen heeft gelaten. Zij heeft wel stemmen gehoord maar daarbij niet iemand herkend. Nadat zij later het slachtoffer beneden had aangetroffen, heeft zij buiten op straat gekeken alwaar zij iemand zag wegrennen, maar zij heeft deze persoon niet herkend. Zij heeft niet verklaard de medeverdachte in de woning te hebben gezien. Zij had alleen van het slachtoffer gehoord dat hij om 17:00 uur een afspraak had met hem.

Uit de 112-melding van verdachte en haar verklaringen volgt dat zij boven televisie keek toen zij hoorde dat het slachtoffer een bezoeker binnenliet. Even later hoorde zij schoten. Zij hoorde het slachtoffer haar naam roepen, ging naar beneden en zag hem in de woonkamer liggen. Hij was niet meer aanspreekbaar toen zij bij hem kwam. Op dat moment voelde zij nog wel een pols bij het slachtoffer, waaruit zij afleidde dat hij nog leefde. Volgens verdachte overleed hij even later.

Uit het forensische onderzoek is gebleken dat er drie kogels op het slachtoffer zijn afgevuurd. Op de handen en kledingstukken van verdachte bevonden zich zogenaamde A-deeltjes, die vrijwel zeker een relatie met een schietproces aantonen. In het NFI-rapport van 1 juli 2011 merkt deskundige R.C. Roepnarain op dat schotresten niet alleen worden afgezet op de handen en kleding van de schutter. Er kunnen ook schotresten worden afgezet op objecten of personen die zich in de directe omgeving van het schot bevinden. De schotresten kunnen vervolgens worden overgedragen op objecten of personen door contact met goederen die een schutter heeft aangeraakt na het schieten, door contact met een beschoten slachtoffer en door contact met een gaswolk met schotresten die ontstaat na het afvuren van een patroon met een vuurwapen. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de deskundige verklaard dat het, indien een patroon wordt afgevuurd met een revolver, tien minuten duurt voordat de gaswolk met schotresten in zijn geheel is neergedaald.

Verdachte heeft verklaard dat zij haar partner kort na het horen van de schoten aantrof in de woonkamer en dat zij hem heeft aangeraakt. De schotresten op haar handen en kleding kunnen zijn overgedragen door contact met de gaswolk in hun woonkamer en door aanraking van het slachtoffer. Op grond van de resultaten van het schotrestenonderzoek kan niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte zelf heeft geschoten dan wel dat zij daarbij aanwezig is geweest.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat het dossier verder ook geen bewijsmateriaal bevat waaruit zou kunnen blijken dat verdachte haar partner, al dan niet samen met de medeverdachte of iemand anders, om het leven heeft gebracht, is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

De in beslaggenomen voorwerpen

De onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen zijn vermeld op de aan dit arrest gehechte genummerde beslaglijst. Ten aanzien van deze voorwerpen overweegt het hof als volgt.

De voorwerpen met de nummers 7, 8, 9, 10, 12, 26, 30, 40 en 41 zijn verbeurd verklaard door de rechtbank. Die beslissing heeft betrekking op het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit (witwassen). Dat feit en de daarmee samenhangende beslissingen zijn niet meer aan de orde in hoger beroep, zodat het hof geen beslissing zal nemen ten aanzien van voormelde voorwerpen.

De voorwerpen met de nummers 45, 46, 48, 50, 62, 66 en 67 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemene belang en de wet.

Het voorwerp met het nummer 42 dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De overige voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 45, 46, 48, 50, 62, 66 en 67.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp met het nummer 42.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 11, 13 t/m 25, 25a, 27, 28, 29, 31 t/m 39, 41a, 43, 44, 47, 49, 51 t/m 61, 63, 64 en 65.

Aldus gewezen door

mr G. Mintjes, voorzitter,

mr M. Barels en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Hermans, griffier,

en op 27 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.