Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9037

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
21-004321-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank Almelo heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van moord. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen deze vrijspraak. Het hof spreekt verdachte ook vrij van het medeplegen van de moord. Naar het oordeel van het hof kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat het slachtoffer is beschoten door verdachte of zijn medeverdachte dan wel dat hij daarbij aanwezig is geweest of anderszins nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte. Verdachte wordt ook vrijgesproken van de medeplichtigheid aan de moord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004321-11

Uitspraak d.d.: 27 november 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 25 oktober 2011 met parketnummer 08-700479-10 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 november 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte voor het medeplegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 8 maanden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.F. Speijdel, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte van 12 november 2013 heeft de advocaat-generaal het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep ingetrokken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde (wapenbezit). De omvang van het hoger beroep is derhalve beperkt tot dat deel van het vonnis waarbij verdachte is vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde en de daarmee samenhangende beslissingen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -voor zover in hoger beroep aan de orde en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

1.

primair:
hij op of omstreeks 10 september 2010, in de gemeente Enschede, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een (vuur)wapen (op (zeer) korte afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd/(af)geschoten in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:
[medeverdachte] op of omstreeks 10 september 2010, in de gemeente Enschede, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft [medeverdachte] met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een (vuur)wapen (op (zeer) korte afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd/(afgeschoten in/op/naar het lichaam van die [slachtoffer], ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 september 2010, in de gemeente Enschede, opzettelijk behulpzaam is geweest door het verschaffen van een (vuur)wapen en munitie en/of inlichtingen omtrent het gebruik van dat (vuur)wapen en munitie.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, te weten dat verdachte zich samen met de medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan moord op [slachtoffer]. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de medeplichtigheid aan die moord kan worden bewezen verklaard. Daartoe is het volgende aangevoerd.

Verdachte en de medeverdachte hadden beiden een motief voor de moord. Verdachte had financiële problemen en schulden bij verschillende personen, onder wie het slachtoffer. Er leek sprake te zijn van een conflict over geld tussen verdachte en het slachtoffer. Verdachte werkte samen met het slachtoffer bij de handel in weed.

De medeverdachte, de levenspartner van [slachtoffer], wilde maar kon het slachtoffer niet verlaten. Volgens een verklaring van verdachte vertelde medeverdachte hem dat zij van het slachtoffer af wilde, waarop verdachte tegen haar zei dat zij eens op Internet moest zoeken naar een huurmoordenaar.

Een dag voor de moord zocht verdachte op Internet naar informatie over vuurwapens en bekeek hij een filmpje waarin werd geschoten met een Magnum.

Op de dag van de moord hadden verdachte en het slachtoffer een afspraak om 17:00 uur.

Verdachte belde het slachtoffer omstreeks 16:58 uur. Op dat moment was het slachtoffer bij het autobedrijf van de getuige [getuige 1], die hem hoorde zeggen: “Ik ben in de buurt. Ik ben bij [getuige 1]. Ik kom er zo aan”. De getuige [getuige 2] hoorde hem ook zeggen dat hij er zo aan kwam. De verklaringen van deze getuigen duiden erop dat de afspraak tussen verdachte en het slachtoffer niet werd afgezegd, zoals de verdachte heeft verklaard, maar werd bevestigd in het telefoongesprek.

Het slachtoffer kwam even na 17:00 uur thuis. De medeverdachte, die boven in de woning was, hoorde even later dat hij iemand de woning binnenliet. Dit moet een bekende zijn geweest van het slachtoffer, die een vreemde niet voetstoots zou hebben binnengelaten. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte kort na 17:00 uur werd toegelaten in de woning van het slachtoffer en de medeverdachte, gelet op de bestaande afspraak en het telefoongesprek.

Er zijn schotresten aangetroffen bij beide verdachten. De alternatieve lezingen van de verdachten voor de aanwezigheid van de schotresten sluiten hun betrokkenheid bij het schieten op het slachtoffer niet uit.

De medeverdachte heeft wisselend verklaard over de tijdstippen van de gebeurtenissen in de woning. Uit de verklaringen van de medeverdachte leidt de advocaat-generaal af dat zij aanwezig moet zijn geweest op het moment dat het slachtoffer werd neerschoten en overleed en dat zij pas een half uur later naar 112 heeft gebeld. Er is ruimte ontstaan voor haar en haar mededader om sporen weg te werken.

Verdachte heeft volgens de advocaat-generaal wisselend en leugenachtig verklaard over zijn doen en laten tussen 17:00 en 18:00 uur. Hij kwam om 18:00 uur of iets later aan bij de familie [familie], waar hij meteen zijn handen waste. Hij kwam volgens getuigen van de coffeeshop na 18:30 uur aan bij coffeeshop Grashopper. Deze coffeeshop ligt vlakbij de hennepkwekerij waar verdachte beweerdelijk zou zijn geweest. Het is onlogisch dat verdachte vanuit de hennepkwekerij eerst naar de familie [familie] en vervolgens terug naar de coffeeshop zou zijn gegaan. Daarna is hij bij de voetbalvelden gezien. Verdachte hanteert een andere volgorde van plaatsen waar hij tussen 17:00 en 18:00 uur is geweest dan waarover de getuigen spreken. Dat is leugenachtig volgens de advocaat-generaal. Verdachte vertrok nog diezelfde avond spoorslags naar Duitsland.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] ontkend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft onder meer het volgende aangevoerd.

Iemand moet een duidelijk en zwaarwegend motief hebben gehad om het slachtoffer te vermoorden. Een dergelijk motief ontbreekt bij verdachte.

Het is onaannemelijk dat de medeverdachte [medeverdachte] met verdachte zou hebben samengewerkt, aangezien zij meteen na de moord de aandacht op hem vestigde door te melden dat hij een afspraak met het slachtoffer had. De medeverdachte heeft er, ingeval zij de dader is, alle belang bij om te zeggen dat er iemand op bezoek kwam. Het staat allerminst objectief vast dat er iemand, wie dan ook, die middag na 17:00 uur bij het slachtoffer op bezoek is geweest.

De verklaring van verdachte dat de afspraak tussen hem en het slachtoffer werd afgezegd tijdens het telefoongesprek om 16:58 uur, is niet onverenigbaar met verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2].

Verdachte heeft verklaard dat hij tussen 17:00 en 18:00 uur eerst in een hennepkwekerij en daarna in een coffeeshop in Glanerbrug was. Daarna zou hij bij de familie [familie] zijn geweest. Volgens de raadsman heeft verdachte, rekening houdend met de reistijd, een sluitend alibi. Verdachte zou, als hij de dader zou zijn geweest, onvoldoende tijd hebben gehad om al even na 18:00 uur aan te komen bij de familie [familie] in Enschede.

Volgens de raadsman kan er geen link worden gelegd tussen de schotresten die zijn aangetroffen bij verdachte en het schieten op het slachtoffer. Bij verdachte zijn minder en andersoortige schotresten aangetroffen dan bij de medeverdachte. De schotresten kunnen op verdachte zijn terechtgekomen door contaminatie of doordat hij, zoals hij zelf heeft verklaard, heeft geschoten met het vuurwapen – niet zijnde het wapen waarmee [slachtoffer] is neergeschoten- dat bij hem thuis is gevonden.

Ten slotte heeft de raadsman opgemerkt dat het dossier geen enkel bewijs bevat voor de medeplichtigheid aan de moord.

Het oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat het slachtoffer [slachtoffer] op 10 september 2010 in zijn woning moet zijn neergeschoten ná 16:58 uur en vóór 17:54 uur. Op het eerst genoemde tijdstip heeft het slachtoffer nog telefonisch contact gehad met verdachte en op het laatste genoemde tijdstip heeft medeverdachte [medeverdachte] 112 gebeld om te melden dat haar partner was neergeschoten. Het dossier bevat onvoldoende objectief bewijsmateriaal om het tijdstip van het schietincident binnen de hiervoor aangeduide periode precies vast te stellen.

Ook op basis van de afgelegde verklaringen is niet precies vast te stellen wanneer het schietincident moet hebben plaatsgevonden en of en zo ja wie er, buiten medeverdachte [medeverdachte], in de woning van het slachtoffer is geweest.

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij boven in de woning was en heeft gehoord dat het slachtoffer iemand binnen heeft gelaten. Zij heeft wel stemmen gehoord maar daarbij niet iemand herkend. Nadat zij later het slachtoffer beneden had aangetroffen, heeft zij buiten op straat gekeken alwaar zij iemand zag wegrennen, maar zij heeft deze persoon niet herkend. Zij heeft niet verklaard verdachte in de woning te hebben gezien. Zij had alleen van het slachtoffer gehoord dat hij om 17:00 uur een afspraak had met verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat hij die middag om 17:00 uur een afspraak had met het slachtoffer maar dat hij die in het telefoongesprek van 16:58 uur heeft afgezegd. Hoewel zijn alibi wat betreft precieze tijdstippen niet wordt bevestigd door getuigen, wordt zijn uiteindelijke lezing evenmin weerlegd door het beschikbare bewijsmateriaal en is er geen verklaring van een getuige dan wel ander bewijs voorhanden waaruit onomstotelijk blijkt dat verdachte tussen voornoemde tijdstippen in de woning van het slachtoffer moet zijn geweest.

Uit het forensische onderzoek is gebleken dat er drie kogels op het slachtoffer zijn afgevuurd. Deze kogels kunnen worden verschoten met een revolver van het kaliber .357 Magnum. Na de aanhouding van verdachte in Duitsland en zijn overbrenging naar Nederland op 11 september 2010, zijn schotresten aangetroffen op de schoenen en het vest van verdachte en op de stoel van zijn auto. Uit de elementsamenstelling van de zogenaamde A-deeltjes, die vrijwel zeker een relatie aantonen met een schietproces, valt af te leiden dat de bij verdachte aangetroffen schotresten deels afkomstig zijn van gemarkeerde munitie die wordt gebruikt door de Duitse en Nederlandse politie. Op de schoenen en het vest van verdachte bevonden zich in totaal drie A-deeltjes die afkomstig zijn van reguliere munitie.

In het NFI-rapport van 1 juli 2011 merkt deskundige R.C. Roepnarain op dat schotresten niet alleen worden afgezet op de handen en kleding van de schutter. Er kunnen ook schotresten worden afgezet op objecten of personen die zich in de directe omgeving van het schot bevinden. De schotresten kunnen vervolgens worden overgedragen op objecten of personen door contact met goederen die een schutter heeft aangeraakt na het schieten, door contact met een beschoten slachtoffer en door contact met een gaswolk met schotresten die ontstaat na het afvuren van een patroon met een vuurwapen. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de deskundige verklaard dat de schotresten mogelijk bij de aanhouding van verdachte door contaminatie op de voorwerpen kunnen zijn terechtgekomen. De schotresten kunnen ook bij een eerder schietincident op de voorwerpen zijn terechtgekomen.

Verdachte heeft gesteld dat dat hij voor de bewuste middag heeft geschoten met het pistool van het kaliber 6.35 dat bij hem thuis is gevonden. Met dit vuurwapen kunnen de in het lichaam van het slachtoffer aangetroffen kogels niet zijn verschoten. Het is weliswaar opmerkelijk dat verdachte een dag eerder op internet heeft gekeken naar een filmpje waarin werd geschoten met een revolver van het kaliber waarmee deze kogels wel kunnen worden verschoten, maar het is niet gebleken dat verdachte over een dergelijk vuurwapen heeft kunnen beschikken.

Gelet op het voorgaande kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte zelf op het slachtoffer heeft geschoten dan wel dat hij daarbij aanwezig is geweest of anderszins nauw en bewust met [medeverdachte] heeft samengewerkt. Het dossier bevat tevens geen enkel bewijs voor de veronderstelling dat verdachte een vuurwapen en/of inlichtingen over het gebruik van dat vuurwapen aan [medeverdachte] heeft verstrekt en dat zij met dit wapen heeft geschoten. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

De in beslaggenomen voorwerpen

De onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen zijn vermeld op de aan dit arrest gehechte genummerde beslaglijst. Ten aanzien van deze voorwerpen overweegt het hof als volgt.

De voorwerpen met het nummer 4 (vuurwapen en munitie) zijn onttrokken aan het verkeer door de rechtbank. Die beslissing heeft betrekking op het onder 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit (wapenbezit). Dat feit en de daarmee samenhangende beslissingen zijn niet meer aan de orde in hoger beroep, zodat het hof geen beslissing zal nemen ten aanzien van voormelde voorwerpen.

De voorwerpen met de nummers 6, 7 en 14 dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemene belang en de wet.

De overige voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 6, 7 en 14.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen met de nummers 1, 2, 3, 5, 8, 9, 10, 11, 11a, 11b, 12, 13 en 15 t/m 25.

Aldus gewezen door

mr G. Mintjes, voorzitter,

mr M. Barels en mr R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr R. Hermans, griffier,

en op 27 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.