Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8857

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
P13-360
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk in zijn beroep nu de terbeschikkinggestelde geen belang meer heeft bij behandeling van zijn zaak. Dat de behandeling van de zaak in beroep reeds was aangevangen en dat er gaande die behandeling een deskundige is gehoord, maakt dat niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P13/0360

Beslissing d.d. 7 november 2013

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege wonende te [woonplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 1 augustus 2013, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 14 augustus 2013;

- het derde voortgangsverslag TBS van 25 juli 2013;

- de aanvullende informatie van de reclassering van 21 oktober 2013.

Het hof heeft ter zitting van 24 oktober 2013 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. drs. H.J. Ruysendaal, advocaat te Rotterdam, de deskundige mw. H.C. Nagtegaal, reclasseringswerker, en de advocaat-generaal mr A.A. Schut.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkinggestelde heeft geen bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank houdende de verlenging van de maatregel met een termijn van een jaar alsmede de door de rechtbank geformuleerde voorwaarden. Desondanks heeft de terbeschikkinggestelde beroep ingesteld tegen die beslissing. De terbeschikkinggestelde vreest immers dat de door de reclassering als mogelijkheid geopperde forensische RIBW constructie als dwingende voorwaarde zal worden opgelegd hetgeen hij ervaart als een achteruitgang in zijn resocialisatietraject. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De terbeschikkinggestelde is het eens met de beslissing van de rechtbank en de raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Gelet op deze omstandigheden heeft de terbeschikkinggestelde in beginsel geen belang meer bij behandeling van zijn zaak in beroep. Aangezien de behandeling van de zaak reeds is aangevangen en er ter zitting van het hof een deskundige is gehoord, is het echter niet mogelijk de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep. De beslissing van de rechtbank dient daarom integraal te worden bevestigd.

Het oordeel van het hof

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de terbeschikkinggestelde zich kan vinden in de beslissing waarvan beroep. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Naar het oordeel van het hof heeft de terbeschikkinggestelde daarom

geen belang meer bij behandeling van de zaak in beroep. Nu ook de advocaat-generaal heeft doen blijken dat behandeling van de zaak in beroep wat het openbaar ministerie betreft niet meer behoeft plaats te vinden, en het hof daartoe ambtshalve ook geen reden ziet, zal de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk worden verklaard in het beroep. Dat de behandeling van de zaak in beroep reeds was aangevangen en dat er gaande die behandeling een deskundige is gehoord, maakt dat niet anders.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de terbeschikkinggestelde niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Aldus gedaan door

mr Y.A.J.M. van Kuijck als voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr J.M.J. Denie als raadsheren,

en drs. J. Boon en drs. I.M. van Woudenberg als raden,

in tegenwoordigheid van mr G.J.B. van Weegen als griffier,

en op 7 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

Mr. J.W. Rijkers en mr J.M.J. Denie en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.