Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8764

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
200.117.319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

3:303, 6:265, 7:311, 7:312, 7:325 en 7:376 BW

Vordering tot vastlegging van pachtovereenkomst.

Bij de kwalificatie van de overeenkomst komt het aan op het door deze partijen beoogde gebruik, en niet om het feitelijke gebruik, hetzij bij de aanvang van het gebruik, hetzij later. Volgens art. 7:311 BW gaat het er immers om waartoe partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden. Eventueel zal het feitelijk gebruik bij de aanvang van de pacht tot de vaststelling van de partijbedoeling kunnen bijdragen, namelijk in zoverre dat feitelijk gebruik destijds voor de wederpartij kenbaar was. Maar ook dan gaat het om de vaststelling van het gebruik zoals door partijen beoogd. Ter zake van dit beoogde gebruik rust de bewijslast op de partij die zich erop beroept dat van pacht sprake is.

De omstandigheid dat het (huidige en/of voormalige) feitelijke gebruik niet als gebruik voor bedrijfsmatige landbouw kan worden gekwalificeerd, kan wel andere gevolgen hebben. Die omstandigheid zal een verpachter met name aanleiding kunnen geven om ontbinding te vorderen op de voet van art. 6:265 en 7:376 BW. In dit verband is het de verpachter die de bewijslast draagt. Eventueel zal de omstandigheid dat de pachter geen agrarisch bedrijf meer heeft, ook kunnen bijdragen tot het oordeel dat hij bij een vordering tot schriftelijke vastlegging onvoldoende belang heeft in de zin van art. 3:303 BW.

Het voorschrift van art. 7:325 lid 3 BW, volgens welke een kortere duur dan de wettelijke de goedkeuring door de grondkamer behoeft, strekt ter bescherming van de pachter en raakt niet de rechtsgeldigheid van een pachtovereenkomst die voor een kortere duur dan de wettelijke is aangegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.117.319

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle 584055)

arrest van de pachtkamer van 19 november 2013

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.H. van der Wal,

tegen:

de erven [A], zijnde

  1. [geïntimeerde 1] ,

  2. [geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: erven [A],

advocaat: mr. J.T.A.M. van Mierlo.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 29 mei 2012 en 23 oktober 2012, die de pachtkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Zwolle, tussen [appellant] als eiser en de erven [A] als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding in hoger beroep van 15 november 2012;

■ de memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis;

■ de memorie van antwoord;

■ de akte overlegging producties van [appellant];

■ de antwoordakte van de erven [A].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2

[appellant] heeft sedert 2002 een perceel grond in gebruik, in eigendom toebehorend aan wijlen [A] (verder: [A]), gelegen aan de [adres], groot 5.46.00 hectare, zijnde een deel van het perceel kadastraal bekend gemeente […], sectie W, nummer 592, in totaal groot 10.81.37 ha (hierna: het perceel [1]). In 2006 heeft [appellant] tevens het resterende gedeelte, groot 5.42.00 hectare, in gebruik gekregen. Tot op heden gebruikt [appellant] het gehele perceel.

3.3

In 2007 en 2008 heeft [appellant] een perceel grond in gebruik gehad, toebehorend aan [A], gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente […], sectie W, nummer 198, groot 5.82.36 hectare (hierna: het perceel [2]). In 2009 is dit perceel door [A] in gebruik gegeven aan een derde voor de teelt van lelies. In 2010 en 2011 is het perceel door de erven [A] aan een (andere) derde in gebruik gegeven.

3.4

In 2009 heeft [appellant] van [A] een perceel grond in gebruik gehad, gelegen aan de [adres], kadastraal bekend gemeente […] sectie Q, nummer 1898, groot 1.57.65 hectare (hierna: het perceel [3]). In 2010 heeft [appellant] dit perceel opnieuw in gebruik genomen. In 2011 is het door de erven [A] aan een derde in gebruik gegeven.

3.5

[appellant] heeft aan [A] de volgende bedragen betaald, met in de omschrijving “huurland” of “huurlandbouwgrond”:

2002: € 3.324,80

2003: € 3.113,—

2004: € 1.672.20

2005: € 1.672,60

2006: € 2.500,— en € 2.475,—

2007: € 8.887,50

2008: € 8.850,—

2009: € 5.879,58

Over 2010 en 2011 heeft [appellant] wel betalingen willen doen maar die zijn door de erven [A] niet geaccepteerd.

3.6

[appellant] houdt rundvee (vleesstieren) en mestvarkens, en gebruikt, respectievelijk gebruikte, de hiervoor bedoelde gronden voor de winning van ruwvoer en de afzet van mest.

3.7

In totaal heeft [appellant] sedert 2007 een oppervlakte aan beteelde grond in gebruik van circa 21 hectare, afnemend naar 18,7 hectare in 2010 en naar 16,6 hectare in 2011.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

In dit geding heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat sprake is van pacht, alsmede schriftelijke vastlegging van pachtovereenkomsten met betrekking tot primair de percelen [1] en [2] en subsidiair de percelen [1] en [3]. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de vorderingen afgewezen. In hoger beroep vordert [appellant] de bedoelde verklaring voor recht en schriftelijke vastlegging alleen nog met betrekking tot de percelen [1] en [2].

4.2

Wat betreft het perceel [1] heeft de pachtkamer in eerste aanleg bij het tussenvonnis van 29 mei 2012 overwogen, kort samengevat, dat het gebruik door [appellant] vaststaat, alsook dat voor het gebruik een tegenprestatie is overeengekomen. Het hof maakt deze overwegingen tot de zijne. De pachtkamer in eerste aanleg heeft bij het eindvonnis van 23 oktober 2012 niettemin ook de vorderingen met betrekking tot het perceel [1] afgewezen, en wel op de grond dat [appellant] niet heeft kunnen aantonen dat in zijn geval sprake is van bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw. Daartegen richt zich onder meer grief 1.

4.3

Per 1 september 2007 is met de artikelen 7:311 e.v. Burgerlijk Wetboek een nieuwe wettelijke regeling van de pacht in werking getreden en is de Pachtwet vervallen. Op grond van artikel 68a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek heeft het nieuwe recht te dezen onmiddellijke werking. Het hof zal derhalve nieuw recht toepassen, behoudens voor zover het de vordering tot vastlegging betreft over de periode tot 1 september 2007.

4.4

Verder moet voorop worden gesteld dat het bij de kwalificatie van de overeenkomst tussen wijlen [A] en [appellant] aankomt op het door deze partijen beoogde gebruik, en niet om het feitelijke gebruik door [appellant], hetzij bij de aanvang van het gebruik, hetzij op dit moment. Volgens artikel 7:311 Burgerlijk Wetboek gaat het er immers om waartoe partijen zich tegenover elkaar hebben verbonden. Eventueel zal het feitelijk gebruik bij de aanvang van de pacht tot de vaststelling van de partijbedoeling kunnen bijdragen, namelijk in zoverre dat feitelijk gebruik destijds voor de wederpartij kenbaar was. Maar ook dan gaat het om de vaststelling van het gebruik zoals door partijen beoogd. Ter zake van dit beoogde gebruik rust de bewijslast op de partij die zich erop beroept dat van pacht sprake is, in dit geval dus [appellant].

4.5

De omstandigheid dat het (huidige en/of voormalige) feitelijke gebruik niet als gebruik voor bedrijfsmatige landbouw kan worden gekwalificeerd, kan wel andere gevolgen hebben. Die omstandigheid zal een verpachter met name aanleiding kunnen geven om ontbinding te vorderen op de voet van artikelen 6:265 en 7:376 Burgerlijk Wetboek (vergelijk in het bijzonder het eerste lid aanhef en onder a van artikel 7:376). In dit verband is het de verpachter die de bewijslast draagt. Eventueel zal de omstandigheid dat de pachter geen agrarisch bedrijf meer heeft, ook kunnen bijdragen tot het oordeel dat hij bij een vordering tot schriftelijke vastlegging onvoldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek. Een ontbindingsvordering als hiervoor bedoeld is in dit geding niet aan de orde. Voor zover in de stellingen van de erven [A] mede zou kunnen worden gelezen dat zij zich er op beroepen dat [appellant] bij zijn vorderingen geen belang heeft, zal het hof daar hierna op ingaan.

4.6

Een aanwijzing dat [A] en [appellant] bedrijfsmatig gebruik van de gronden beoogden, is gelegen in de eigen verklaringen van [A] aan de gemeente Dalfsen van 17 juli 2008 (productie 7 bij conclusie van repliek). Volgens deze verklaringen zijn de percelen [1] en [2] door [A] aan [appellant] verhuurd of verpacht, terwijl de vraag of de grond bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van een land- of bosbouwbedrijf, bevestigend is beantwoord. De echtheid van het stuk wordt door de erven [A] niet betwist. Wel voeren zij aan dat het is opgesteld om te voorkomen dat over cultuurgrond OZB zou moeten worden betaald (conclusie van dupliek pagina 8). Dat zal juist zijn, maar dit betekent nog niet dat de verklaring onjuist is, óók omdat de gemeente Dalfsen er uiteraard belang bij had om het realiteitsgehalte van de verklaring te toetsen. Verder blijkt uit diverse door [appellant] overgelegde producties dat hij in 2008 en in de jaren daarna meststieren, mestvarkens en aanvankelijk ook fokvarkens had en dat hij in de eerste jaren jaarlijks voor meer dan € 100.000,— vee verkocht. Gelet op een en ander ligt het zozeer voor de hand dat [A] ervan uit is gegaan en redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat [appellant] een agrarisch bedrijf voerde en dat de terbeschikkingstelling van de gronden dat bedrijf zou dienen, dat aan het tegengestelde standpunt van de erven [A] als onvoldoende gemotiveerd voorbij moet worden gegaan. Hieraan doet niet af dat de door [appellant] in de loop der jaren gerealiseerde netto winst zeer bescheiden is geweest, in de eerste plaats niet omdat het niet voor de hand ligt dat [A] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst (anders dan de omvang van de veestapel van [appellant], die immers veel gemakkelijker naar buiten blijkt) van die resultaten op de hoogte was en in de tweede plaats niet omdat in de varkenshouderij de resultaten reeds jarenlang onder druk staan.

4.7

Voor zover in de stellingen van de erven [A] mede zou kunnen worden gelezen dat zij zich er op beroepen dat [appellant] bij zijn vorderingen onvoldoende belang heeft, geldt dat zij onvoldoende hebben aangevoerd om tot die vergaande conclusie te komen. In dit verband is van belang dat volgens het arrest van de Hoge Raad van 17 september 1993, NJ 1994/118 terughoudendheid is geboden bij het aannemen van onvoldoende belang. Wat betreft de door [appellant] voor zijn bedrijf benodigde mestplaatsingsruimte heeft [appellant] bij akte van 10 juli 2012 als productie 5 een gemotiveerde berekening overgelegd, volgens welke zijn bedrijf 29.16.00 ha nodig heeft. Op die berekening zijn de erven [A] onvoldoende ingegaan. Ten overvloede voegt het hof hieraan nog toe dat de bedoelde berekening van [appellant] ook aansluit bij hetgeen in de agrarische praktijk van algemene bekendheid is.

4.8

Grief 1 slaagt dus.

4.9

Grief 2 ziet op het perceel [2]. Terecht gaat de grief ervan uit dat aan schriftelijke vastlegging niet in de weg staat dat volgens de door [appellant] gestelde afspraak [A] eens per zes jaar de gronden voor de lelieteelt aan een derde ter beschikking zou stellen, waartegenover [A] aan [appellant] zoveel mogelijk vervangende grond ter beschikking zou stellen. Niets verhindert immers de geldigheid van een pachtovereenkomst met het beding dat de verpachter eens in de zes jaar de grond aan een derde in gebruik mag geven en waarbij voor dat jaar door de verpachter aan de pachter in overleg vervangende grond zal worden aangeboden. Als al sprake zou zijn van een overeenkomst voor een kortere duur dan de wettelijke – het ligt meer voor de hand om de stellingen van [appellant] zo te lezen dat [A] en hij een overeenkomst voor onbepaalde tijd hebben gesloten, zij het ook met het zojuist bedoelde beding – is onjuist het oordeel van de pachtkamer in eerste aanleg dat de vordering tot schriftelijke vastlegging afstuit op het ontbreken van goedkeuring door de grondkamer van die duur. Het voorschrift van artikel 7:325 lid 3 Burgerlijk Wetboek strekt immers ter bescherming van de pachter en raakt niet de rechtsgeldigheid van een pachtovereenkomst die voor een kortere duur dan de wettelijke is aangegaan. Iets anders is dat de grondkamer aan de overeengekomen kortere duur haar goedkeuring kan onthouden, in welk geval tussen partijen de wettelijke duur geldt.

4.10

Dat sprake is geweest van onderverpachting door [appellant] waarbij betaling op de voet van artikel 6:30 Burgerlijk Wetboek rechtstreeks aan [A] plaatsvond, zoals [appellant] bij memorie van grieven onder 33 en 34 suggereert, acht het hof onvoldoende begrijpelijk toegelicht. Klaarblijkelijk kwam de (hogere) opbrengst van de verpachting voor de lelieteelt aan [A] toe. Bij die stand van zaken ligt het niet voor de hand om [appellant] in plaats van [A] als verpachter aan te merken. [appellant] heeft ook niet aangevoerd dat de desbetreffende lelieteler door hem werd benaderd in plaats van door [A].

4.11

Vaststaat dat [appellant] het perceel [2] in 2007 en 2008 heeft gebruikt. De hoogte van de overeengekomen tegenprestatie ad € 650,— per hectare (inleidende dagvaarding onder 2) is door de erven [A] niet (voldoende) gemotiveerd betwist. In ieder geval voeren zij niet aan dat de overeengekomen tegenprestatie hoger is geweest. Wel is door hen voldoende gemotiveerd betwist dat het overeengekomen gebruik ook betrekking had op de jaren na 2008, waarbij zij er onder meer op wijzen dat [appellant] in 2009 en volgende jaren van het perceel [2] niet het feitelijk gebruik heeft gehad. Tegenover deze betwisting zal [appellant] worden toegelaten tot het bewijs van de inhoud van de door hem met wijlen [A] gemaakte afspraken.

4.12

De grieven 3 tot en met 7 betreffen de overwegingen van de pachtkamer in eerste aanleg met betrekking tot de vraag of [appellant] thans nog een agrarisch bedrijf heeft. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven die grieven geen afzonderlijke bespreking.

4.13

De slotsom is dat na bewijslevering als bedoeld onder 4.10 nader zal worden beslist. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het bewijs dat hij met [A] het gebruik met betrekking tot het perceel [2] is overeengekomen voor mede de jaren na 2008;

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk en het deskundige lid mr. ing. H.J. Vinke, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door de raadsheer-commissaris vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellant] in persoon en de erven [A] hetzij in persoon hetzij vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is, bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 3 december 2013, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 november 2013.