Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8663

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
CR 200.132.734-01 12-11-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ondertoezichtstelling. Ondertoezichtstelling heeft meer kwaad dan goed gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 12 november 2013

Zaaknummer 200.132.734

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P.A.K. van Eck, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

Bureau Jeugdzorg Flevoland,

kantoorhoudend te Lelystad,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ.

Belanghebbende:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr M.E. Beeker, kantoorhoudende te Zwolle.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 4 juni 2013 (zaaknummer C/16/343560 / JL RK 13-359) heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op verzoek van BJZ de termijn van de ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind], geboren [in 1999], verlengd voor de termijn van één jaar, ingaande op 22 juni 2013.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 26 augustus 2013, heeft de moeder verzocht het inleidende verzoek van BJZ alsnog af te wijzen en, zelf recht doende, te verstaan dat de ondertoezichtstelling over [kind] is beëindigd per 21 juni 2013, althans zodanig te bepalen als het hof zal vermenen te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 27 september 2013, heeft BJZ het verzoek bestreden en verzocht het beroepschrift niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair ongegrond te verklaren met zoveel nodig bekrachtiging van de beschikking van 4 juni 2013.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 10 oktober 2013, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht de verzoeken van de moeder af te wijzen en de uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling in stand te laten.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 6 september 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) en een brief van 12 september 2013 van mr. Beeker. De brief van 16 oktober 2013 met bijlagen van mr. Van Eck is buiten de termijn van artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken

gerechtshoven ingediend, maar de zich in de bijlage daarvan bevindende stukken waren reeds eerder aan het hof ter beschikking gesteld, zodat daarvan al kennis was genomen.

Van [kind] is op 22 oktober 2013 een brief binnengekomen waarin hij zijn mening heeft kenbaar gemaakt.

Ter zitting van 22 oktober 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Eck;

- mr. Beeker namens de vader;

- mevrouw P. Brandenburg en mevrouw S. Veldhuis namens BJZ.

Mr. van Eck heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1.

Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. [kind] staat sinds 22 december 2010 onder toezicht van BJZ. De moeder was aanvankelijk met het eenhoofdig gezag over [kind] belast. [kind] had zijn hoofdverblijf bij de moeder.

2.

De moeder is op 15 februari 2011 met [kind] (en zijn halfzus) naar de Verenigde Staten vertrokken, wetende dat de dag daarna een verzoek van BJZ tot machtiging uithuisplaatsing van [kind] bij de kinderrechter zou worden behandeld.

3.

De rechtbank heeft bij beschikking van 16 februari 2011 het gezag van de moeder over [kind] beëindigd, de vader met het eenhoofdig gezag over [kind] belast en het hoofdverblijf van [kind] bij de vader bepaald. Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 2 februari 2012.

4.

[kind] is in juni 2011 weer teruggekeerd naar Nederland en woont sindsdien bij de vader.

5.

Op grond van de beschikking van 8 juni 2012 is sprake van een omgangsregeling tussen de moeder en [kind] van eenmaal per 14 dagen, telkens van vrijdag na schooltijd tot zondag 19.00 uur, waarbij de moeder [kind] op vrijdag ophaalt en de vader [kind] op zondag ophaalt, tweemaal per week telefonisch contact, op dinsdagavond en op donderdagavond tussen 19.00 uur en 20.00 uur, zulks via de vaste telefoonlijn en de eerste helft van de zomervakanties, met ingang van de zomervakantie 2013. Bij die beschikking is eveneens bepaald dat de vader aan de moeder eenmaal per kwartaal per brief of e-mail inlichtingen verschaft over belangrijke omstandigheden met betrekking tot [kind], zoals zijn gezondheidssituatie, schoolprestaties en hobby's.

6.

Bij verzoekschrift van 7 maart 2013 heeft BJZ de kinderrechter verzocht om de bij beschikking van 8 juni 2012 vastgestelde omgangsregeling tussen de moeder en [kind] te wijzigen, in die zin dat Bureau Jeugdzorg de invulling van de omgangsregeling tussen de moeder en [kind] met ingang van heden zelf kan bepalen. De moeder heeft daartegen verweer gevoerd. Bij beschikking van 9 april 2013 heeft de kinderrechter het verzoek van BJZ afgewezen. De man heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Op 5 december 2013 staat de mondelinge behandeling van dit hoger beroep bij het hof gepland.

7.

BJZ heeft de kinderrechter bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 3 mei 2013, verzocht om de ondertoezichtstelling van [kind] te verlengen voor de duur van zes maanden, ingaande 22 juni 2013.

8.

De moeder heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift van 3 juni 2013.

9.

De vader heeft bij brief van 3 juni 2013 aangegeven zich niet te verzetten tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind], doch het in het belang van [kind] te achten dat de ondertoezichtstelling met één jaar wordt verlengd.

10.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kinderrechter beslist als hiervoor vermeld onder 'Het geding in eerste aanleg'. Het hoger beroep van de moeder richt zich tegen deze beslissing.

De verlenging van de ondertoezichtstelling

11.

Voor het antwoord op de vraag of de duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarige moet worden verlengd, dient te worden beoordeeld of de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

12.

Het hof is - met de moeder - van oordeel dat er ten aanzien van [kind] niet langer aan de gronden voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat [kind] een positieve ontwikkeling doormaakt. Op school gaat het goed met [kind] en in de thuissituatie bij de vader en [kind] is Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT) ingezet, hetgeen met positief resultaat is afgesloten.

13.

Hoewel de vader en BJZ aangeven dat er wel degelijk zorgen zijn over [kind], acht het hof een verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] niet langer gerechtvaardigd. Immers, [kind] heeft weliswaar last van psychosomatische klachten in de vorm van buikpijn en soms hoofdpijn, doch deze klachten zijn te wijten aan de conflicten tussen de ouders over de omgangsregeling tussen de moeder en [kind]. [kind] staat vanwege deze situatie reeds sinds 22 december 2010 onder toezicht en er zijn tot op heden geen verbeteringen in de communicatie tussen de ouders waargenomen. De strijd tussen de ouders woedt

- ondanks de ondertoezichtstelling van [kind] - onverminderd voort. BJZ geeft zelf ook aan dat het hen niet lukt om de strijd tussen de ouders op te lossen. Daarenboven is op grond van het dossier bij het hof de indruk ontstaan dat de gezinsvoogd wordt ingezet door de ouders in hun eigen strijd en de gezinsvoogd hier onvoldoende weerstand tegen heeft kunnen bieden wat juist voor problemen rondom de omgangsregeling heeft gezorgd. Door de inzet van de macht van de gezinsvoogd door met name de vader is er geen verbetering opgetreden, eerder een verslechtering. In ieder geval heeft de ondertoezichtstelling de ouders er niet toe aangezet om rechtstreeks met elkaar te communiceren. Ook [kind] heeft in zijn brief aan het hof aangegeven dat de ondertoezichtstelling hem gedurende de afgelopen periode meer problemen heeft bezorgd dan oplossingen.

14.

Het hof is van oordeel dat de ouders in het belang van [kind] een manier zullen moeten vinden om gelijkwaardig en met respect voor de andere ouder met elkaar te overleggen over zaken aangaande hun kind. De ouders communiceren thans enkel per e-mail of via hun advocaten. [kind] heeft er belang bij dat zijn ouders op fatsoenlijke wijze met elkaar omgaan en communiceren. Dat vergt van beide ouders inzet, ook van de moeder om de schade die ze met haar vertrek met [kind] naar de Verenigde Staten in het vertrouwen van de vader heeft veroorzaakt, te erkennen en te herstellen. De vader zal de positie van de moeder moeten erkennen en respecteren. Van volwassen ouders mag zoiets verwacht worden in het belang van hun kind. Zij moeten ervoor zorgen dat [kind] zich vrij kan voelen om contact te hebben met de andere ouder en zij dienen [kind] niet te belasten met hun onderlinge conflicten over de (uitvoering van de) omgangsregeling.

15.

Ten overvloede wenst het hof nog te benadrukken dat de vader - die weliswaar met het eenhoofdig gezag over [kind] is belast - een wettelijke plicht heeft om de moeder te informeren over zaken aangaande [kind]. De moeder dient op haar beurt de vader - die met het eenhoofdig gezag is belast - te consulteren alvorens zij voornemens is om met [kind] naar het buitenland af te reizen.

16.

Gelet op het vorenstaande zal het hof het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] met ingang van de datum van deze beschikking afwijzen.

Slotsom

17.

De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het de verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind] betreft voor de periode met ingang van de datum van deze beschikking;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijst af het inleidend verzoek van BJZ tot verlenging van de termijn van ondertoezichtstelling van de minderjarige [kind], geboren [in 1999], met ingang van de datum van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. Feunekes, mr. A.H. Garos en

mr. D.J. Buijs en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

12 november 2013 in bijzijn van de griffier.