Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8604

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
KS 21-000885-13 13-11-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vechtpartij waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Gemotiveerde vrijspraak van medeplegen van zware mishandeling (feit 2 primair). Het hof oordeelt dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer en dat hij daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. De verdachte wordt veroordeeld ter zake van mishandeling (feit 1) en openlijke geweldpleging (feit 2 subsidiair). Bewijsoverweging ten aanzien van (voorwaardelijk) opzet, in het bijzonder omtrent de vraag of de kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg van een vechtpartij al dan niet aanmerkelijk te achten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000885-13

Uitspraak d.d.: 13 november 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 26 november 2012 met parketnummer 17-880469-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.388,73, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 23 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. TJ.H. Pasma, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot andere beslissingen komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 18 september 2011 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente [gemeente], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) tegen het hoofd, in elk geval het lichaam, heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.
hij op of omstreeks 18 september 2011, te [pleegplaats], (althans) in de gemeente [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een meervoudige onderkaakfractuur, heeft toegebracht, door deze opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) - met een (geschoeide) voet op diens hoofd te stampen en/of

- met een (geschoeide) voet tegen diens hoofd te schoppen en/of te trappen en/of

- tegen en/of op diens hoofd te stompen en/of te slaan en/of

- tegen ((een) ander(e) de(e)l(en van) diens lichaam te trappen en/of te schoppen;

subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en strafoplegging aan verdachte


hij op of omstreeks 18 september 2011 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, (met kracht)

- met een (geschoeide) voet stampen op het hoofd van die [benadeelde] en/of

- met een (geschoeide) voet schoppen en/of te trappen tegen het hoofd van die [benadeelde] en/of

- stompen en/of slaan tegen en/of op het hoofd van die [benadeelde] en/of

- trappen en/of schoppen tegen ((een) ander(e) de(e)l(en) van) het lichaam van die [benadeelde], waarbij hij, verdachte, die [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, tegen en/of op het hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt, en welk door hem gepleegd geweld zwaar lichamelijk letsel (een meervoudige onderkaakfractuur), althans enig lichamelijk letsel, voor die [benadeelde] ten gevolge heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde, tevens bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

Voor bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dient sprake te zijn geweest van een bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders; voorts dient verdachtes opzet gericht te zijn geweest op die samenwerking en het toebrengen van het zwaar lichamelijk letsel. Voor bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde is vereist dat sprake was van een substantiële bijdrage van verdachte aan het gepleegde openlijk geweld.

Het hof gaat uit van de volgende feitelijke toedracht.

Nadat verdachte kort daarvoor al met het slachtoffer [benadeelde] had gevochten (hierop heeft feit 1 betrekking), heeft hij de confrontatie opnieuw gezocht door achter deze [benadeelde] aan te gaan. Verdachte werd daarbij op korte afstand gevolgd door een groep personen. Vervolgens heeft verdachte, als eerste, het slachtoffer een schop gegeven waarna de anderen uit de groep zich met de vechtpartij gingen bemoeien en [benadeelde] hebben geslagen en geschopt, ook tegen het hoofd. Als gevolg van het jegens hem uitgeoefende geweld, in het bijzonder het schoppen tegen het hoofd, heeft [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De beschreven (en bewijsbaar geoordeelde) gang van zaken bewijst wel dat het (zwaar lichamelijk) letsel van het slachtoffer hem is toegebracht tijdens deze vechtpartij, maar niet dat verdachtes opzet gericht was op het toebrengen van dat letsel en op het daarbij bewust en nauw samenwerken met anderen, ook niet in voorwaardelijke vorm. Wat dat laatste betreft geldt in het bijzonder nog het volgende.

Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg (in casu zwaar lichamelijk letsel) zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Voorop staat dat, zoals hiervoor al vastgesteld, uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het verdachte was die tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt of dat verdachte daartoe heeft aangezet. Verdachtes aandeel in het geheel is geweest dat hij begonnen is met het uitoefenen van geweld en daaraan persoonlijk heeft bijgedragen door de eerste schop te geven. Dat bij een vechtpartij letsel kan worden toegebracht is voor de hand liggend. De algemene ervaring leert ook wel dat de kans daarop aanmerkelijk is. Door te handelen zoals hij deed heeft verdachte de kans op letsel gedurende het vervolg van de vechtpartij derhalve wel aanvaard. Veel vechtpartijen eindigen echter met niet meer dan enig letsel. De kans dat een vechtpartij zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft, is in zijn algemeenheid niet aanmerkelijk te achten. Van bijzondere omstandigheden die maken dat in het onderhavige geval de kans wel aanmerkelijk moest worden geoordeeld, is niet gebleken. Het enkele feit dat zwaar lichamelijk letsel is toegebracht is daartoe onvoldoende.

Het hof acht op grond van het voorgaande niet bewezen dat de samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde]. Daarom zal het hof verdachte vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

Bewezen is echter wel dat verdachte heeft deelgenomen aan het jegens het slachtoffer gepleegde openlijk geweld. Verdachte is op [benadeelde] afgerend, gevolgd door anderen uit de groep, en heeft als eerste geweld gepleegd jegens [benadeelde], bestaande uit het schoppen tegen het lichaam, waarna anderen ook geweld hebben gepleegd jegens [benadeelde].

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig bewezen en heeft het hof de overtuiging verkregen, dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 18 september 2011 te [pleegplaats], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), met kracht tegen het hoofd heeft gestompt en geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

2

subsidiair.
hij op 18 september 2011 te [pleegplaats], met anderen, op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde], welk geweld bestond uit het meermalen,

- met een (geschoeide) voet stampen en/of schoppen en/of te trappen tegen het hoofd van die [benadeelde] en

- trappen en/of schoppen tegen (een) ander(e) de(e)l(en) van) het lichaam van die [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde] en openlijke geweldpleging. Zowel aangever als verdachte geven aan niet (meer) te weten waarom er nu precies ruzie tussen hen is ontstaan. Het hof rekent het verdachte aan dat hij de ruzie niet op een andere wijze heeft kunnen beëindigen dan door het gebruik van geweld. Hij heeft het initiatief tot het geweld genomen, waarna zijn medeverdachten (fors) geweld hebben uitgeoefend jegens het slachtoffer, welk geweld uiteindelijk heeft geresulteerd in zwaar lichamelijk letsel. Aldus is verdachte hier mede debet aan.

Uit een uittreksel uit het justitiële documentatieregister blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

Bij de strafoplegging is in aanmerking genomen het opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 2 mei 2012, alsmede hetgeen ter zitting is gebleken omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Alles afwegende, acht het hof de oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren passend. Hierbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde is vrijgesproken en hem derhalve in strafrechtelijke zin niet (rechtstreeks) kan worden toegerekend dat het slachtoffer ten gevolge van de vechtpartij zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.888,73. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.388,73. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De vordering is door of namens verdachte inhoudelijk niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering zal, nu deze voor wat betreft de hoogte daarvan niet is betwist, tot een bedrag van € 1.388,73 worden toegewezen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.388,73 (duizend driehonderdachtentachtig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 388,73 (driehonderdachtentachtig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 1.388,73 (duizend driehonderdachtentachtig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 388,73 (driehonderdachtentachtig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,

mr. W.P.M. ter Berg en mr. P.W.J. Sekeris, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 13 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.