Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8554

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
17-02-2014
Zaaknummer
200.106.593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 2, p. 90
AR-Updates.nl 2014-0183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.106.593

(zaaknummer rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Utrecht 741277)

arrest van de derde kamer van 12 november 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende [woonplaats appellant],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. C.H. Strijkert,

tegen:


de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Raad voor Rechtsbijstand,

zetelend te Utrecht,

geïntimeerde,

hierna: de raad,

advocaat: mr. M. van der Schoor.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

18 mei 2011, 19 oktober 2011 en 1 februari 2012 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Utrecht) [appellant] als eiser en de raad als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[appellant] heeft bij exploot van 27 april 2012 de raad aangezegd van die vonnissen van 19 oktober 2011 en 1 februari 2012 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van de raad voor dit hof.

2.2

Bij memorie van grieven tevens inhoudende een akte eiswijziging heeft [appellant]
vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht zal verklaren dat de raad gehouden is om de wachtgeldregeling ten opzichte
van [appellant] na te leven, zoals dit ook bevestigd is in de brief d.d. 14 augustus 2006
van de Raad voor Rechtsbijstand Den Haag;

II. de raad zal veroordelen om veertien dagen na het in dezen te wijzen arrest, althans
binnen een in goede justitie te bepalen termijn, aan [appellant] te betalen het reeds
verschuldigde bedrag voortvloeiende uit de wachtgeldregeling, een en ander te
vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de datum van dagvaarding in eerste aanleg,

althans vanaf de datum van de onderhavige dagvaarding in hoger beroep, althans vanaf

een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, onder

gelijktijdige verstrekking aan [appellant] van een specificatie ter zake;
III. de raad zal veroordelen om aan [appellant] te betalen, dit op de gebruikelijke tijdstippen
en de gebruikelijke wijze, onder gelijktijdige verstrekking aan [appellant] van de

bijbehorende specificaties, het mogelijk nog resterende bedrag voortvloeiende uit de
wachtgeldregeling;
IV. de raad zal veroordelen in de kosten van beide instanties, een en ander te voldoen
binnen veertien dagen na betekening van het arrest, en – voor het geval voldoening van
de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de
wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

2.3

Bij memorie van antwoord heeft de raad verweer gevoerd. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest de bestreden vonnissen, zo nodig onder verbetering van gronden, zal bekrachtigen en [appellant] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, dan wel hem de vorderingen als ongegrond en/of onbewezen zal ontzeggen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant] in de kosten van de procedure in beide instanties aan de zijde van de raad gevallen.

2.4

Ter zitting van 28 juni 2013 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. C.H. Strijkert, advocaat te Nunspeet, en de raad door mr. M. van der Schoor, advocaat te Eindhoven. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

2.5

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.



3.De vaststaande feiten

3.1

In hoger beroep staan, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, dan wel op grond van de – in zoverre niet bestreden – inhoud van de overgelegde producties, de volgende feiten vast.

3.2

[appellant] is met ingang van 1 januari 2000 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gedurende 36 uur per week als [functie appellant] bij de Stichting [naam stichting] (hierna: de stichting) in dienst getreden.

3.3

Ingevolge artikel 5 van voornoemde arbeidsovereenkomst is de CAO Rechtsbijstand (hierna: de cao) op de arbeidsovereenkomst van toepassing en maakt de cao daarvan integraal deel uit. In de cao is, voor zover hier van belang, bepaald:
(…) Artikel 6
Indienstneming en ontslag

(…)


4.Wachtgeld
Aan de werknemer, waarmee het dienstverband door de werkgever wordt beëindigd, vanwege vermindering of beëindiging van de werkzaamheden, dan wel vanwege reorganisatie of fusie van de organisatie van de werkgever, ten gevolge van maatregelen c.q. het nalaten daarvan door het Ministerie van Justitie wordt een wachtgeld toegekend volgens de bepalingen in de uitvoeringsregeling Wachtgeld (bijlage II). (…).”

3.4

Bij overeenkomst van 26 augustus 2005 (hierna: de faciliteringsovereenkomst) zijn (de rechtsvoorganger van) de raad en de stichting, voor zover hier van belang, overeengekomen:
(…)
OVERWEGINGEN
(…)
(B) De stelselherziening gesubsidieerde rechtsbijstand voorziet in een nieuw stelsel van de gesubsidieerde rechtsbijstand in Nederland. In dit nieuwe stelsel worden de private en publieke functies van de huidige Stichtingen Rechtsbijstand en de door die Stichtingen gedreven Bureaus Rechtshulp gescheiden. De publieke functies, de spreekuur- en verwijzingstaken, zullen worden ondergebracht in de landelijke stichting Juridisch Loket. De zogenaamde private functies die door de huidige Stichtingen en Bureaus Rechtshulp worden verricht, het verlenen van rechtsbijstand en inhoudelijk juridisch advies, zullen worden afgestoten en worden overgelaten aan de (sociale)advocatuur en juridische adviespraktijk.
(…)
(F) Teneinde de continuïteit in het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand te garanderen en de opgebouwde expertise in gesubsidieerde rechtsbijstandsverlening te behouden, wil de Raad de Stichting ondersteunen in haar doelstelling om als advocatenkantoor (mede) gesubsidieerde rechtsbijstand te blijven verlenen.

(G) Om deze reden en binnen het kader van haar publieke taak op grond van de WRB heeft de Raad besloten de continuering van de Stichting als advocatenkantoor financieel te ondersteunen om op die manier voldoende aanbod aan gesubsidieerde rechtsbijstand vanuit de advocatuur te verzekeren. (…)

4 Wachtgeldgarantie personeel

4.1.

De Stichting verbindt zich om alle Werknemers, met uitzondering van degenen die de overstap naar het Juridisch Loket maken, de mogelijkheid te bieden bij de Stichting werkzaam te blijven.

4.2

Gedurende een periode van twee jaar zal de Raad aan de Stichting aanspraken van werknemers (…) op wachtgeld (…) vergoeden, mits daarbij aan de voorwaarden in het volgende lid is voldaan.


4.3 De Stichting kan aanspraak maken op de wachtgeldgarantie op grond van art. 4.2 indien aantoonbaar aan de navolgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: (…)


3.5 In hoofdstuk IV van het Sociaal Plan 2004 (hierna: het sociaal plan), dat naar aanleiding van de in overweging B van voornoemde overeenkomst 26 augustus 2005 vermelde stelselherziening gesubsidieerde rechtsbijstand is opgesteld en onder andere door de stichting is ondertekend, zijn faciliteiten opgenomen voor werknemers van onder andere de stichting die na de herziening niet zijn geplaatst in een functie bij het Juridisch Loket en die niet zijn overgegaan naar de Groep Rechtshulp Nederland of naar vergelijkbare initiatieven.

3.6

Met ingang van 1 september 2005 zijn de uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen van de stichting ten gevolge van voornoemde stelselherziening gesubsidieerde rechtsbijstand van rechtswege overgegaan op
de Stichting [naam stichting 2] (hierna: [naam stichting 2]).

3.7

Op 2 augustus 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam directeur], directeur van de raad (hierna: [naam directeur]), enerzijds en [appellant] anderzijds. In de brief van
14 augustus 2006 van [naam directeur] aan het bestuur van [naam stichting 2], ter attentie van [appellant], is vermeld:
Geachte heer [appellant],


Hierbij bevestigen wij het gesprek van 2 augustus jl. inzake uw vertraagde boventalligheid in uw functie als [functie appellant] van de Stichting [naam stichting 2].

De volgende afspraken zijn gemaakt:


- De vertraagde boventalligheid van uw functie gaat in per 1 juni 2006; uw salaris zal door
[naam stichting 2] worden betaald tot uiterlijk 1 juni 2007;

- Vanaf 1 september 2006 tot uiterlijk 1 juni 2007 wordt uw salaris additioneel door

de Raad betaald aan [naam stichting 2], tenzij u eerder elders een andere functie aanvaardt of
de stichting mobiliteit geen verlenging toestaat;

- Indien u per 1 juni 2007 nog geen andere functie heeft gevonden vindt per die datum
ontslag plaats; de wachtgeldverplichtingen worden door de raad overgenomen;

- Uw salariskosten van de maanden juni, juli en augustus zullen worden verrekend met de
vordering van de raad inzake in 2005 aan de stichting rechtshulp Dordrecht te veel
betaalde subsidie; het restant van de vordering zal in 2007 met de stichting [naam stichting 2]

worden verrekend;

- Uw feitelijke werkzaamheden voor [naam stichting 2] zullen per 1 september a.s. worden
beëindigd; vanaf deze datum bent u beschikbaar voor outplacement;
- Het bestuur van [naam stichting 2] dient zo spoedig mogelijk de brieven te doen

uitgaan zoals die voor de situatie van vertraagde boventalligheid door [naam] zijn
opgesteld;
u dient deze brieven voor akkoord te ondertekenen. (…).


3.8 Bij brief van 31 augustus 2006 heeft [naam stichting 2] [appellant] bericht:
“(…) Wij hebben met u besproken dat onze Stichting gedurende de initiële doorstartfase nog gebruik zou willen maken van uw expertise. Wij hebben jegens u dan ook het voornemen uitgesproken om de door u vervulde functie van [functie appellant] te continueren gedurende de initiële doorstartfase. Naar verwachting zal die initiële doorstartfase 6 tot 12 maanden beslaan te rekenen vanaf de transitiedatum.
Wij hebben u dan ook aangeboden om het verval van uw functie nog enige tijd uit te stellen, zij het met de vooraankondiging dat uw functie alsnog op afzienbare termijn (dat wil in beginsel zeggen per datum waarop de initiële doorstartfase in de visie van onze Stichting is afgerond) zou vervallen met het gevolg dat u per de datum van verval van uw functie “niet geplaatst” en – indien u niet opteert van het rugzakje conform artikel 4.1. Sociaal Plan – “boventallig” zou worden. Gemakshalve noemen we dit scenario “vertraagde boventalligheid”. De beoogde datum van vertraagde boventalligheid is 1 juli 2006.
Het Sociaal Plan voorziet niet in toepasselijkheid op werknemers die “vertraagd boventallig” worden en u valt derhalve in beginsel niet binnen de categorie van werknemers op wie hoofdstuk IV van het Sociaal Plan van toepassing is.

Wij hebben ons daarom jegens u bereid getoond overeen te komen dat met ingang van de datum waartegen u door ons boventallig zult worden verklaard, de bepalingen van hoofdstuk IV van het Sociaal Plan integraal en exclusief op u van toepassing zullen zijn indien u, wegens het verval van uw functie, per een datum gelegen binnen een tijdvak van 12 maanden gelegen na de transitiedatum door ons boventallig zult worden verklaard. (…).

3.9

Op 27 december 2006 is [naam stichting 2] failliet verklaard. De curator heeft met ingang van 13 februari 2007 de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd.

3.10

Bij vonnis in kort geding van 10 december 2007, gewezen tussen partijen, heeft de voorzieningenrechter te `s-Gravenhage, voor zover hier van belang, de vordering van [appellant] de raad te veroordelen tot betaling aan hem van verschuldigde bedragen uit hoofde van de wachtgeldregeling afgewezen.



4.De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat de raad gehouden is om de wachtgeldregeling ten opzichte van hem na te leven en de raad zal veroordelen het verschuldigde bedrag voortvloeiende uit de wachtgeldregeling, te vermeerderen met wettelijke rente, aan hem te betalen, alsmede de raad zal veroordelen in de proceskosten.


4.2 Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de raad. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de vordering van [appellant] niet worden gegrond op de cao, het sociaal plan of enig andere regeling, omdat [appellant] nimmer werknemer is geweest van de raad en de raad geen partij is bij het sociaal plan. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat hij persoonlijk richting de raad aanspraak kon maken op naleving van de wachtgeldregeling en niet heeft gesteld of onderbouwd op basis van welk concreet beding in de zin van artikel 7:653 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die aanspraak zou ontstaan.

4.3

De grieven leggen het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

4.4

Nu het hof hiervoor onder 3 zelfstandig de feiten heeft vastgesteld, heeft [appellant] geen belang bij de behandeling van de eerste grief dat in de faciliteringsovereenkomst en in het sociaal plan niet in het fenomeen “vertraagde boventalligheid” voor de directeuren was voorzien. Grief 1 faalt derhalve.

Wachtgeldaanspraak op basis van de cao, het sociaal plan of enige andere regeling


4.5 Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [appellant] niet kan worden gegrond op de cao, het sociaal plan of enige andere regeling.


4.6 De grief faalt, reeds omdat [appellant] in de toelichting op de grief erkent dat zijn aanspraak op de wachtgeldregeling niet rechtstreeks kan worden ontleend aan de cao, het sociaal plan of enige andere regeling. Of [appellant] op basis van de in rechtsoverweging
3.7 vermelde afspraken een vordering tot vergoeding van wachtgeld op de raad heeft en, zo ja, of voor de uitwerking van deze vordering moet worden teruggegrepen op het sociaal plan en de cao, zoals [appellant] in de toelichting op grief 2 stelt, zal hierna bij de beoordeling van de overige grieven worden behandeld.

Wachtgeldaanspraak op basis van afspraken in augustus 2006

4.7

Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of partijen zijn overeengekomen dat de wachtgeldverplichting door de raad jegens [appellant] persoonlijk is overgenomen.

4.8

Het hof stelt bij de beoordeling van de grief voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [naam stichting 2] op 2 augustus 2006 met [appellant] afspraken heeft gemaakt over diens “vertraagde boventalligheid”. Voorts staat niet ter discussie dat [naam stichting 2] tijdens dat gesprek een wachtgeldverplichting jegens [appellant] is aangegaan voor het geval [appellant] binnen 12 maanden na de transitiedatum van 1 juli 2006 door haar boventallig zou worden verklaard. Het geschil van partijen heeft betrekking op de vraag of [appellant] deze wachtgeldverplichting thans ook rechtstreeks jegens de raad kan inroepen.

4.9

[appellant] stelt dat dit mogelijk is, omdat uit de bewoordingen van voormelde brief van 14 augustus 2006 volgt dat de raad zich jegens hem heeft verbonden de wachtgeldverplichting van de stichting over te nemen, dan wel dat hij daarop gerechtvaardigd heeft vertrouwd, althans daarop gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen. De landelijke kaders, de omstandigheden waarin [naam stichting 2] verkeerde en de met andere directeuren van Stichtingen Rechtsbijstand gemaakte afspraken bevestigen het bestaan van die overeenkomst, aldus [appellant].

4.10

De raad betwist de stellingen van [appellant]. Zij stelt dat de afspraken die in de brief van 14 augustus 2006 zijn bevestigd niet de relatie tussen de raad en [appellant], maar de relatie tussen de raad en [naam stichting 2] betreffen. De brief roept voor de raad slechts een verbintenis in het leven wachtgeld aan [naam stichting 2] te vergoeden, aldus de raad.

4.11

Het hof stelt bij de beoordeling van de grief voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet alleen kan worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. Voorts worden de rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar niet alleen bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, doch ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst.

4.12

Naar het oordeel van het hof biedt de formulering van de brief van 14 augustus 2006 steun aan de hiervoor in rechtsoverweging 4.9 vermelde de uitleg die [appellant] voorstaat. Anders dan de raad heeft gesteld, blijkt uit de formulering van de brief dat deze is gericht aan [appellant] in persoon en niet aan het bestuur van [naam stichting 2]. De brief is weliswaar geadresseerd aan het bestuur, maar daaraan is toegevoegd “T.a.v. de heer [appellant]”. Bovendien vangt de brief aan met “Geachte heer [appellant]”. Vervolgens wordt veelvuldig “u” en “uw” in de brief gebezigd, waarmee kennelijk [appellant] is bedoeld. De onderwerpen die in de brief aan de orde komen, zoals de salarisbetaling, de uittredingsdatum en het outplacementtraject, betreffen [appellant] in persoon en niet [appellant] in zijn hoedanigheid van [functie appellant] van [naam stichting 2]. Daarbij komt dat in de brief van
14 augustus 2006 expliciet is bepaald dat het salaris door de raad aan [naam stichting 2] wordt voldaan. Indien dit ten aanzien van het wachtgeld ook de bedoeling was geweest, zoals de raad heeft gesteld, dan had het voor de hand gelegen dat ook als zodanig vast te leggen. Dit is echter niet gebeurd. Bij deze stand van zaken moet het ervoor gehouden worden dat de in de brief vermelde zinsnede “de wachtgeldverplichtingen worden door de raad overgenomen” erop wijst dat [naam directeur] als ondergetekende van de brief zich namens de raad rechtstreeks ten opzichte van [appellant] heeft verbonden de wachtgeldverplichting van de stichting over te nemen.

4.13

Ook de omstandigheden, waaronder de in de brief van 14 augustus 2006 neergelegde afspraken tot stand zijn gekomen, vormen naar het oordeel van het hof een aanwijzing voor de juistheid van de door [appellant] bepleite uitleg.

4.14

Tussen partijen is niet in geschil dat de onder B van de faciliteringsovereenkomst beschreven stelselherziening (zie hiervoor in rechtsoverweging 3.4) de aanleiding voor het maken van de afspraken heeft gevormd. De stelselherziening leidde – kort weergegeven – tot een splitsing van de stichtingen Rechtsbijstand. De publieke functies van de stichting werden ondergebracht in de stichting Het Juridisch Loket. De private functies gingen deel uitmaken van de sociale advocatuur, waartoe onder andere [naam stichting 2] werd opgericht. Uit sub
F van de faciliteringsovereenkomst volgt dat de raad belang had bij een zo goed mogelijk verloop van de stelselherziening. Zij wenste het aanbod van gesubsidieerde rechtsbijstand te garanderen en de opgebouwde expertise op dat gebied te behouden. Niet weersproken is dat de raad de stichtingen daartoe (financiële) ondersteuning bood.

4.15

Voor (het merendeel van) de directeuren van de stichtingen Rechtshulp, waaronder ook [appellant], was na de realisatie van de reorganisatie geen arbeidsplaats meer beschikbaar. De directeuren zouden “boventallig” worden verklaard. Gedurende het reorganisatieproces was de kennis en de expertise van deze directeuren echter nodig om het proces in goede banen te leiden, zowel bij de vormgeving als de realisatie daarvan. Omdat de directeuren anders niet bereid zouden zijn deze taak op zich te nemen, werd hen de garantie geboden dat zij ook in het geval van deze zogenaamde “vertraagde boventalligheid” op de
voor de reguliere boventalligheid getroffen voorziening aanspraak konden maken. Deze garantie werd vastgelegd in de individuele afspraken die tussen de stichtingen en de directeuren werden gemaakt. Onweersproken is dat de in rechtsoverweging 4.8 vermelde afspraken tussen [naam stichting 2] en [appellant] in dit kader moeten worden geplaatst.

4.16

De raad heeft erkend dat zij medio 2006 op de hoogte was van de moeilijke financiële positie waarin [naam stichting 2] zich bevond. Voorts heeft [appellant] bij gelegenheid van de pleidooien, door de raad onweersproken, verklaard dat ten tijde van het schrijven van de brieven van 14 augustus 2006 de liquiditeitsproblemen bij [naam stichting 2] zodanig waren dat zijn loon niet kon worden betaald. In eerste aanleg heeft [naam 2], voormalig voorzitter van de besturen van de stichting en voorzitter van de raad van toezicht van [naam stichting 2] (hierna: [naam 2]), verklaard dat de financiële positie zodanig was dat [naam stichting 2] niet in staat was het salaris, de kosten van het outplacement en de wachtgeldregeling op te brengen. De juistheid van deze verklaring heeft de raad niet weersproken.

4.17

Gelet op voormelde bij de raad aanwezige kennis acht het hof het tegen voornoemde achtergrond – meer in het bijzonder het belang dat de raad bij een goed verloop van de stelselherziening en aldus bij de vertraagde boventalligheid van de directeuren had, alsmede de ondersteuning die de raad gelet op dit belang bereid was te bieden – het eens te meer aannemelijk dat het aanbod van de raad om de wachtgeldverplichting over te nemen overeenkomstig de uitleg van [appellant] moet worden gelezen. Indien de uitleg van [appellant] wordt gevolgd, moet het aanbod ook in geval van een faillissement van [naam stichting 2] worden nagekomen. Dit betekent dat [appellant] zijn aanspraak op wachtgeld behoudt, waardoor ten volle tegemoet wordt gekomen aan de in rechtsoverweging 4.15 vermelde strekking van de in rechtsoverweging 4.8 gemaakte afspraken tussen [naam stichting 2] en [appellant]. Indien daarentegen de uitleg van de raad wordt gevolgd, biedt het aanbod buiten een faillissement van [naam stichting 2] de gewenste garantie, maar binnen een faillissement niet. In laatstgenoemd geval resteert voor [appellant] slechts een concurrente vordering op de boedel, waarvan een reële kans bestaat dat deze niet geldend kan worden gemaakt. Dat de raad haar aanbod om de wachtgeldverplichting over te nemen en daarmee de ondersteuning die zij aan [naam stichting 2] wenste te bieden op die manier heeft willen inperken, kan zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet worden aangenomen.

4.18

De conclusie van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.7 tot en met 4.17 is overwogen, is dat [appellant] jegens de raad aanspraak kan maken op nakoming van de in de brief van 14 augustus 2006 neergelegde wachtgeldverplichting.

Onbevoegde vertegenwoordiging

4.19

Het standpunt van de raad dat niet [naam directeur], maar alleen het bestuur van de raad in zijn geheel bevoegd was de raad te binden, acht het hof innerlijk tegenstrijdig. Immers, de raad erkent dat de brief van 14 augustus 2006 een verplichting in het leven riep om het wachtgeld aan [naam stichting 2] te vergoeden (antwoordakte van 7 december 2011 sub 4; memorie van antwoord sub 10). Dat [naam directeur] daartoe bevoegd was, heeft de raad niet betwist, terwijl gesteld noch gebleken is dat de toezegging later is bekrachtigd door de raad. De raad gaat daarmee zelf, in de situatie dat sprake zou zijn van een toezegging aan [naam stichting 2], uit van de bevoegdheid van [naam directeur]. Het verweer van de raad dat [naam directeur] desondanks met betrekking tot de toezegging aan [appellant] onbevoegd zou zijn, is zonder toelichting – die ontbreekt – daarmee onbegrijpelijk en wordt door het hof verworpen.

4.20

Overigens is het hof van oordeel dat de raad in de gegeven omstandigheden naar verkeersopvattingen de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden toegerekend (zie onder andere Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671 en Hoge Raad 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4909). Het hof wijst hierbij op de volgende omstandigheden. De overeenkomst van 14 augustus 2006 is ondertekend door [naam directeur], die als [functie appellant] een vooraanstaande positie binnen de raad bekleedde. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat [naam directeur] in de tijd dat hij bij [naam stichting 2] werkzaam was namens de raad subsidieaanvragen heeft ondertekend, contracten heeft afgekocht een ict-systeem van € 100.000,- heeft aangeschaft. Voorts heeft de raad erkend (memorie van antwoord sub 9) dat [naam directeur], als vertegenwoordiger van de raad, de bespreking op
2 augustus 2006 heeft gevoerd en dat de daarbij gemaakte afspraken zijn bevestigd in de brief van 16 augustus 2006.
4.21 Nu uit het voorgaande volgt dat grief 3 faalt, behoeven de met grief 4 voorgelegde vraag naar de bewijswaardering, alsmede de met grief 5 voorgelegde subsidiaire vraag of de brief van 14 augustus 2006 is aan te merken als een derdenbeding, geen beantwoording. De in rechtsoverweging 2.2 onder I. vermelde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

4.22

De raad heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.


Omvang van de wachtgeldverplichting


4.23 Ter zitting bij dit hof is gebleken dat de standpunten van partijen ter zake van de omvang van de wachtgeldverplichting sterk uiteenlopen.

4.24

[appellant] stelt dat [naam stichting 2] in de (in rechtsoverweging 3.8 vermelde) brief van 31 augustus 2006 aan hem heeft bevestigd dat hoofdstuk IV van het sociaal plan op hem van toepassing is. De bepalingen 4.3 en 4.8 van dat hoofdstuk verwijzen voor de omvang van de wachtgeldregeling naar de cao. Voorafgaand aan de zitting in eerste aanleg heeft een expertisebureau op zijn verzoek een op de bepalingen van de cao gegronde indicatieve berekening opgesteld, waaruit naar voren is gekomen dat hij over de periode van 4 jaar en
9 maanden recht heeft op € 131.000,- aan wachtgeld, aldus [appellant].

4.25

De raad betwist de stellingen van [appellant]. Zij stelt dat [appellant] geen rechten kan ontlenen aan het sociaal plan en/of de cao. Op grond van de faciliteringsovereenkomst kan maximaal gedurende 2 jaar aanspraak worden gemaakt op wachtgeld, aldus de raad.

4.26

Het hof overweegt dat het partijdebat over de omvang van de wachtgeldverplichting nog niet ten volle is gevoerd, aangezien partijen voor het eerst ter zitting in hoger beroep een standpunt daaromtrent hebben ingenomen. Het hof ziet hierin aanleiding een comparitie van partijen te gelasten. De comparitie zal ertoe strekken (nadere) inlichtingen ter zake van de omvang van de omvang van de wachtgeldverplichting van partijen te ontvangen. Partijen dienen ieder een berekening van de wachtgeldverplichting, alsmede de overige stukken die daartoe dienstig kunnen zijn, uiterlijk twee weken tevoren aan het hof en de wederpartij te zenden. Daarnaast kan de comparitie worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling.

4.27

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.



5.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen, [appellant] in persoon en de raad vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking, samen met hun advocaten, zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemd lid van het hof mr. M.F.J.N. van Osch, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als hiervoor in rechtsoverweging 4.26 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden december 2013 tot en met februari 2014 zullen opgeven op de roldatum
26 november 2013, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;


bepaalt dat partijen de stukken als bedoeld in rechtsoverweging 4.26 in het geding dienen te brengen en dat partijen ervoor dienen te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van die stukken hebben ontvangen;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.F.J.N. van Osch, A.A. van Rossum en B.J. Lenselink, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 november 2013.