Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8519

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
200.131.558-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouders hebben met hun dochter een overeenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over (o.a.) de betaling van rente over een door haar geleend bedrag en het verschaffen van kost en verzorging door de dochter aan de ouders. De ouders stellen dat zij deze overeenkomst (buitengerechtelijk) hebben ontbonden en vorderen nakoming van de ongedaanmakingsverbintenissen door de dochter, welke er volgens de ouders uit bestaan dat de dochter de door haar van de ouders gekochte woning dient terug te leveren en de woning dient te ontruimen. De overeenkomst die de ouders stellen te hebben ontbonden ligt echter niet ten grondslag aan de verkoop van de woning. De ontbinding van die overeenkomst kan dan ook niet leiden tot een op de dochter rustende verplichting tot (terug)levering van de woning aan de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2014/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.131.558/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/128092/ KG ZA 13-203)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 12 november 2013

in de zaak van

1 [appellant],

hierna: de vader,

2. [appellante],

hierna: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat: mr. J.F. Veenstra, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: de dochter,

advocaat: mr. H. de Jong, kantoorhoudend te Burgum.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het in kort geding gewezen vonnis van 10 juli 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 augustus 2013 (met grieven en productie),

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. In het procesdossier van de dochter ontbreekt productie 1 bij de appeldagvaarding. Het hof heeft voor dat stuk geput uit het procesdossier van de ouders.

2.3

De vordering van de ouders luidt:

"I. Primair
Te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van een daartoe in wettige vorm opgemaakte akte waarbij [geïntimeerde] de (in alinea 6 van de dagvaarding in eerste aanleg nader omschreven) woning aan [appellanten] levert;



Subsidiair
[geïntimeerde] te veroordelen om binnen een maand na betekening van dit arrest de (in alinea 6 van de dagvaarding in eerste aanleg nader omschreven) woning (terug) te leveren aan [appellanten], onder gehoudenheid tot betaling van alle kosten verband houdende met de levering;

II. [geïntimeerde] te veroordelen om de (in alinea 6 van de dagvaarding in eerste aanleg nader omschreven) woning binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een bij dit vonnis in goede justitie te bepalen termijn, met alle zich daarin bevindende personen en zaken - voor zover die niet het eigendom van appellanten zijn - te ontruimen en te verlaten en vervolgens ontruimd en verlaten te houden en onder overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eisers te stellen;

III. Te bepalen dat [geïntimeerde] voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder I (subsidiair) en II gevorderde, aan [appellanten] een dwangsom verbeurt van € 5.000,00, tot een maximum van € 300.000,00;

IV. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in - tegen behoorlijke specificatie hiervan - in de kosten van een eventuele gerechtelijke ontruiming."

2.4

In incidenteel appel heeft de dochter gevorderd:

"Dat het Gerechtshof wordt verzocht het vonnis van de Voorzieningenrechter (…) te vernietigen voor zover het het oordeel van de voorzieningenrechter met betrekking tot het spoedeisend belang betreft en voor het overige te bevestigen, zo nodig onder verbetering van gronden, en voor zover van belang de voorwaardelijk reconventionele vordering sub 2 en 3 toe te wijzen."

3 De feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten luiden als volgt.

3.2

Partijen hebben op 16 november 2007 een koopovereenkomst gesloten waarbij de woning met ondergrond, tuin perceeltje weiland en verdere aan- en toebehoren aan [adres] door de ouders is verkocht aan de dochter (verder: de woning).

3.3

In voormelde koopovereenkomst is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:


"Koopprijs, verrekening diverse bedragen
Artikel 3

I. De koopprijs bedraagt twee honderd vijf en dertig duizend euro (…).
Koper en verkoper komen met betrekking tot deze koopprijs overeen dat deze wordt voldaan doordat de verkoper hierbij om baat afstand doet van zijn vorderingsrecht van de koopprijs, waartegenover de koper hierbij voormelde afstanddoening aanneemt en aan de verkoper ten titel van geldlening schuldig erkent een gelijk bedrag als de hiervoor gemelde koopprijs, welke schuldigerkenning door de verkoper wordt aangenomen (…).
De geldlening wordt aangegaan onder de bepalingen zoals deze zullen worden opgenomen in een akte van geldlening, welke heden door mij, notaris, zal worden verleden."

3.4

Bij notariële akte, verleden op 13 december 2007, is de woning door de ouders aan de dochter geleverd. In de leveringsakte is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:


"Artikel 8
Vestiging rechten van (mede-) gebruik en bewoning

De comparant sub 1.a. (het hof: de ouders) en sub 2 (het hof: de dochter) verklaren voorts dat de rechten van (mede-) gebruik en bewoning van het verkochte ten behoeve van beperkt gerechtigden wordt gevestigd. Ter uitvoering hiervan levert de comparante sub 2 dan ook aan de beperkt gerechtigden de beperkte rechten van (mede-) gebruik en bewoning van het verkochte, welk recht beperkt gerechtigden hierbij aannemen.
Bepalingen beperkt recht
(…)
1. De rechten eindigen:
indien de langstlevende van de beperkt gerechtigden overlijdt of beide beperkt gerechtigden de woning metterwoon hebben verlaten ingeval van blijvende opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis of soortgelijke instelling, en terugkeer naar de woning niet meer mogelijk of zeer onwaarschijnlijk is."

3.5

Bij notariële akte, verleden op 13 december 2007, hebben partijen een overeenkomst van schuldbekentenis/kostcontract gesloten. In die akte is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:


"Premisse, geldlening
Artikel 1

(…)
Voorts zijn comparanten in onderling overleg overeengekomen dat met voormeld bedrag van de lening van twee honderd vijf en dertig duizend euro (€ 235.000,00) wordt gecompenseerd een vordering van de schuldenaar (het hof: de dochter) op de schuldeiser (het hof: de ouders) ten bedrage van twee en tachtig duizend euro (€ 82.000,00), welke vordering is ontstaan doordat de comparante sub 2 (het hof: de dochter) dat bedrag aan haar ouders beschikbaar heeft gesteld voor verbouwing van genoemd registergoed.
(…)


Bepalingen geldlening
Artikel 2

1. Vanaf heden is over de hoofdsom respectievelijk het restant daarvan een rente verschuldigd berekend naar vijf procent (5%) per jaar, danwel een ander percentage indien de comparanten dit in onderling overleg overeenkomen, te voldoen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling, voor het eerst op een februari twee duizend acht (01-02-2008), over het sedert heden verstreken tijdvak.
(…)



Kostcontract
Artikel 3

De comparante sub 2 (het hof: de dochter) verplicht zich vanaf heden de comparanten sub 1 (het hof: de ouders) levenslang kost en verzorging te verschaffen, hetgeen inhoudt: het verschaffen van verwarming, bewassing, algehele verzorging, verpleging in geval van ziekte of ongeval, en al datgene, wat de comparanten sub 1 blijken te behoeven, alles overeenkomstig stand en gewone leefwijze. Het omvat uitdrukkelijk niet: boven- en onderkleding, schoeisel, geneeskundige hulp, medicamenten en zo nodig opname in een ziekenhuis.

(…)
3. Voor de verkrijging van de kost en verzorging zijn de comparanten sub 1 aan de comparante sub 2 verschuldigd een bedrag van twee honderd euro (€ 200,00) per maand, te voldoen in maandelijkse termijnen bij achterafbetaling, voor het eerst op een februari twee duizend acht (01-02-2008), over het sedert heden verstreken tijdvak."

3.6

Bij notariële akte van 13 december 2007 is tussen partijen een schuldbekentenis/

kostcontract (hierna: de overeenkomst) gesloten.

3.7

Bij notariële akte, verleden op 13 december 2007, is tot zekerheid voor terugbetaling van het schuldig gebleven gedeelte van de koopsom door de dochter een recht van hypotheek gevestigd op de woning ten behoeve van de ouders.

3.8

In april 2013 hebben de ouders de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

3.9

De dochter heeft (in elk geval) sinds 2010 geen rente aan de ouders betaald.

3.10

De dochter heeft (in elk geval) na januari 2013 niet langer de in de overeenkomst bedoelde zorg aan de ouders verleend.

4 De vorderingen en de beslissing daarop in eerste aanleg

4.1

De ouders hebben in eerste aanleg gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van een daartoe in wettige vorm opgemaakte akte waarbij de dochter de woning aan de ouders levert;

subsidiair

2. de dochter veroordeelt om binnen een maand na betekening van dit vonnis de woning (terug) te leveren aan de ouders, onder gehoudenheid tot betaling van alle kosten die verband houden met die levering;
3. de dochter veroordeelt om de woning binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, met alle zich daarin bevindende personen en zaken - voor zover die niet in eigendom van de ouders zijn - te ontruimen en te verlaten en vervolgens ontruimd te laten en houden onder overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan de ouders te stellen;
4. bepaalt dat de dochter voor elke dag dat zij in strijd handelt met het subsidiair onder 2 en 3 gevorderde, aan de ouders een dwangsom verbeurt van € 5.000,- tot een maximum van € 300.000,-;
5. de dochter veroordeelt in de kosten van deze procedure, alsmede in - tegen behoorlijke specificatie hiervan - de kosten van een eventueel gerechtelijke ontruiming.

4.2

Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft de dochter een (deels voorwaardelijke) reconventionele vordering ingesteld. Zij heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de ouders gelast binnen vier weken na betekening van dit vonnis de woning met al het hunne te verlaten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de ouders daarmee nalatig zijn, met een maximum van € 250.000,-;
2. voor zover een van de vorderingen in conventie wordt toegewezen, de ouders veroordeelt aan de dochter te voldoen de vordering zoals omschreven in de koop/leveringsakte van € 82.000,-, alsmede de verplichtingen uit de oorspronkelijke koopovereenkomst, althans vervangende schadevergoeding, binnen twee weken na betekening van dit vonnis, alsmede alle kosten in rekening gebracht bij de dochter zoals blijkt uit de nota's van afrekening van de notaris;
3. de ouders veroordeelt in de kosten van deze procedure in conventie en in reconventie.

4.3

Partijen hebben over en weer verweer gevoerd.

4.4

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis de diverse vorderingen afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De ouders hebben in principaal appel vijf grieven opgeworpen. De dochter heeft in incidenteel appel één grief opgeworpen. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Het hof ziet daarin aanleiding de grieven gezamenlijk te bespreken.

5.2

Het hof stelt vast dat de ouders aan hun vordering tot (terug)levering en ontruiming van de woning door de dochter het volgende ten grondslag hebben gelegd.
Ingevolge de artikelen 2 en 3 van de overeenkomst is de dochter verplicht aan de ouders een rente van 5% per jaar te betalen en hen levenslang kost en verzorging te verschaffen. Niet in geschil is dat de dochter vanaf 2010 heeft nagelaten de rente aan de ouders te betalen. De ouders hebben voorts gesteld dat de dochter tekort is geschoten in haar zorgverplichting. De ouders zijn daarop in april 2013 overgegaan tot buitengerechtelijke ontbinding van voornoemde overeenkomst. Als gevolg van deze ontbinding zijn er volgens de ouders ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan, waarvan zij thans nakoming door de dochter vorderen. De ouders stellen dat zij de woning op grond van de overeenkomst aan de dochter hebben overgedragen, zodat deze prestatie na de ontbinding ongedaan gemaakt dient te worden. De ouders zijn dan ook van mening dat de dochter als gevolg van de ontbinding van de overeenkomst gehouden is tot (terug)levering en ontruiming van de woning.

5.3

Het hof onderschrijft dit standpunt van de ouders niet en overweegt daartoe het volgende, waarbij er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat de overeenkomst is ontbonden, hoewel de dochter dat heeft bestreden. Op grond van artikel 6:271 BW heeft ontbinding van de overeenkomst tot gevolg dat partijen worden bevrijd van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.

5.4

De ouders vorderen in de onderhavige procedure nakoming door de dochter van deze ongedaanmakingsverbintenissen. In de overeenkomst hebben partijen (slechts) afspraken gemaakt over de tegenvordering van de dochter op de ouders, de betaling van rente door de dochter over het aan haar geleende bedrag en over het verschaffen van kost en verzorging aan de ouders. Indien al zou worden aangenomen dat de ouders deze overeenkomst (buitengerechtelijk) konden ontbinden, heeft zulks blijkens het voorgaande dus enkel gevolgen voor de uit deze overeenkomst voortvloeiende verbintenissen. Anders dan de ouders lijken te veronderstellen omvat de overeenkomst niet de overdracht van de woning door de ouders aan de dochter. De woning is immers bij overeenkomst van 16 november 2007 door de ouders aan de dochter verkocht en bij notariële akte van levering van 13 december 2007 aan haar geleverd. De overeenkomst van schuldbekentenis/kostcontract ligt niet ten grondslag aan de verkoop van de woning. De ontbinding van de overeenkomst van schuldbekentenis/kostcontract kan - anders dan de ouders stellen - dan ook niet leiden tot een op de dochter rustende verplichting tot (terug)levering van de woning aan de ouders. Zonder nadere toelichting, die de ouders niet hebben gegeven, valt voorts niet in te zien dat de overeenkomst van schuldbekentenis/kostcontract en de koopovereenkomst dusdanig nauw met elkaar samenhangen dat ontbinding van de eerstgenoemde overeenkomst dient te leiden tot (terug)levering van de woning.

5.5

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat hetgeen door de ouders is gesteld geen grondslag kan bieden voor toewijzing van hun vorderingen.
Het verweer van de dochter, inhoudende dat zij niet tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst van schuldbekentenis/kostcontract, behoeft - wat daar verder ook van zij - in het licht van het vorenstaande geen nadere bespreking.
Ook de grief van de dochter in incidenteel appel, waarmee zij betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte een spoedeisend belang heeft aangenomen, behoeft, nu de vorderingen van de ouders zullen worden afgewezen, geen nadere bespreking.

De slotsom

5.6

Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. In de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing


Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. L. Groefsema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uit gesproken op dinsdag 12 november 2013.