Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8464

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
CR 200.129.398-01 CR 200.135.287-01 7-11-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzetting van het gezag. Verwijtbaar gedrag van de ouders. Misbruik van het gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 7 november 2013

Zaaknummers 200.129.398 en 200.135.287

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak met zaaknummer 200.129.398 van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord Nederland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

appellant,

hierna te noemen: de raad,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

voorheen advocaat: mr. C. Niens, kantoorhoudende te Joure,

thans advocaat: mr. H.B. Boogaart, kantoorhoudende te Groningen.

Belanghebbenden:

1 de stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

hierna te noemen: BJZ,

2 [pleegouders],

en in de zaak met zaaknummer 200.135.287 van

de stichting Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

appellante,

hierna te noemen: BJZ,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

voorheen advocaat: mr. C. Niens, kantoorhoudende te Joure,

thans advocaat: mr. H.B. Boogaart, kantoorhoudende te Groningen.

Belanghebbenden:

1 de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord Nederland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

hierna te noemen: de raad,

2 [pleegouders]

Het geding in eerste aanleg

In beide zaken

Bij beschikking van 27 maart 2013 (zaaknummer: C/17/123212/FA RK 12-1750) heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, de verzoeken van de raad afgewezen om de ouders te ontzetten van het gezag over hun kinderen [minderjarige 1], geboren [in 2001], [minderjarige 2], geboren [in 2002], [minderjarige 3], geboren [in 2008] en [minderjarige 4], geboren [in 2012], en om BJZ tot voogdes over deze kinderen te benoemen.

Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.129.398

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 27 juni 2013, heeft de raad verzocht de beschikking van 27 maart 2013 te vernietigen en opnieuw beslissende

a. a) primair: te bepalen dat de ouders worden ontzet van het gezag over hun kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4];

subsidiair: te bepalen dat de ouders worden ontheven van het gezag over genoemde kinderen

b) en te bepalen dat BJZ wordt belast met de voogdij.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 20 augustus 2013, hebben de ouders het verzoek van de raad bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, althans zodanig te beslissen als het hof zal vermenen te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 10 juli 2013, heeft BJZ verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw beslissende:

primair: de ouders te ontzetten van het gezag;

subsidiair: de ouders te ontheffen van het gezag van de kinderen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:

- een brief, met bijlagen, van 1 juli 2013 van de raad;

- een brief, met bijlagen, van 17 juli 2013 van de raad;

- een journaalbericht, met bijlage, van 18 juli 2013 van mr. Niens;

- een brief, met bijlagen, van 19 juli 2013 van mr. Niens;

- een faxbericht van 24 juli 2013 van mr. Niens;

- een journaalbericht, met bijlage, van 24 juli 2013 van mr. Boogaart;

- een brief, met bijlage, van 20 augustus 2013 van mr. Boogaart;

- een brief, tevens verzonden per fax, van 10 oktober 2013 van mr. Boogaart.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de minderjarige [minderjarige 1] zijn mening niet kenbaar gemaakt.

In de zaak met zaaknummer 200.135.287

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 10 juli 2013, heeft BJZ verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw beslissende:

primair: de ouders te ontzetten van het gezag over de kinderen [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4];

subsidiair: de ouders te ontheffen van het gezag van genoemde kinderen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 22 augustus 2013, hebben de ouders het verzoek van BJZ bestreden en verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen, althans zodanig te beslissen als het hof zal vermenen te behoren.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder:

- een brief, met bijlagen, van 1 juli 2013 van de raad;

- een brief, met bijlagen, van 17 juli 2013 van de raad;

- een journaalbericht, met bijlage, van 18 juli 2013 van mr. Niens;

- een brief, met bijlagen, van 19 juli 2013 van mr. Niens;

- een faxbericht van 24 juli 2013 van mr. Niens;

- een journaalbericht, met bijlage, van 24 juli 2013 van mr. Boogaart;

- een brief, met bijlage, van 20 augustus 2013 van mr. Boogaart;

- een brief, tevens verzonden per fax, van 10 oktober 2013 van mr. Boogaart.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de minderjarige [minderjarige 1] zijn mening niet kenbaar gemaakt.

In beide zaken

Ter zitting van 11 oktober 2013 zijn de beide zaken gelijktijdig en gezamenlijk behandeld. Namens de raad is verschenen de heer H. van der Hoef. Namens BJZ zijn verschenen de heer F.M. de Jong, mevrouw D. Stuivenga en mevrouw K. Bouazza. De ouders en [pleegouders] zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - niet verschenen. Mr. Boogaart is - met bericht - niet verschenen. Ter zitting hebben de raad en BJZ mede het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitnotities.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. De ouders zijn[in 2010 te Servië] gehuwd. Het huwelijk is niet bijgeschreven in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand. Voorafgaand aan het huwelijk met de moeder heeft de vader [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend. [minderjarige 4] is uit het huwelijk van de ouders geboren.

2. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking vastgesteld dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over de kinderen. Het hoger beroep van de ouders is niet gericht tegen deze beslissing.

3. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 26 maart 2008, [minderjarige 3] is bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 23 juni 2011 onder toezicht gesteld. Op 8 juni 2012 heeft de kinderrechter (wederom) een (spoed)machtiging uithuisplaatsing verleend voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Deze machtiging is laatstelijk bij beschikking van 30 december 2012 verlengd met de periode van één jaar.

4. [minderjarige 4] is bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 10 augustus 2012 onder toezicht gesteld. Op 23 augustus 2012 is hij, met machtiging van dit hof, uit huis geplaatst, welke uithuisplaatsing eveneens laatstelijk bij beschikking van 30 december 2012 door de kinderrechter is verlengd met de periode van één jaar.

5. De onder 3 en 4 genoemde maatregelen duren nog steeds voort. [minderjarige 1] verblijft op dit moment in een open voorziening van behandelcentrum Woodbrookers in Kortehemmen. [minderjarige 2] verblijft op dit moment in het behandelcentrum Tjallingahiem. [minderjarige 3] verblijft thans in een therapeutisch gezinshuis en [minderjarige 4] in een perspectiefbiedend pleeggezin.

6. Bij verzoekschrift d.d. 8 november 2012 heeft de raad de rechtbank verzocht om de ouders te ontzetten van het gezag over de kinderen.

7. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". De raad en BJZ hebben tegen die beschikking hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

Aanvulling verzoek in hoger beroep

8. De ouders hebben in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de raad en BJZ niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun subsidiaire verzoek tot ontheffing van de ouders van het ouderlijk gezag over de genoemde kinderen, omdat dit verzoek een nieuwe rechtsvraag betreft.

9. Het hof overweegt hierover als volgt. De raad was in eerste aanleg verzoeker. Op grond van het bepaalde in artikel 283 juncto artikel 130 in samenhang met artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de inleidend verzoeker zijn eis in hoger beroep wijzigen/vermeerderen. De raad zal dan ook in zijn gewijzigde verzoek worden ontvangen.

10. Aangezien BJZ in eerste aanleg belanghebbende was en geen verzoeker, is een eiswijziging door BJZ niet toegestaan en kan BJZ in het onderhavige geval haar verzoek niet aanvullen en/of wijzigen, zodat zij in het subsidiaire verzoek niet zal worden ontvangen.

Verzoek tot ontzetting van het gezag

11. Een ouder kan, indien dit in het belang van het kind noodzakelijk wordt geoordeeld, van het gezag over zijn kind worden ontzet op grond van misbruik van het gezag of grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van het kind, slecht levensgedrag of indien er sprake is van een onherroepelijke veroordeling ter zake van de in artikel 1:269 lid 1 onder sub c BW genoemde misdrijven. Tevens kan een ouder van het gezag worden ontzet indien deze de aanwijzingen van de stichting, bedoeld in artikel 1 onder f van de Wet op de jeugdzorg, in ernstige mate veronachtzaamt, een uithuisplaatsing belemmert en indien er gegronde vrees bestaat voor verwaarlozing van de belangen van het kind doordat de ouder het kind terugeist of terugneemt van anderen die diens verzorging en opvoeding op zich hebben genomen.

12. Het hof is van oordeel dat er sprake is van grove verwaarlozing door de ouders van de verzorging en opvoeding van de kinderen en van het in ernstige mate veronachtzamen van de aanwijzingen van BJZ door de ouders. Naar het oordeel van het hof is dit gedrag aan de ouders te verwijten. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

13. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat aan de ontwikkeling van de kinderen door het handelen van de ouders forse schade is toegebracht en deze nog steeds ernstig gevaar loopt. De kinderen hebben een ontwikkelingsachterstand en gedragsproblemen die (deels) het gevolg zijn van pedagogische, affectieve en cognitieve verwaarlozing door hun ouders. Ook op financieel gebied nemen de ouders - zo heeft BJZ ter zitting verklaard - geen enkele verantwoordelijkheid voor de kinderen. Zo heeft BJZ, bij gebrek aan enige verantwoordelijkheid van de ouders dienaangaande, kleding ingezameld voor de kinderen. Het compromisloze handelen van ouders waarbij welbewust in strijd met de belangen van de kinderen om uit te groeien naar evenwichtige volwassenen die zich kunnen redden in het maatschappelijk verkeer, wordt gehandeld, is daarbij opvallend.

De ouders hebben jarenlang de kinderen welbewust onttrokken aan zowel vrijwillige als gedwongen hulpverlening. Hierdoor frustreren zij de voor de kinderen noodzakelijke hulp. Gedurende de periode dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld en/of uit huis zijn geplaatst, hebben de ouders nimmer meegewerkt met de hulpverlening. Integendeel, zo heeft [minderjarige 1] medicatie nodig, maar de ouders praten op [minderjarige 1] in dat hij de medicatie niet moet innemen. De moeder is zelfs zó ver gegaan volgens de raad, dat zij [minderjarige 1] gezegd heeft dat hij in plaats van medicatie te nemen maar de isoleer in moest gaan. Het hof acht het stuitend en verwijtbaar dat de ouders [minderjarige 1] op deze wijze betrekken in hun strijd tegen de hulpverlening. Ze laten daarbij zien geen enkel oog voor het belang van [minderjarige 1] te hebben.

14. Daarnaast hebben de ouders misbruik gemaakt van hun gezag door in mei 2010 en juli 2011 zonder toestemming van BJZ met de kinderen voor langere tijd naar Servië te gaan. Beide keren hebben zij zo gehandeld kort na een andersluidende uitspraak van de rechtbank of het hof ten aanzien van de kinderen. De laatste keer, in juli 2011, verbleef [minderjarige 1] op grond van een machtiging uithuisplaatsing in een psychiatrische behandelinrichting. De ouders hebben [minderjarige 1] toen onder valse voorwendselen opgehaald uit de inrichting en hebben hem vervolgens door te vertrekken naar Servië onttrokken aan de hulpverlening.

Daarnaast hebben de ouders [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] welbewust stelselmatig en langdurig scholing onthouden, waardoor er bij hen sprake is van een aanzienlijke leerachterstand. De geloofsovertuiging van de ouders rechtvaardigt een dergelijke verwaarlozing geenszins. Naar het oordeel van het hof is er gelet op al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, sprake van grove verwaarlozing van de kinderen.

15. Het hof betrekt voorts bij zijn oordeel dat de ouders [minderjarige 4] na zijn uithuisplaatsing gedurende zijn eerste levensjaar niet meer hebben gezien. De ouders hebben nooit gebruik gemaakt van de bij schriftelijke aanwijzing van 28 september 2012 vastgelegde omgangsregeling met hem. Nog los van het feit dat het handelen in strijd met deze aanwijzing de ouders te verwijten valt, hebben de ouders het belang van [minderjarige 4] om het contact met zijn ouders te behouden, ernstig geschaad.

De ouders hebben ook verschillende andere aanwijzingen van BJZ d.d. 30 januari 2009, 4 februari 2010, 28 juni 2012 en 23 juli 2012 in ernstige mate veronachtzaamd. Zo hebben de ouders geen medewerking verleend aan de voorwaarden die nodig waren om [minderjarige 1] op Renn4 onderwijs aan te melden.

16. Naar het oordeel van het hof hebben de ouders verwijtbaar gehandeld. Op grond van de overgelegde stukken zijn er weliswaar aanwijzingen dat er bij de ouders een bepaalde stoornis aanwezig zou kunnen zijn, maar de ouders hebben geen medische stukken overgelegd die hier meer duidelijkheid over kunnen verschaffen. De raad heeft voorts getracht meer informatie over de geestelijke gesteldheid van de ouders te krijgen, maar de ouders zijn niet bereid geweest zich te laten onderzoeken en/of mee te werken aan informatieverschaffing hieromtrent. Dit dient voor rekening en risico van de ouders te komen. Daarbij komt dat het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging tot het doen opnemen en het doen verblijven van de ouders in een psychiatrisch ziekenhuis voor beide ouders is afgewezen.

Het hof is dan ook van oordeel dat uit de stukken en de houding van de ouders voldoende blijkt van verwijtbaar gedrag ten opzichte van hun kinderen.

17. Het hof is, gelet op het hierboven omschreven verwijtbare gedrag van de ouders en in aanmerking genomen de nadelige gevolgen die de kinderen hiervan nog steeds ondervinden, van oordeel dat er nu en in de toekomst geen plaats meer is voor de uitoefening van het gezag over de kinderen door de ouders. Het hof acht het dan ook in het belang van de kinderen noodzakelijk dat de ouders van het gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4] worden ontzet.

18. Nu de primaire verzoeken van de raad en BJZ worden toegewezen, behoeft het subsidiaire verzoek van de raad inhoudelijk geen bespreking meer.

Slotsom

19. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

in de zaak met zaaknummer 200.135.287

verklaart BJZ niet-ontvankelijk in het subsidiaire verzoek;

in beide zaken

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

ontzet [geïntimeerde 1], geboren [in 1960], en [geïntimeerde 2], geboren [in 1977], van het gezag over de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in 2001], [minderjarige 2], geboren [in 2002], [minderjarige 2], geboren [in 2008] en [minderjarige 4], geboren [in 2012];

benoemt BJZ tot voogd over [minderjarige 1], [minderjarige 2], [minderjarige 3] en [minderjarige 4];

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, J.H. Kuiper en D.J. Buijs, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 november 2013 in bijzijn van de griffier.