Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8448

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
20-11-2013
Zaaknummer
CR 200.117.449-01 CR 200.117.443-01 5-11-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Convenant. Afstand partneralimentatie en pensioenrechten. Hof houdt de vrouw aan de gemaakte afspraken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 155
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 33
Burgerlijk Wetboek Boek 3 35
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/34.1
JPF 2014/23 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
PFR-Updates.nl 2013-0217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 5 november 2013

Zaaknummers 200.117.449 en 200.117.443

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.J. Roosien,

kantoorhoudende te Elburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. I.H.M. Leyten,

kantoorhoudende te Dronten,

thans mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn.

kantoorhoudende te Dronten.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 27 augustus 2012, verbeterd bij beschikking van 10 september 2012, (zaaknummer 201001 / FL RK 12-1557) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover hier van belang, in deze beschikking opgenomen de inhoud van het convenant waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift aan de beschikking is gehecht.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 26 november 2012, heeft de vrouw verzocht de beschikking van 27 augustus 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat het echtscheidingsconvenant voor zover dat ziet op partneralimentatie (artikel 2) en de pensioenrechten (artikel 13) wordt vernietigd en te bepalen althans voor recht te verklaren dat de man een bijdrage betaalt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 1.000,- bruto per maand, ingaande de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en dat de ouderdomspensioenaanspraken van partijen worden verevend overeenkomstig artikel 3 van de Wet Verevening Pensioenrechten, althans een zodanige verevening vast te stellen als het hof juist acht, kosten rechtens.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 7 maart 2013, heeft de man het verzoek bestreden en verzocht het beroepschrift van de vrouw af te wijzen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder een brief van 26 april 2013 van mr. De Munnik-Hoogendoorn met bijlagen ingediend door middel van een V6-formulier en een V6-formulier ingediend door mr. De Munnik-Hoogendoorn op 7 mei 2013 met als bijlage het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Ter zitting van 16 mei 2013 is de zaak behandeld. Partijen zijn verschenen en werden bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben het woord mede gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

De beoordeling

1. Partijen zijn [in 1979] met elkaar in het huwelijk getreden. Uit het huwelijk is [in 1994] geboren [kind].

2. Bij beschikking van 27 augustus 2012, verbeterd bij beschikking van 10 september 2012, heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 3 mei 2013 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk is ontbonden.

3. Partijen hebben afspraken gemaakt over de vermogensrechtelijke gevolgen van hun echtscheiding en zij hebben deze vastgelegd in een echtscheidingsconvenant dat zij op 25 juli 2012 hebben ondertekend. Een gewaarmerkt exemplaar van het echtscheidingsconvenant is aan de echtscheidingsbeschikking gehecht en in het dictum van deze beschikking is vermeld dat de inhoud van dit convenant wordt opgenomen in de beschikking.

4. Partijen hebben, voor zover hier belang, op het punt van de partneralimentatie en de ouderdomspensioenrechten de volgende afspraken gemaakt:

2 Nihilbeding ex-partneralimentatie

Partijen kennen de wettelijke alimentatieprincipes (onderhoudsplicht, behoefte en draagkracht) en doen in dit kader bewust over en weer afstand van aanspraak op bijdragen door de ander in de kosten van het eigen levensonderhoud vanaf de echtscheidingsdatum en achten zichzelf voldoende in staat in het eigen levensonderhoud te zullen kunnen blijven voorzien. Er wordt door hen wederzijds geen behoefte ervaren en die wordt door hen ook niet gewenst en verwacht. Dit beding kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW, neerkomende op een feitelijk ingrijpende wijziging met rechterlijke toetsing op grond van redelijkheid en billijkheid.

13 Pensioenrechten en eventuele andere oudedagsvoorzieningen

(..)

Zij doen over en weer afstand van elke aanspraak op verdeling betreffende alle opgebouwde pensioenrechten. Toepassing van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding betreffend ouderdomspensioen wordt hierbij dus ook uitdrukkelijk uitgesloten, net als de regels betreffend verdeling van bijzonder partner/nabestaandenpensioen.

(..)

5. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld van de echtscheidingsbeschikking. Haar grieven richten zich niet tegen de echtscheiding, maar uitsluitend tegen een tweetal onderdelen van het aan die beschikking gehechte en daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant, te weten de afspraken die partijen hebben gemaakt over de partneralimentatie en de ouderdomspensioenrechten.

6. De vrouw vraagt de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud alsnog vast te stellen op € 1.000,- bruto per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en te bepalen dat de wettelijke verevening van de (ouderdoms)pensioenrechten van toepassing is. Zij stelt daartoe primair dat ter zake van de afspraken in het convenant ten aanzien van de partneralimentatie en de pensioenrechten geen sprake is geweest van wilsovereenstemming omdat zij de gevolgen van die overeenkomst niet heeft (kunnen) overzien, althans dat sprake is geweest van wilsgebreken (bedrog en/of misbruik van omstandigheden) en dat om die reden aan deze afspraken voorbij moet worden gegaan.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

7. Het hof heeft ter zitting ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of de vrouw kan worden ontvangen in het door haar ingestelde hoger beroep nu haar verzoeken, die voor het eerst in hoger beroep zijn gedaan, betreffende de vernietiging van een overeenkomst hun grondslag vinden in artikel 3:33, 3:34 en 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW), zijnde rechtsvorderingen die gebruikelijk met een dagvaarding moeten worden ingeleid.

8. In zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 BW, moet het volgen van een verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. Uit jurisprudentie blijkt dat voor de vernietiging van een (alimentatie)overeenkomst geen afzonderlijke, bij dagvaarding in te leiden, procedure is vereist. Verder worden aan het beroep in rechte op een vernietigingsgrond geen nadere eisen gesteld. Het beroep kan, met inachtneming van de regels van een goede procesorde, worden gedaan in elk stadium van de procedure, ook voor het eerst in hoger beroep.

9. De afspraken over de pensioenrechten vastgelegd in het convenant vinden in de kern genomen hun grondslag in artikel 1:155 BW. In het licht van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen omtrent het beroep op een vernietigingsgrond, kan de door de vrouw verzochte vernietiging van de gemaakte afspraken ten aanzien van de pensioenaanspraken en haar verzoek om een verklaring voor recht (artikel 3:302 BW) dat overeenkomstig artikel 1:155 BW recht op pensioenverevening bestaat, in de onderhavige procedure worden meegenomen als nevenvoorziening als bedoeld in artikel 827 lid 1 sub f Rv.

10. Het vorenstaande betekent dat de vrouw in haar beide verzoeken in hoger beroep kan worden ontvangen waarbij het hof aantekent dat ook beide partijen ter zitting te kennen hebben gegeven dat zij om proceseconomische redenen de voorkeur geven aan voortzetting van de behandeling in het kader van de onderhavige verzoekschriftenprocedure.

Het hoger beroep ten aanzien van de partneralimentatie

11. Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek om alsnog een partneralimentatie vast te stellen van € 1.000,- per maand met ingang van 3 mei 2013 ingetrokken omdat zij door middel van uitbreiding van haar werkzaamheden thans zelf voldoende in haar behoefte kan voorzien. Dat betekent, in de kern genomen, dat het hof op dit punt geen beslissing meer hoeft te nemen en dat de vraag naar de behoefte van de vrouw alsmede de vraag naar de draagkracht van de man geen nadere bespreking meer behoeft.

12. Gelet op de intrekking van het verzoek betreffende de partneralimentatie zal het hof het verzoek van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie in hoger beroep afwijzen.

Het hoger beroep ten aanzien van de pensioenaanspraken

13. Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat (ook) de vrouw het convenant van 25 juni 2013 dat is aangehecht aan en deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking heeft ondertekend en dat daarin ten aanzien van de pensioenrechten de afspraak is opgenomen zoals hiervoor in rechtsoverweging 4 verwoord.

14. Uit de verklaringen van de partijen over en weer omtrent de totstandkoming van het convenant is voorts gebleken dat partijen voor de afwikkeling van de echtscheiding en het vastleggen van de afspraken over de gevolgen daarvan, een gezamenlijke advocaat hebben ingeschakeld. Geen van partijen heeft in persoon met deze advocaat gesproken. De communicatie en de toezending van stukken over en weer geschiedde volledig door middel van mailberichten waarvoor de computer en het mailadres van de man werd gebruikt waartoe beiden toegang hadden. De vrouw heeft de advocaat betaald. De advocaat heeft aan partijen een standaardconvenant en ouderschapsplan ter beschikking gesteld waarin, voor zover hier aan de orde, ten aanzien van de pensioenaanspraken verschillende keuzemogelijkheden waren opgenomen waarbij telkens een korte toelichting werd gegeven.

15. Tussen partijen is in geschil of de vrouw, mede gezien haar geestestoestand, onder zodanige invloed heeft gestaan van de man c.q. verkeerde in een zodanige afhankelijkheidspositie van hem dat moet worden aangenomen dat zij niet in staat is geweest haar wil te vormen en de man daarvan heeft geweten dan wel dat de man misbruik heeft gemaakt van de hem bekende omstandigheden waarin zij verkeerde dan wel haar tot het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant heeft bewogen.

16. In dat verband heeft de vrouw gesteld dat de man leidend is geweest bij het maken van de afspraken, dat zij tijdens het huwelijk en ook bij de afwikkeling daarvan onder zijn invloed heeft gestaan en dat hij haar uitdrukkelijk niet heeft toegestaan de kwestie met derden te bespreken. Zij heeft dan ook alleen getekend, omdat zij niet durfde te weigeren. Ter onderbouwing van een en ander heeft zij gewezen op haar mentaal mindere weerbaarheid waarmee de man bekend is geweest omdat zij al jarenlang onder behandeling van een psycholoog stond.

17. De vernietigbaarheid en/of nietigheid van het convenant baseert de vrouw -naar het hof begrijpt- op de volgende gronden:
1. primair: er ontbreekt wilsovereenstemming omtrent de bepalingen zoals deze ten aanzien van de pensioenrechten in het convenant zijn vastgelegd (artikelen 3:33-3:35 in verbinding met artikel 6:217 BW;
2. subsidiair: het echtscheidingsconvenant is op het punt van de pensioenrechten tot stand gekomen onder invloed van een wilsgebrek te weten bedrog en/of misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 BW).

18. Uit artikel 3:33 BW volgt dat voor het bestaan van een overeenkomst in beginsel noodzakelijk is dat er een op een rechtsgevolg gerichte wil is, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Op de voet van het bepaalde in artikel 3:35 BW dient verder te worden nagegaan of (in het onderhavige geval) de man naar aanleiding van verklaringen of gedragingen van de vrouw onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze erop mocht vertrouwen dat het de bedoeling van de vrouw was in te stemmen met de inhoud van het convenant voor wat betreft de daarin opgenomen bepalingen aangaande de partneralimentatie en de pensioenrechten. Of anders gezegd: had de man moeten begrijpen dat de vrouw, ondanks het feit dat ze een handtekening onder het opgestelde convenant plaatste, niet instemde met de inhoud ervan?

19. Daarbij zal het hof in de beoordeling betrekken of de eventuele instemming van de vrouw met de afspraken (als uiting van haar wil) tot stand gekomen is onder invloed van misbruik van omstandigheden of bedrog. In dat geval kan haar instemming als rechtshandeling ingevolge het bepaalde in artikel 3:44 BW, en daarmee de overeenkomst, worden vernietigd.

20. Wat betreft de vernietiging van een rechtshandeling op grond van misbruik van omstandigheden vereist artikel 3:44 lid 4 BW a) dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid aan de zijde van de vrouw b) dat hetgeen de man daarover weet of moet begrijpen hem van het tot stand komen van de rechtshandeling door de vrouw had behoren te weerhouden en c) dat er een causaal verband is tussen de omstandigheden en het verrichten van de rechtshandeling.

20. Het hof overweegt in verband hiermee als volgt. De vrouw heeft geen medische verklaring in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij op het moment van het sluiten van het echtscheidingsconvenant als gevolg van haar psychische toestand mogelijk niet wist wat zij deed dan wel mentaal minder weerbaar c.q. sterk beïnvloedbaar was. De vrouw heeft daarover niets concreet aangegeven maar heeft volstaan met de -niet toereikende- mededeling dat zij in die periode labiel was.

22. Het hof heeft bij zijn oordeel verder laten meewegen dat uit het debat van partijen is gebleken dat zij over een langere periode hebben gesproken over de inhoud van het echtscheidingsconvenant alvorens het definitieve convenant het exemplaar van 25 juni 2011- is overeengekomen en ondertekend en dat in die periode tussen partijen ook eerdere concepten zijn besproken en door de vrouw zijn geparafeerd en ondertekend. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw in die betreffende periode niet haar werkzaamheden buitenshuis verrichte en/of niet heeft deelgenomen aan het sociaal leven waardoor het hof aannemelijk acht dat zij voldoende in staat en in de gelegenheid is geweest om eventuele twijfels over de inhoud van het convenant op enigerlei wijze en/of ten aanzien van enig punt voor te leggen.

23. In de eerdere concepten stonden nog de diverse (keuze) mogelijkheden ten aanzien van de partneralimentatie en de pensioenaanspraken opgenomen met een nadere toelichting, zoals deze in de standaard overeenkomst stonden. In het bijzonder ten aanzien van de pensioenaanspraken kan uit de verklaringen van de vrouw ter zitting worden afgeleid dat zij kennis heeft genomen van de in de eerdere concepten opgenomen algemene informatie over de opgebouwde pensioenaanspraken en de mogelijkheden om te kiezen voor verevening, conversie of afstand alsmede de aanbeveling om contact te zoeken met de verschillende pensioenfondsen en een pensioen adviseur te schakelen, maar dat zij daartoe niet is overgegaan omdat zij zich daartoe niet in staat achtte. Gezien haar verklaring dat zij tot 2010 heeft kennisgenomen van de inhoud van de pensioenbrieven die zij tot dat moment ontving (en die later uitsluitend door middel van digi-d toegankelijk waren) acht het hof voorts aannemelijk dat de vrouw op dat moment, hoewel zij mogelijk niet op de hoogte is geweest van de actuele aanspraken van de man medio 2011, voldoende inzicht heeft gehad in de omvang van het door de man opgebouwde partnerpensioen zodat haar ook redelijkerwijs voldoende bekend moet zijn geweest welke aanspraken zij prijs zou geven. Daar komt bij dat is gebleken dat de advocaat bij partijen, voorafgaand aan de ondertekening van partijen van het definitieve convenant, specifiek navraag heeft gedaan naar hun redenen om te kiezen voor het wederzijds afstand doen van iedere aanspraak op nabestaanden/partnerpensioen en dat partijen hem gezamenlijk, door middel van een door beiden op 21 juli 2012 ondertekende brief, hebben laten weten dat zij deze vraag, om hen moverende redenen, niet wensten te beantwoorden.

24. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw gezien haar geestestoestand en/of haar jarenlang bestaande afhankelijkheid jegens hem niet in staat is geweest haar wil op rechtens relevante wijze te vormen althans dat de man op het moment van ondertekening van het echtscheidingsconvenant op 25 juli 2012 dan wel tijdens de daaraan voorafgaande onderhandelingen heeft geweten althans redelijkerwijs heeft behoren te weten dat vrouw weliswaar haar handtekening heeft gezet (ook) onder het definitieve echtscheidingsconvenant maar de daarin opgenomen bepalingen ter zake van de partneralimentatie en de pensioenrechten niet haar instemming hadden. Evenmin acht het hof aannemelijk geworden dat de wil van de vrouw op gebrekkige wijze is gevormd omdat de man wist van haar geestestoestand en/of haar afhankelijkheid en daarvan misbruik heeft gemaakt teneinde haar te laten instemmen met het convenant in het algemeen en de bepaling met betrekking tot de (alimentatie en de) pensioenrechten in het algemeen. Het heeft er veeleer alle schijn van dat de vrouw er bewust voor heeft gekozen om zich niet nader te laten informeren over de concreet aan haar toekomende aanspraken waarvan zij afstand heeft gedaan. Dit heeft de vrouw vrijgestaan, maar het rechtvaardigt geen beroep op misbruik van omstandigheden of zelfs bedrog.

25. In het licht van de overeenstemming omtrent de financiële gevolgen van de echtscheiding, wil het hof niet onvermeld laten dat de man heeft verklaard dat bij het maken van de afspraken een rol heeft gespeeld dat zijn ontslag aanstaande was en dat hij waarschijnlijk voor langere duur aangewezen zou zijn op een ww-uitkering terwijl de vrouw met haar inkomen uit arbeid een met deze uitkering vergelijkbaar inkomen zou kunnen ontvangen. De vrouw heeft deze feiten op zichzelf niet weersproken. De man heeft hiermee een geloofwaardige en toereikende andere verklaring gegeven voor de afspraken die partijen in ieder geval ten aanzien van de partneralimentatie zijn overeengekomen. Daarmee is niet op voorhand hetzelfde gezegd ten aanzien van het afzien van pensioenverevening, zeker nu de vrouw het bestaan van deze afspraak heeft ontkend, maar in het licht van de omstandigheid dat ook de vrouw tijdens het huwelijk betaalde werkzaamheden buitenshuis heeft verricht, en in dat kader pensioenrechten heeft opgebouwd, en zij nog immer deze werkzaamheden verricht -thans in zodanige mate dat zij zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien- en daardoor verdere pensioenrechten opbouwt, acht het hof een dergelijke afspraak niet zonder meer uitzonderlijk en onredelijk benadelend voor de vrouw. Ook de overige afspraken in het convenant geven daarvoor onvoldoende grond.

26. In dat verband merkt het hof ook nog op dat tot de dossierstukken behoort de overeenkomst waarbij de vrouw afstand heeft gedaan van haar recht op het door de man te haren behoeve opgebouwde bijzonder partnerpensioen waarop zij aanspraak heeft kunnen doen gelden maar dat het hof niet beschikt over een vergelijkbare overeenkomst waarbij de man in overeenkomstige zin afstand heeft gedaan van zijn rechten. Ter zitting in hoger beroep heeft de man zich echter wederom bereid verklaard, overeenkomstig de in het convenant

opgenomen afspraak, afstand te doen van het recht op bijzonder partnerpensioen dat de vrouw in haar dienstbetrekking(en) heeft opgebouwd en dat ten gunste van hem strekt.

27. Voor zover de vrouw nog een beroep heeft gedaan op bedrog aan de zijde van de man stelt het hof voorop dat van bedrog slechts sprake is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep.

28. Uit de stellingen van de vrouw kan het hof niet afleiden met welke opzettelijk gedane onjuiste mededeling dan wel met welk opzettelijk verzwegen feit de man haar bewust onjuist heeft geïnformeerd om haar tot instemming van het inhoud van het convenant te bewegen. Evenmin heeft zij gesteld van welke andere kunstgreep de man zich zou hebben bediend. Het hof oordeelt dat, gelet op het vorenstaande, het beroep van de vrouw op het wilsgebrek bedrog niet slaagt.

29. Het hof zal daarom het verzoek van de vrouw in hoger beroep ten aanzien van de ouderdomspensioenrechten afwijzen.

Het bewijsaanbod

30. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stellingen dat haar verklaring neergelegd in het echtscheidingsconvenant ten tijde van de ondertekening daarvan niet heeft overeengestemd met haar wil althans dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden dan wel bedrog aan de zijde van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden komt het hof niet toe aan het bewijs van haar stellingen, zodat het hof het aanbod van de vrouw op dit punt zal passeren.

De slotsom

31. Het hof zal beslissen als na te melden.

32. Partijen zijn gewezen echtgenoten in welk geval het gebruikelijk is om de kosten van het geding te compenseren. Het hof heeft geen aanleiding gezien hiervan in onderhavige zaak af te wijken. Het hof zal ten aanzien van de proceskosten bepalen dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

De beslissing

Het gerechtshof:

wijst af de verzoeken van de vrouw in hoger beroep ten aanzien van de partneralimentatie en de ouderdomspensioenrechten;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. W. Breemhaar en mr. G.K. Schipmölder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 november 2013 in bijzijn van de griffier.