Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8442

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
12/00302 LEE
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:1536, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:220, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Vastgoedactiviteiten in privé door makelaar. Bron van inkomen ? Staking werkzaamheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2666
Belastingadvies 2014/2.4
FutD 2013-2871
NTFR 2015/761 met annotatie van dr. A. Rozendal
NTFR 2014/772 met annotatie van MR. E. ALINK
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 12/00302

uitspraakdatum: 5 november 2013

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te[Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 16 augustus 2012, nummer AWB 12/159, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P] (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 319.683 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.034. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 13.822.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 261.853, het belastbare inkomen uit sparen en beleggen gehandhaafd, en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd tot € 11.162.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 augustus 2012 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn echtgenote[X-Y] en [...], als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [...], alsmede[...] namens de Inspecteur.

1.7

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende exploiteert in de jaren 2003 tot en met 2008 in de vorm van een eenmanszaak een onderneming onder de naam[A] Makelaardij. Tevens was belanghebbende in die periode tot 5 mei 2004 en vanaf 28 september 2007 enig aandeelhouder van [B] Vastgoed B.V.

2.2

Sinds 1983 is belanghebbende eigenaar van een winkelpand gelegen aan de [a-straat 1] te[Z]. Vanaf 1996 verhuurt hij dit pand aan[C], inmiddels[D] genaamd. De huurinkomsten behoorden tot en met het jaar 2000 tot belanghebbendes inkomsten uit vermogen en vanaf 2001 behoort de waarde van het betreffende pand tot diens rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2011 (hierna: Wet IB 2001).

2.3

Vanaf juli 2003 ontwikkelt belanghebbende plannen om gezamenlijk met [B] Vastgoed B.V. op de locatie [a-straat 1] en het naastgelegen[b-straat 1], welk laatste pand in eigendom is bij [B] Vastgoed B.V., een appartementencomplex inclusief twee winkels te realiseren (hierna: het project). In eerste instantie zou dit project door[B] Vastgoed B.V. worden ontwikkeld en uitgevoerd.

2.4

In de periode 2003-2006 heeft belanghebbende op eigen naam, en mede namens[B] Vastgoed BV, de volgende activiteiten ten behoeve van het project verricht:


Vanaf juli 2003 vinden er diverse besprekingen plaats tussen belanghebbende en de gemeente[Q] omtrent de mogelijkheden tot de ontwikkeling van de locatie [a-straat 1] en [b-straat 1] (de locatie);

- Belanghebbende heeft een architect,[E] Design te[R], de opdracht gegeven een plan voor de ontwikkeling te maken;

- Op 5 december 2003 wordt een bouwvergunning aangevraagd, welke vergunning op 3 mei 2004 wordt verleend;

- In mei 2005 wordt een nieuwe bouwvergunning aangevraagd op basis van gewijzigde gegevens, welke op 30 november 2005 wordt verleend;

- Op 4 april 2006 wordt een sloopvergunning bij de gemeente aangevraagd, welke op 11 mei 2006 wordt verleend;

- Belanghebbende heeft overleg gevoerd met de Rabobank omtrent de financiering, op grond waarvan de Rabobank een financieringsvoorstel heeft gedaan.

2.5

In de loop van 2006 treedt belanghebbende om gezondheidsredenen en vanwege onzekerheid over de financiële risico's uit het project terug. Tot daadwerkelijke afspraken met de Rabobank komt het daarom niet.

2.6

Het project wordt overgedragen aan[F] Projectontwikkeling B.V. (hierna:[F]), een niet-gelieerde vennootschap. De levering aan [F] vindt plaats op 15 november 2006 door middel van een akte van ruil en overdracht. Belanghebbende en[B] Vastgoed B.V. dragen de helft van de aan hen in eigendom behorende onroerende zaken met betrekking tot het project over aan[F]. Daarnaast draagt belanghebbende 1/100e aandeel in[a-straat 1] over aan[B] Vastgoed B.V. en draagt [B]Vastgoed B.V. 1/100e aandeel in[b-straat 1] over aan belanghebbende.

2.7

De notariële akte van levering krachtens ruil en overdracht van 15 november 2006 vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…)

RUIL/KOOP, REGISTERGOEDEREN.

De comparanten sub 1 [Hof: belanghebbende] en 2 [[B] vastgoed BV] hebben een overeenkomst van ruil, terwijl de comparanten [Hof: de meervoudsvorm is een kennelijke verschrijving] sub 1. met de comparanten sub 3 [[F] Projectontwikkeling BV, ook genoemd[F]] en 4 [Hof: kennelijke verschrijving, er is geen vierde comparant] respectievelijk de comparant sub 2 met de comparanten sub 3 en 4 een koopovereenkomst hebben gesloten onder de bepalingen en bedingen als hierna in deze akte zijn vermeld met betrekking tot de navolgende registergoederen:

a. toebehorend aan de comparant sub 1 genoemd:

een perceel grond met de daarop staande opstallen,

plaatselijk bekend als [a-straat 1],

(…)

(…)

LEVERING

(…)

B. Op grond van gemelde koopovereenkomst levert de comparant sub 1 bij deze aan[F], die zulks aanvaardt, het vijftig/honderdste (50/100) aandeel in het hiervoor onder a. omschreven registergoed,

(…)

TOEGIFT/KOOPSOM, VERREKENING DIVERSE BEDRAGEN.

(…)

De waarde van het verkochte B. bedraagt VIER HONDERD VIER EN TWINTIG DUIZEND ZEVEN HONDERD EURO (€ 424.700,00), zijnde de waarde van de bouwsom van de voor rekening en risico van[F] ten behoeve van [X] te bouwen penthouse met berging en garage, alsmede de winkel met magazijn in de kelder en op de begane grond en inpandige garage op de begane grond, aan partijen genoegzaam bekend.

(…)

Gedurende de periode dat de hierboven vermelde bebouwing nog niet aan[X] (…) feitelijk is opgeleverd wordt gemelde waarde van de bouwsom ad VIER HONDERD VIER EN TWINTIG DUIZEND ZEVEN HONDERD EURO (€ 424.700,00) (…) omgezet in een vordering van[X] (…) op [F], terwijl partijen de voorwaarden nader zullen bepalen en welke vorderingen terstond opeisbaar zijn.

(…)”

2.8

In november 2006 heeft [F] de sloopwerkzaamheden uitgevoerd waarna Bouwbedrijf[F] B.V. is gestart met de bouw van het complex. Bouwbedrijf[F] B.V. is gelieerd aan [F].

2.9

Na realisatie van het totale appartementencomplex in 2008 krijgt[B] Vastgoed B.V. de eigendom van winkelappartement [b-straat 1] en belanghebbende de eigendom van winkelappartement [a-straat 1] en van een woonappartement (penthouse). [F] behoudt de eigendom van de overige (negen) woonappartementen.

2.10

Belanghebbende en[F] zijn overeen gekomen dat belanghebbende zorg draagt voor de verkoop van de overige (negen) appartementen in eigendom van[F].

2.11

Op 1 april 2008 wordt het nieuwe winkelpand [a-straat 1] en het penthouse aan belanghebbende opgeleverd. Vanaf dat moment (1 april 2008) vindt verhuur van het winkelpand plaats aan [C]/[D] en verhuur van het penthouse aan de zoon van belanghebbende.

2.12

Op 7 oktober 2008 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de jaren 2007 tot en met juni 2008 van[A] Makelaardij zijn onderzocht. Gedurende dit onderzoek zijn in verband met de bouw van het appartementencomplex ook de gevolgen voor de inkomstenbelasting voor de jaren 2003 tot en met 2008 beoordeeld. Het rapport vermeldt daarover onder meer:

“(…)

3.1

Algemeen

(…)

Het gehele project wordt op 15 november 2006 middels een akte van ruil en overdracht door belastingplichtige en[B] Vastgoed BV geleverd aan [F] Projectontwikkeling BV. In deze akte van ruil en overdracht wordt afgesproken dat [F] Projectontwikkeling BV de helft in eigendom krijgt van de onroerende zaak van belastingplichtige en de helft in de onroerende zaak van [B] Vastgoed BV.

Ook wordt tegelijkertijd afgesproken dat na realisatie van het totale appartementencomplex[B] Vastgoed BV het eigendom krijgt van het winkelappartement op[b-straat 1] en belastingplichtige het eigendom krijgt van het winkelappartement op [a-straat 1] en een woonappartement (penthouse). [F] Projectontwikkeling BV behoudt het eigendom in de overige 9 woonappartementen. “

(…)”

2.13

In het kader van het hiervoor onder 2.12 bedoelde boekenonderzoek heeft de Inspecteur een taxatie laten uitvoeren. In dit op 19 oktober 2009 opgemaakte taxatierapport staat onder "Toelichting" vermeld:


"(…)
De waarde van het penthouse, vrij te aanvaarden bedraagt € 295.000,=. De huurprijs per maand dient te worden vastgesteld op € 850,= p/mnd. Hierbij werd uitgegaan van een "kale oplevering" (zonder keuken en sanitaire voorzieningen)"

2.14

Naar aanleiding van het boekenonderzoek (zie 2.12) heeft de Inspecteur het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning 2008 verhoogd tot € 319.683 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verlaagd tot € 11.034. In het controlerapport staat hierover het volgende opgenomen.

"3.3 Taxatie

Zoals onder punt 3.2 in dit rapport beschreven zijn wij van mening dat vanaf het jaar 2003 het winkelpand [a-straat 1] te [Z] niet meer onder box 3 valt maar moet behoren tot box 1. Na oplevering van de nieuwe winkelpand en het nieuwe appartement op 1 april 2008 is er alleen nog sprake van vermogensbeheer en behoren de panden tot box 3. Om tot reële waarden op 1 januari 2003 en op 1 april 2008 te komen hebben wij op ons verzoek twee taxateurs van de afdeling Waardeonderzoek te Zwolle inzake het project[a-straat 1] een taxatie laten uitvoeren.



Volgens het uitgebracht taxatierapport zijn de waarden als volgt:

- De waarde van [a-straat 1], in verhuurde staat per 1 januari 2003 bedraagt: € 235.000. Hierbij is aangegeven dat rekening houdende met eventuele ontwikkelingsmogelijkheden, waarbij dient te worden uitgegaan van de bouwvoorschriften (hoogte, bouwvolume e.d.), de waarde van de gehele lokatie ([a-straat 1] en [b-straat 1]) gesteld kan worden op € 450.000. De waarde van [b-straat 1] is hierdoor gesteld op € 215.000.

- De waarde van het nieuwe winkelpand[a-straat 1], in verhuurde staat per 1 april 2008, bedraagt € 290.000.

- De waarde van het appartement bedraagt vrij te aanvaarden € 295.000


(…)

Gevolgen
Op basis van bovenstaande zijn de gevolgen voor de inkomstenbelasting als volgt:

Waarde (oud) winkelpand op 1 januari 2003

235.000

Waarde (nieuw) winkelpand op 1 april 2008

290.000

Waarde appartement op 1 april 2008

295.000

585.000

meerwaarde

350.000

2.15

[G] Makelaars te [S] heeft de door de Inspecteur uitgevoerde taxatie voor belanghebbende beoordeeld en heeft bij brief van 29 september 2011 laten weten dat de waarde van het winkelpand per 1 april 2008 niet op € 290.000 maar op € 256.414 dient te worden vastgesteld.

2.16

Na bezwaar is het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd naar € 261.853.

Het belastbaar inkomen uit werk en woning is als volgt opgebouwd:

Aangegeven belastbaar inkomen box 1

908

Bij: meer winst ontwikkeling nieuwbouw

350.000

Af: meer MKB-vrijstelling

35.909

314.091

Bij: meer zelfstandigenaftrek

4.684

318.775

Belastbaar inkomen volgens primitieve aanslag

319.683

Af: bij bezwaar lager vastgestelde winst

64.746

Bij: minder MKB-vrijstelling

6.916

57.830

Vastgesteld belastbaar inkomen box 1 na bezwaar

261.853

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is als volgt opgebouwd:

Aangegeven belastbaar inkomen box 3

16.934

Af: € 295.000 x ½ x 4%

5.900

11.034

2.17

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 augustus 2012 ongegrond verklaard.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur bij de vaststelling van het belastbare inkomen van belanghebbende over 2008 terzake van het project [a-straat 1] terecht een bedrag van (€ 350.000 -/- € 64.746 =) € 285.254 als belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend. Hij stelt daartoe primair dat zijn activiteiten met betrekking tot het project geen bron van inkomen vormen, en subsidiair dat indien en voor zover kan worden geoordeeld dat de activiteiten wel een bron van inkomen vormen, deze activiteiten in 2006 zijn gestaakt omdat nadien nog slechts sprake is van normaal vermogensbeheer, zodat een eventueel belaste bate in 2006 in aanmerking genomen had moeten worden. Meer subsidiair stelt belanghebbende dat de uit hoofde van het project te belasten bate € 133.079 bedraagt.

3.2

De Inspecteur beantwoordt die vraag bevestigend. Aan de bronvereisten is volgens de Inspecteur voldaan. Primair stelt de Inspecteur dat sprake is van een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, en subsidiair van winst uit onderneming. In het geval rechtens komt vast te staan dat sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden, berust de Inspecteur in het ten onrechte toepassen van de ondernemersfaciliteiten. Omdat in 2006 geen sprake was van definitief staken, deed zich in dat jaar geen realisatiemoment voor en dient het voordeel in 2008 te worden belast, aldus de Inspecteur.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en primair en subsidiair tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 908 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.934. Meer subsidiair concludeert belanghebbende tot vermindering van de aanslag tot een berekend met inachtneming van een belastbare bate uit het project van € 133.079.

3.5

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Bron van inkomen

4.1

Zoals de Rechtbank terecht heeft vooropgesteld, worden volgens vaste jurisprudentie (vergelijk Hoge Raad 3 maart 1954, nr. 11.683, ECLI:NL:HR:1954:AY2826, BNB 1954/125 en Hoge Raad 1 februari 2002, nr. 36.238, ECLI:NL:HR:2002:AD8763, BNB 2002/128) de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

4.2

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat hij, nadat hij via [B] Vastgoed BV ook [b-straat 1] had aangekocht, een plan is gaan uitwerken om op de locatie[a-straat 1]-[b-straat 1], nieuwbouw te realiseren, en dat volgens de in 2005 afgegeven bouwvergunning er op het plan twee bedrijfsruimten en tien wooneenheden mochten worden gerealiseerd. Belanghebbende heeft daarbij zelf voor de aanvraag van de betreffende sloop- en bouwvergunning gezorgd. Tevens heeft belanghebbende verklaard dat het bij de ontwikkeling van het plan zijn bedoeling was om de wooneenheden te zijner tijd te verkopen, en de bedrijfsruimten te verhuren aan derden. De Inspecteur heeft in dit verband nog gesteld dat belanghebbende uit hoofde van zijn beroep over specifieke deskundigheid beschikte, omdat belanghebbende – die weliswaar geen bouwer of projectontwikkelaar was – als makelaar wel thuis was op het gebied van vraag en aanbod van onroerende zaken in het betreffende gebied.

4.3

Op grond van de onder 2.4 vermelde door belanghebbende ten behoeve van het project[a-straat 1]-[b-straat 1] verrichte activiteiten, de onder 4.2 vermelde verklaringen van belanghebbende ter zitting en de door het Hof – op grond van zijn beroep als makelaar in onroerend goed – aannemelijk geachte, bij belanghebbende aanwezige marktwaardekennis van – onder meer – appartementen op de lokale onroerend goedmarkt, merkt het Hof de door belanghebbende in het kader van dat project ontwikkelde activiteiten aan als een bron van inkomen. Belanghebbende heeft met zijn in het economische verkeer verrichte werkzaamheden getracht een voordeel te realiseren, waarbij – gezien de initiële bereidheid bij de Rabobank om het geheel te financieren, en belanghebbendes kennis van de lokale onroerend goedmarkt – ook redelijkerwijs mocht worden verwacht dat het voordeel kon worden behaald. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de hiervoor bedoelde werkzaamheden – het actief ontwikkelen van het eigen en het belendende pand, tot twee nieuwe winkelruimten met tien voor de verkoop bestemde appartementen – naar hun aard en omvang onmiskenbaar waren gericht op het behalen van voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement van de daarbij betrokken onroerende zaken te boven gaan.

4.4

Ten aanzien van de kwalificatie van de bron heeft de Rechtbank als volgt overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat de totstandkoming van het nieuwe winkelpand en de realisatie van de woonappartementen als een eenmalig project dient te worden gezien. Het is, gelet op hetgeen zowel eiser [Hof: belanghebbende] als verweerder [Hof: de Inspecteur] hieromtrent naar voren hebben gebracht, niet aannemelijk dat eiser dergelijke activiteiten nogmaals zal (laten) uitvoeren c.q. zijn dagelijkse werkzaamheden ervan zal maken. Dit mede gelet op het feit dat het winkelpand en het penthouse na de oplevering wederom door eiser verhuurd worden. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene, geen sprake van een onderneming. Nu de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat geen sprake is van normaal, actief vermogensbeheer, dient het voordeel te worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.”

Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist en maakt het tot het zijne.

Staking

4.5

Op grond van de artikelen 3.90, 3.94 en 3.95 van de Wet IB 2001, wordt het resultaat uit een werkzaamheid bepaald volgens het winstregime.

4.6

Belanghebbende stelt subsidiair dat sprake is van een staking van de werkzaamheden in 2006, zodat een eventueel door belanghebbende in het kader van het project behaald resultaat in 2006 dient te worden belast en niet in 2008 zoals de Inspecteur stelt. De door[F] aan belanghebbende te leveren winkelruimte en penthouse waren van meet af aan bestemd om te worden verhuurd aan derden. De winkelruimte is na oplevering weer verhuurd aan de vorige huurder ([C]/[D]) en het penthouse aan de zoon van belanghebbende. De toezegging van belanghebbende aan [F] om te zijner tijd, als makelaar, de verkoop van de negen appartementen om niet te begeleiden heeft hij uit commerciële overwegingen als makelaar gedaan, namelijk ter verkrijging van opdrachten tot verkoop van de panden van de kopers van de appartementen. Dit heeft vier betalende opdrachten opgeleverd aldus belanghebbende.

4.7

De Inspecteur stelt daartegenover dat belanghebbende ook na 2006 actief bij het project betrokken is gebleven, en zijn werkzaamheid eerst in 2008 heeft beëindigd. De actieve betrokkenheid van belanghebbende bij het project blijkt – aldus de Inspecteur – uit de omstandigheid dat belanghebbende zich in de akte van 15 november 2006 een belang van 50% in [a-straat 1] heeft voorbehouden en belanghebbende tevens met [F] is overeengekomen dat hij de woonappartementen te zijner tijd – als makelaar – om niet voor [F] zou verkopen, hetgeen ook daadwerkelijk is geschied.

4.8

Het Hof hecht geloof aan de verklaring van belanghebbende ter zitting van het Hof dat het hele project hem boven het hoofd groeide, dat hij definitief van het plan af wilde, en dat hij het gehele project inclusief bouwplan in 2006 heeft verkocht aan[F], zonder dat hij daarna nog bij het project betrokken is geweest. Deze verklaring vindt naar het oordeel van het Hof bevestiging in de onder 2.7 opgenomen passages uit de notariële akte van levering van 15 november 2006. Blijkens die akte vond de verkoop en levering van [a-straat 1] plaats tegen een recht op levering van “voor rekening en risico van [F]” te bouwen penthouse en winkel met magazijn, welk recht is omgezet in een – direct opeisbare – vordering van belanghebbende op[F] groot € 424.700, te verrekenen met de toekomstige levering van het penthouse en winkelruimte. Anders dan de Inspecteur stelt, doet daar niet aan af dat belanghebbende slechts 50% in het onroerend goed [a-straat 1] aan[F] heeft verkocht, en derhalve een belang van 50% daarin behield, nu immers uit het bouwplan en de verkregen sloopvergunning volgde dat de betreffende opstal zou worden gesloopt om plaats te maken voor de nieuwbouw, en blijkens de tegelijkertijd gemaakte afspraken (zie 2.12) na realisatie van het project aan[F] het eigendom van de overige negen woonappartementen toekwam. Het aangehouden 50%-belang strekte belanghebbende derhalve, zoals door hem ter zitting van het Hof betoogd, in wezen alleen tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen door[F]. Dat belanghebbende door het aanhouden van het 50%-belang financieel betrokken bleef bij de ontwikkeling (van dit deel) van het project acht het Hof dan ook niet aannemelijk gemaakt. Integendeel, de bepaling dat de bouw van het penthouse en de winkelruimte “voor rekening en risico van [F]” diende plaats te vinden wijst, naar het oordeel van het Hof, eerder in de richting van het ontbreken van financiële betrokkenheid van belanghebbende bij de verdere ontwikkeling van het project. Dat belanghebbende na 15 november 2006 op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de overige appartementen is door de Inspecteur evenmin aannemelijk gemaakt. Het gegeven dat belanghebbende kennelijk mondeling met [F] is overeengekomen dat hij te zijner tijd de verkoop van de appartementen om niet voor zijn rekening zou nemen, acht het Hof daartoe – mede in het licht van hetgeen belanghebbende daarover heeft verklaard – onvoldoende.

4.9

Op grond van hetgeen is overwogen in 4.8 concludeert het Hof dat belanghebbende zijn werkzaamheid bestaande uit de ontwikkeling van het project [a-straat 1], in 2006 heeft gestaakt, waarmee de fiscale eindafrekening op grond van artikel 3.95 in samenhang met artikel 3.61 van de Wet IB 2001 in beginsel is gegeven. Het Hof merkt daarbij overigens op dat belanghebbende in 2006 ook het voordeel uit die werkzaamheid heeft gerealiseerd. Immers blijkt uit de onder 2.7 vermelde notariële akte, dat belanghebbende zijn aandeel in het project heeft verkocht en geleverd aan [F], en daarvoor een – in een vordering op [F] omgezet – recht op levering van een winkelruimte plus penthouse heeft verkregen, met een waarde van (minimaal) € 424.700, zijnde de waarde van de bouwsom. Het Hof wijst in dit verband tevens naar zijn onder 4.8 opgenomen oordeel dat aan het door belanghebbende aangehouden 50%-aandeel in zoverre geen andere betekenis toekomt dan die van zekerheid tot nakoming van verplichtingen. Het gelijk met betrekking tot de vraag in welk jaar belanghebbende zijn werkzaamheden heeft gestaakt, is derhalve aan belanghebbende.

Overbrengen naar privé in 2006 of 2008

4.10

De Inspecteur heeft nog gesteld dat, in het geval belanghebbende zijn werkzaamheid in 2006 heeft gestaakt, het belanghebbende niet vrijstond om de vermogensbestanddelen van het werkzaamheidsvermogen in 2006 naar privé over te hevelen. Daarvoor was de uitkomst van de hele ruil te onzeker, aldus de Inspecteur. Overbrenging kan eerst geschieden nadat op 1 april 2008 de winkelruimte en het penthouse zijn opgeleverd, aldus de Inspecteur. Alsdan dient alsnog in 2008 fiscaal te worden afgerekend, nu – naar niet in geschil is – het penthouse en de winkelruimte vanaf 1 april 2008 nog louter bestemd zijn voor de verhuur, en derhalve vanaf dat moment behoren tot de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet IB 2001.

4.11

Het Hof stelt voorop dat in het algemeen bij staking van een werkzaamheid de tot het werkzaamheidsvermogen behorende activa naar het privévermogen moeten worden overgebracht. Dit lijdt uitzondering indien sprake is van uit de onderneming stammende onzekerheden omtrent de afwikkeling van die activa (vgl HR 14 maart 2003, nr. 37 885, ECLI:NL:HR:2003:AF5826, BNB 2003/195). Belanghebbende heeft de vordering op [F] respectievelijk het recht op levering door [F], verkregen als tegenprestatie voor de overdracht van de tot zijn werkzaamheidsvermogen behorende activa aan[F]. Van die vordering/rechten kan niet worden gezegd dat zij zijn ontstaan uit de ondernemingsactiviteiten zelf, zodat de uitzonderingssituatie zich hier niet voordoet. Daarnaast acht het Hof – anders dan de Inspecteur – de uitkomst van de ruil niet zodanig onzeker dat dit aan de overbrenging van die vermogensbestanddelen naar privé in 2006, in de weg zou staan. Het Hof vermag niet in te zien waarom in het onderhavige geval de waarde van het recht op levering op de stakingsbalans in 2006 niet redelijkerwijs zou kunnen worden geschat. Immers zijn de bouwkosten van de door[F] aan belanghebbende te leveren winkelruimte en penthouse door partijen berekend op € 424.700, zodat rekening houdend met een redelijke winstmarge voor de bouwer, en met inachtneming van de goede en kwade kansen die waarde redelijkerwijs op het stakingsmoment in 2006 was te bepalen. Voor zover sprake is geweest van een te belasten resultaat uit de werkzaamheid dient deze derhalve – in het kader van dit geschil – in 2006 te worden belast.

Heffingsrente

4.12

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het hoger beroep tegen de aanslag gegrond is, is het hoger beroep tegen de beschikking heffingsrente gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van het nader vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning respectievelijk inkomen uit sparen en beleggen betreft.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 944 voor de kosten in eerste aanleg (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting van de Rechtbank, wegingsfactor 1, en met een waarde per punt van € 472) en € 944 voor de kosten in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting van het Hof, wegingsfactor 1, en met een waarde per punt van € 472), ofwel in totaal op € 1.888.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 908, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.934,

– vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van

€ 1.888, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 42 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 115 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. S.C.W. Douma, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 5 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op : 7 november 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.