Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8411

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
TBS P13-0341
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelschriftuur openbaar ministerie niet tijdig ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P13/0341

Beslissing d.d. 31 oktober 2013

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteland] op [1979],

verblijvende te [verblijfplaats], [adres].

Het beroep is door het openbaar ministerie ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 19 juli 2013, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling, waarvan de verpleging van overheidswege op 7 oktober 2011 voorwaardelijk is beëindigd.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van het openbaar ministerie van 26 juli 2013;

  • -

    de schriftuur hoger beroep OM, ingekomen ter griffie van het hof op 20 augustus 2013;

  • -

    het aanvullend reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Palier van 3 oktober 2013, opgemaakt door [naam], reclasseringswerker;

  • -

    het ter zitting van het hof door mr W. Anker, raadsman van de terbeschikkinggestelde, overgelegde schrijven van 14 oktober 2013 van de heer [naam].

Het hof heeft ter zitting van 17 oktober 2013 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr W. Anker, advocaat te Leeuwarden, en de advocaat-generaal

mr E.J. Julsing-Nijenhuis.

Overwegingen

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de appelschriftuur weliswaar te laat is ingediend, maar dat het hof aan dit verzuim geen gevolg dient te verbinden nu de verdediging door dat verzuim niet in haar belangen is geschaad. De oorzaak van de geringe termijnoverschrijding is volgens het openbaar ministerie gelegen in het feit dat contact is gezocht met de reclassering om het appel goed te kunnen onderbouwen, echter door de vakantieperiode is het overleg met de juiste personen bemoeilijkt.

Onder verwijzing naar de appelschriftuur van het openbaar ministerie en het aanvullend reclasseringsadvies heeft de advocaat-generaal betoogd dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de terbeschikkingstelling met een jaar wordt verlengd. De terbeschikkinggestelde behoeft op diverse gebieden nog externe structuur en begeleiding.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De raadsman van de terbeschikkinggestelde heeft aangevoerd dat, nu het openbaar ministerie de schriftuur niet tijdig heeft ingediend, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het beroep moet worden verklaard, ondanks het feit dat de termijnoverschrijding gering is. Het belang van het appel dient niet zwaarder te wegen dat het belang dat is gemoeid met niet-ontvankelijkverklaring wegens het verzuim. In dit verband heeft de raadsman onder meer gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011 (LJN: BP0079) en het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 september 2012 (LJN: BX9395).

Volgens de raadsman wordt niet langer voldaan aan het gevaarscriterium. De maatregel heeft effect gesorteerd. De terbeschikkinggestelde is gedurende de afgelopen jaren met problemen op diverse gebieden geconfronteerd en hij heeft zich goed staande weten te houden. Hij heeft geen strafbare feiten gepleegd en hij heeft geen middelen gebruikt. Ook bij beëindiging van de maatregel loopt de begeleiding door de GGZ, afdeling Forensisch Assertive Community Treatment (FACT), door. De terbeschikkinggestelde beschikt over een betrokken sociaal netwerk. Totdat zijn familie een woning voor hem heeft aangekocht, kan de terbeschikkinggestelde op zijn huidige adres blijven wonen. Gelet op het vorenstaande hebben de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen.

Het oordeel van het hof

Artikel 509v, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering verklaart artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing. Dit brengt met zich dat de officier van justitie de schriftuur, houdende grieven, binnen veertien dagen na het instellen van beroep moet indienen.

In de onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie op 26 juli 2013 beroep ingesteld en is de schriftuur op 20 augustus 2013 - elf dagen te laat - ingekomen ter griffie van het hof. Er is derhalve sprake van een geringe termijnoverschrijding. Deze termijnoverschrijding kan mede worden verklaard door het feit dat overleg van het openbaar ministerie met de reclassering teneinde het appel goed te kunnen onderbouwen was bemoeilijkt in verband met de vakantieperiode. Niet gesteld of gebleken is dat de belangen van de terbeschikkinggestelde door deze beperkte termijnoverschrijding zijn geschaad.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het belang van het ingestelde beroep prevaleert boven het belang van sanctionering van het verzuim. Het hof is van oordeel dat de vaststelling van termijnoverschrijding op zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Gelderland van 19 juli 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr M. Otte als voorzitter,

mr A.J. Smit en mr J.W. Rijkers als raadsheren,

en drs. E. Harmsen en drs. M. van Weers als raden,

in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,

en op 31 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Mr A.J. Smit en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.