Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8410

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
KS 21-006249-13 7-11-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van toenmalige echtgenote. Voorhanden hebben van een gasrevolver, munitie en een stroomstootwapen. Geen bewijsuitsluiting. Verklaringen aangeefster betrouwbaar. Dwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006249-13

Uitspraak d.d.: 7 november 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 11 juli 2013 met parketnummer 18-730017-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegemeente] op [1946],

ingeschreven te[woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Leeuwarden, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk en met een proeftijd van vijf jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank, alsook de dadelijke uitvoerbaarheid van die voorwaarden. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 3.110,11, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.W.J.M. van der Meer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2013 tot en met 6 januari 2013, te of bij [plaats1], in de gemeente [gemeente1] en/of te [plaats2], en/of in de gemeente [gemeente2], althans in de provincie Friesland, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, opzettelijk[benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet naast (de auto van) die [benadeelde] is gaan staan en/of/vervolgens die [benadeelde] een (gas)revolver en/of een mes, althans (een) wapen(s) heeft getoond, in ieder geval een (gas)revolver en/of een mes, althans (een) wapens(s) dreigend voor die [benadeelde] aanwezig heeft gehad en/of die [benadeelde] (onder meer) opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Hier blijven, want ik steek gelijk" en/of "je hebt toch niemand gebeld want ik maak je gelijk af", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of/vervolgens die [benadeelde] heeft gedwongen plaats te nemen op de passagiersstoel van de auto van die [benadeelde] en/of/vervolgens heeft plaatsgenomen op de bestuurdersstoel van de auto van die [benadeelde] en/of/vervolgens de telefoon van die [benadeelde] heeft afgepakt en/of/vervolgens met bedoelde auto is weggereden en (aldus) belet, dat die [benadeelde] bedoelde auto kon verlaten;


2:
hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2013 tot en met 6 januari 2013, althans op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 14 september 2012 tot en met 6 januari 2013, te of bij [plaats1], (althans) in de gemeente [gemeente1] en/of te [plaats2], althans in de gemeente [gemeente2], in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) (zijn echtgenote)[benadeelde], meermalen, althans éénmaal, heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte die [benadeelde] (telkens) gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte in voornoemde periode die [benadeelde] veelvuldig op (zeer) agressieve en/of intimiderende en/of dreigende wijze heeft benaderd en/of dat verdachte (telkens) gebruik heeft gemaakt van zijn fysieke en/of psychische overwicht, in welke fysieke en/of psychische overmacht(situatie) die [benadeelde] zich (telkens) niet tegen voornoemde seksuele handeling(en) van hem, verdachte, kon en/of durfde te verzetten en/of onttrekken, althans (telkens) geen weerstand kon en/of durfde te bieden aan verdachtes voornoemde seksuele handeling(en) en/of (aldus) (telkens) voor die [benadeelde] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

3:
hij in of omstreeks de periode van 5 januari 2013 tot en met 6 januari 2013, te of bij [plaats1], in de gemeente [gemeente1] en/of te of bij [plaats2], in de gemeente [gemeente2], in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver (van het merk en/of type EM-GE Sportwaffenfabrik, model 66) en/of een wapen van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen (van het merk en/of type Weishi K95) en/of munitie van categorie III te weten 10 centraalvuur knalpatronen (van het merk RWS, kaliber 9 mmm), voorhanden heeft gehad.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Geen bewijsuitsluiting

De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep bepleit dat het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2012 (pagina 85 en 86 van het dossier) moet worden uitgesloten voor het bewijs, nu in dat proces-verbaal een verklaring van verdachte is opgenomen, terwijl aan hem niet de cautie is gegeven en hij ook niet in de gelegenheid is gesteld om voor het verhoor een advocaat te consulteren. Dat het een informatief gesprek met de politie betrof, er (nog) geen aangifte tegen verdachte was gedaan en hij op dat moment nog niet was aangehouden maakt dit niet anders, aldus de raadsman.

Het hof is - met de advocaat-generaal - van oordeel dat deze opvatting van de raadsman geen steun vindt in het recht. Het verweer tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde verkrachting

Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 5 tot en met 6 januari 2013 schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - verkrachting van[benadeelde] met wie hij destijds was gehuwd.

Verdachte bekent de onder feit 1 tenlastegelegde vrijheidsbeneming van [benadeelde], maar hij ontkent haar te hebben verkracht (feit 2): het seksueel contact met [benadeelde] zou met haar instemming hebben plaatsgevonden.

Volgens de raadsman zijn de verklaringen van [benadeelde] ongeloofwaardig en kan niet bewezen worden dat het seksuele contact tussen haar en verdachte onder dwang zou hebben plaatsgevonden. Subsidiair is aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dwang respectievelijk opzet op de verkrachting. Dit dient te leiden tot vrijspraak, aldus de raadsman.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [benadeelde]. Zij heeft ten overstaan van de politie en de rechter-commissaris consistent verklaard. In wezen heeft zij geen feiten genoemd die door verdachte worden weersproken. Zo heeft zij beaamd dat zij niet uitdrukkelijk tegen verdachte heeft gezegd dat zij geen seks met hem wilde. De ter zitting naar voren gebrachte suggestie dat aangeefster verdachte er als het ware ingeluisd zou hebben, ontbeert elk begin van een feitelijke onderbouwing.

Voorts overweegt het hof als volgt.

Uit het dossier volgt dat aangeefster [benadeelde] in augustus 2012 aan verdachte heeft aangegeven van hem te willen scheiden. Desondanks is er in eerste instantie de afspraak gemaakt dat er nog wel seksueel contact tussen hen beiden zou zijn. Op 14 september 2012 heeft [benadeelde] verdachte te kennen gegeven geen seks meer met hem te willen en apart te willen slapen. Omdat er toch seksuele contacten bleven plaatsvinden, is [benadeelde] op 12 oktober 2012 naar de zedenpolitie gestapt. Tegenover de zedenrechercheur heeft zij verklaard geen seks meer met verdachte te willen. Uiteindelijk heeft [benadeelde] op 16 oktober 2012 de echtelijke woning verlaten. In een tweede gesprek met de zedenpolitie op 9 november 2012 heeft [benadeelde] aangegeven dat ze zich schaamde omdat er toch weer seks tussen verdachte en haar had plaatsgevonden. [benadeelde] verbleef op dat moment uit angst voor verdachte op een voor hem geheim adres. Na wederom een melding van [benadeelde] over ongewenst seksueel contact met verdachte in de periode van 18 tot en met 19 december 2012 heeft de politie verdachte op 21 december 2012 op het politiebureau ontboden voor een gesprek. In dit gesprek heeft verdachte de politie te kennen gegeven dat er na de scheiding afspraken zijn gemaakt over seks, waar [benadeelde] in het begin mee instemde. Later wilde zij soms niet, maar dan kneedde hij net zo lang tot hij haar wel zover kreeg, aldus verdachte. Verdachte gaf voorts aan dat hij nu wel begreep [benadeelde] pijn te hebben gedaan. Verdachte heeft met de politie de afspraak gemaakt dat hij [benadeelde] met rust zou laten, niet naar haar woning zou gaan en geen seks meer met haar zou hebben.

Twee weken later, op 5 januari 2013, is verdachte gewapend met een gasrevolver, een mes en een stroomstootwapen naar de woning van [benadeelde] in [plaats1] gegaan. Verdachte was op dat moment woedend op [benadeelde]. Buiten de woning heeft hij de komst van [benadeelde] afgewacht. Op het moment dat [benadeelde] op de oprit uit haar auto wilde stappen, dwong verdachte haar onder bedreiging van de gasrevolver en het mes plaats te nemen op de passagiersstoel in haar auto, waarna verdachte op de bestuurdersstoel plaatsnam en vervolgens wegreed. Doordat [benadeelde] vanwege haar angst voor verdachte op een eerder moment 112 onder de ‘direct bellen knop’ had gezet, lukte het haar om nog voordat verdachte haar telefoon had afgepakt meteen 112 te bellen. Het gesprek in de auto is hierdoor - zonder medeweten van verdachte - opgenomen. Uit de weergave van de 112-gesprekken blijkt dat verdachte tegen [benadeelde] heeft gezegd dat ze met elkaar naar bed zouden gaan, dat hij dat eiste, dat zij een afspraak hadden, dat hij tot alles in staat was, dat zijn pistool op scherp stond en als hij het niet vertrouwde gelijk schoot, dat zij geen poging meer moest doen om te bellen want dan zou ze het niet overleven en dat hij geweld moest gebruiken. Toen verdachte en aangeefster na een autorit naar [plaats2] weer teruggekeerd waren bij de woning van [benadeelde] in [plaats1], is verdachte - onder medeneming van zijn revolver, mes en stroomstootwapen - met [benadeelde] de woning binnengegaan. Dit ondanks [benadeelde] uitdrukkelijke verzoek de revolver in de auto te laten. In de woning hebben verdachte en [benadeelde] met elkaar gesproken.

Volgens verdachte was dit een goed gesprek en ontstond er na verloop van tijd een atmosfeer van vriendschap en begrip en toonde aangeefster zich welwillend toen hij opperde naar de slaapkamer te gaan. Aangeefster heeft te kennen gegeven dat zij op dat moment erg bang was voor verdachte en alles in het werk heeft gesteld om hem op zijn gemak te stellen en verdere escalatie te voorkomen. Zij voelde zich genoodzaakt verdachte zijn zin te geven toen hij met haar naar bed wilde. Uit angst voor verdachte heeft [benadeelde] zich vervolgens niet verzet tegen de handelingen van verdachte die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.

Het hof volgt verdachte niet in zijn stelling dat het voorval onder feit 1, te weten de vrijheidsbeneming en de bedreigingen die in dit kader jegens aangeefster zijn geuit, geheel los moet worden gezien van hetgeen direct daarop volgend in de woning van aangeefster is gebeurd.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, bestaande uit de voorgeschiedenis en de omstandigheden waaronder het seksueel contact heeft plaatsgevonden, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Het hof verwerpt de verweren van de raadsman.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij in de periode van 5 januari 2013 tot en met 6 januari 2013, te [plaats1], in de gemeente [gemeente1] en in de gemeente [gemeente2], opzettelijk[benadeelde] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat opzet naast de auto van die [benadeelde] is gaan staan en vervolgens die [benadeelde] een gasrevolver en een mes, heeft getoond en die [benadeelde] onder meer opzettelijk dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Hier blijven, want ik steek gelijk" en "je hebt toch niemand gebeld want ik maak je gelijk af", en die [benadeelde] heeft gedwongen plaats te nemen op de passagiersstoel van de auto van die [benadeelde] en vervolgens heeft plaatsgenomen op de bestuurdersstoel van de auto van die [benadeelde] en vervolgens de telefoon van die [benadeelde] heeft afgepakt en vervolgens met bedoelde auto is weggereden en aldus heeft belet, dat die [benadeelde] bedoelde auto kon verlaten;


2:
hij in de periode van 5 januari 2013 tot en met 6 januari 2013, te [plaats1], in de gemeente [gemeente1] door bedreiging met geweld zijn echtgenote[benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte die [benadeelde] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] duwde, en bestaande die bedreiging met geweld hierin dat verdachte in voornoemde periode die [benadeelde] veelvuldig op zeer agressieve en intimiderende en dreigende wijze heeft benaderd in welke situatie die [benadeelde] zich niet tegen voornoemde seksuele handelingen van hem, verdachte, durfde te verzetten en aldus voor die [benadeelde] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

3:
hij in de periode van 5 januari 2013 tot en met 6 januari 2013, te [plaats1], in de gemeente [gemeente1], een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver van het merk en type EM-GE Sportwaffenfabrik, model 66 en een wapen van categorie II onder 5, te weten een stroomstootwapen van het merk en type Weishi K95 en munitie van categorie III te weten 10 centraalvuur knalpatronen van het merk RWS, kaliber 9 mmm, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van de gasrevolver :

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

ten aanzien van het stroomstootwapen :

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II;

en

ten aanzien van de patronen :

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte is door dr. T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus op 9 april 2013 en door drs. M.G.J. Nijhuis-Quanjel, GZ-psycholoog op 6 april 2013 een psychiatrisch respectievelijk psychologisch rapport uitgebracht. Beide rapporten houden als conclusie in, zakelijk weergegeven, dat wordt geadviseerd verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

Het hof acht verdachte in zoverre strafbaar, dat - met inachtneming van voormelde conclusies van de deskundigen - verdachte het onder 1 en 2 bewezen verklaarde licht verminderd toegerekend kan worden.

Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich in de periode van 5 tot en met 6 januari 2013 schuldig gemaakt aan verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn toenmalige echtgenote[benadeelde]. Daarnaast heeft hij in strijd met de wet een gasrevolver, munitie en een stroomstootwapen voorhanden gehad.

Verdachte heeft zijn echtgenote, met wie hij in scheiding lag, ’s avonds laat bij haar woning opgewacht en onder bedreiging van een revolver en een mes in haar auto laten plaatsnemen. Na een zeer bedreigende autorit heeft verdachte haar meegevoerd naar haar huis, waar hij vervolgens tegen haar wil gemeenschap met haar heeft gehad. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte de lichamelijke integriteit en bewegingsvrijheid van [benadeelde] ernstig geschonden en geen enkel respect getoond voor haar gevoelens.

Bij de strafoplegging wordt acht geslagen op het de verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder een zedendelict, onherroepelijk is veroordeeld.

Uit de omtrent de persoon van verdachte opgemaakte rapporten blijkt dat er sprake is van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en narcistische trekken. Vanwege verdachtes beperkte coping om met zijn machteloosheid, razernij en angst om te gaan wordt hij licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht. De psychiater acht de kans op recidive op de lange termijn - als verdachte niet behandeld wordt - groot, terwijl de psycholoog dit risico klein acht. Door de reclassering wordt een deels voorwaardelijke detentie met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht, een meldingsgebod, een behandelverplichting en een contactverbod geadviseerd.

Op grond van het vorenstaande, in samenhang beschouwd, acht het hof de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer noodzakelijk.

Gelet op de omstandigheden, dat de steun en de hulp die verdachte van de reclassering dient te krijgen en de (ambulante) behandeling die hij dient te ondergaan mogelijk langer zullen duren dan 2 jaren en er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal het hof aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel een langere proeftijd, te weten 5 jaren, verbinden.

Al het vorenstaande leidt ertoe dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren, met daaraan gekoppeld toezicht door de reclassering, een meldplicht, een contactverbod en een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Bij de strafoplegging heeft het hof tevens rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Vordering van de benadeelde partij[benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.170,11. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3110,11. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof is van oordeel dat de gestelde immateriële schade ad € 3.000,- en de gestelde materiële schade ad € 110,11 (zijnde reiskosten) voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem kunnen worden toegerekend. Het hof acht dat deel van de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2013.

Het hof zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering betrekking hebbende op de pyjama en de oorbellen niet-ontvankelijk verklaren nu het hof dit deel van de tenlastelegging niet bewezen acht. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 242 en 282 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of t.b.v. vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs a.b.i. art. 1 Wet o/d identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat het verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met[benadeelde] en haar kinderen [kind1] en [kind2], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van deze voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.;

- dat verdachte zich binnen een week na het einde van zijn detentie op een dinsdag of donderdag tussen 15.00 uur en 16.00 uur meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres];

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Ambulante Forensische Psychiatrie of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens de Ambulante Forensische Psychiatrie aan te geven, zolang dat door de behandelaars en/of de reclassering noodzakelijk wordt geacht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij[benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij[benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.110,11 (drieduizend honderdtien euro en elf cent) bestaande uit € 110,11 (honderdtien euro en elf cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd[benadeelde], een bedrag te betalen van € 3.110,11 (drieduizend honderdtien euro en elf cent) bestaande uit € 110,11 (honderdtien euro en elf cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. L.T. Wemes, voorzitter,

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 7 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.