Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8392

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
07-11-2013
Zaaknummer
21-005016-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1654, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Valse aangifte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005016-13

Uitspraak d.d.: 6 november 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 26 april 2013 met parketnummer 06-851125-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1994],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr J.M. Snellink, naar voren is gebracht. Tevens heeft het hof kennis genomen van hetgeen door de benadeelde partij de heer [benadeelde] en zijn advocaat mr N. Hogeman naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te [plaats], in ieder geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie [plaats], opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en/of op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, de heer [benadeelde].

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte is door de rechtbank Gelderland te Zutphen vrijgesproken van het doen van valse aangifte. Deze vrijspraak was enerzijds gebaseerd op het feit dat volgens de rechtbank niet kon worden vastgesteld dat een deel van de feiten wel had plaatsgevonden en de aangifte in zoverre dus niet ‘vals’ zou zijn. Anderzijds oordeelde de rechtbank dat de nadere informatie die verdachte in strijd met de waarheid heeft gegeven (namelijk dat sprake was van penetratie op 16 mei 2011 en op 13 september 2011) niet als een aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht kon worden aangemerkt.

De officier van justitie heeft in de appelschriftuur aangegeven dat wel degelijk sprake was van een valse aangifte.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft op 27 mei 2011 een zogenaamd ‘informatief gesprek zeden’ gevoerd bij de politie. Zij heeft toen aangegeven dat zij [benadeelde], al enkele jaren haar zwemcoach, in een kleedhokje van het zwembad heeft moeten aftrekken. Op 7 juni 2011 heeft verdachte, destijds 17 jaar, een getuigenverklaring afgelegd. Op 9 juni 2011 heeft de moeder van verdachte aangifte van aanranding van en ontucht met haar dochter gedaan tegen [benadeelde].

Op 27 oktober 2011 heeft er wederom een gesprek plaatsgevonden met verdachte bij de politie. Verdachte heeft toen verteld dat zij op 16 mei 2011 én op 13 september 2011 seks heeft gehad met [benadeelde], waarbij hij met zijn penis in haar vagina is gedrongen. Naar aanleiding van dit verhaal heeft de politie onderzoek gedaan in de woning van verdachte, met het doel om DNA-materiaal veilig te stellen. Dat is niet gelukt.

Verdachte heeft op 24 mei 2012 verklaard dat zij op 27 oktober 2011 bij de politie onwaarheden heeft verteld, omdat zij had gehoord dat de zaak tegen [benadeelde] zou worden geseponeerd. Daarom had zij haar eerdere verhaal aangedikt en had zij feiten genoemd die helemaal niet zijn voorgevallen. Verdachte heeft dit ook ter zitting van het hof erkend.

Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte op 27 oktober 2011 bij de politie heeft verteld een uitbreiding, versterking en verzwaring betrof van de eerdere door haar moeder op 9 juni 2011 gedane aangifte. Het hof ziet deze nadere verklaring van verdachte dan ook in samenhang met de aangifte die al in juni 2011 was gedaan. Naar het oordeel van het hof is er daarom wel sprake van een valse aangifte in de zin van artikel 188 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 27 mei 2011 tot en met 27 november 2011 te [plaats], in ieder geval in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte in genoemde periode op meerdere tijdstippen, ten overstaan van rechercheurs van de zedenafdeling van de politie [plaats], opzettelijk en in strijd met de waarheid verklaringen afgelegd inhoudende dat zij, verdachte, op 16 mei 2011 en/of op 13 september 2011 seksueel zou zijn misbruikt door haar zwemtrainer, de heer [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur passend en geboden is. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Zij heeft door het doen van een valse aangifte erg veel leed berokkend bij [benadeelde]. De beschuldiging dat hij seks zou hebben gehad met een zwempupil heeft er mede toe geleid dat hij niet langer als zwemcoach en –trainer werkzaam is. Hij werd en wordt nog steeds – zoals hij zelf verklaarde – als een paria behandeld en met de nek aangekeken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd maar heeft de vordering verlaagd tot € 13.946,13.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal bij wijze van voorschot een deel van de immateriële schade toewijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Niet zonder meer is duidelijk vast te stellen of de schade uitsluitend door verdachte is veroorzaakt. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in dat deel van de vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 188 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst bij wijze van voorschot toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als voorschot voor een vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr M. Barels, voorzitter,

mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels en mr M.A.F. Cools-Weebers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.R.M. Roetgerink, griffier,

en op 6 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr M.A.F. Cools-Weebers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.