Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8374

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
BK 13/00586
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:CA1098, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of terecht een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is opgelegd en zo ja, of terecht een boete is opgelegd en of er aanleiding tot matiging daarvan is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2479
V-N 2014/11.21 met annotatie van Redactie
FutD 2013-2742
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/00586

uitspraakdatum: 6 november 2013

Uitspraak van de veertiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 23 april 2013, nummer AWB 12/2285, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het tijdvak 12 juli 2011 tot en met 7 januari 2012 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 691. Bij beschikking is een verzuimboete opgelegd van € 691.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de verzuimboete gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 april 2012 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en namens de Inspecteur [A].

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is volgens het kentekenregister vanaf 12 juli 2011 houder van het motorrijtuig van het merk Dodge met kenteken [YY-VV-00] (hierna: de auto). De datum van kentekenbewijs deel I is 8 juli 1996.

2.2

Op verzoek van belanghebbende is de geldigheid van het kentekenbewijs van de auto geschorst vanaf 12 juli 2011.

2.3

Tot de stukken van het geding behoort een Proces-Verbaal van [B], parkeercontroleur in dienst van Parkeer Combinatie Holland, opgemaakt op 15 oktober 2011, nummer 1510111552000315, waarop staat vermeld dat een auto van het merk/type Dodge Ram met kenteken [YY-VV-00] te [L] aan de [a-straat] tegenover 62 heeft geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige gehandicapten parkeervergunning.

2.4

Tot de stukken van het geding behoort voorts een Proces-Verbaal opgemaakt door [B] op 21 november 2012 met de volgende tekst:

PROCES VERBAAL

Gegevens incident

Gemeente waar het incident plaats vond:

Franekeradeel

Straatnaam waar het incident plaats vond:

[a-straat] t/o 62

Datum wanneer het incident plaats vond:

Dinsdag 14 augustus 2012. Tijd omstreeks 11:40 uur

Onderwerp: R402b – als bestuurder voertuig parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder vergunning.

Ten laste van: kentekenhouder [YY-VV-00]

Ik, [B], parkeercontroleur in dienst van Parkeer Combinatie Holland (PCH), tevens buitengewoonopsporingsambtenaar, nummer akte van beëdiging [000000001], verbalisantennummer [00002] en standplaats [L], verklaar het volgende:

Op zaterdag 15 oktober 2011, omstreeks 15:52 uur, bevond ik mij in uniform gekleed en met toezicht belast op het (betaald) parkeren op de openbare weg [a-straat] te [L].

Tijdens deze controle, zag ik dat aan de [a-straat] een Dodge RAM VAN 2.5TD, met het kenteken [YY-VV-00] geparkeerd stond op een gehandicaptenparkeerplaats.

Voor het raam had de bestuurder een ongeldige gehandicaptenparkeerkaart. Deze was geldig tot 10-02-2010. (tien februari tweeduizend en tien).

Ik zag de bestuurder aan komen lopen en sprak hem hier op aan. Toen ik hem vertelde dat ik hier voor een bon uit zou schrijven, verklaarde de bestuurder dat hij de bon toch niet behoefde te betalen. Bij het uitschrijven van de bon reed de bestuurder snel weg. De boete is op kenteken uit geschreven.

Ik zag dat er geen sprake was van onmiddellijk zichtbaar laden/lossen van goederen van enig omvang.

Aan overzijde waren nog voldoende vrije parkeerplaatsen.

Op ambtsbelofte opgemaakt te [L] 21-11-2012

21 november tweeduizend twaalf

[B] (…)”

2.5

Met dagtekening 4 april 2012 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting toegezonden over de periode 12 juli 2011 tot en met 7 januari 2012 ter zake van het geconstateerde gebruik van de weg tijdens een voor het motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of terecht een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting is opgelegd en zo ja, of terecht een boete is opgelegd en of er aanleiding tot matiging daarvan is.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag. Voorts verzoekt belanghebbende daarbij om toekenning van een immateriële schadevergoeding.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de onder 3.1 bedoelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de naheffingsaanslag

4.1

Op grond van artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet MRB is ter zake van het houden van een personenauto motorrijtuigenbelasting verschuldigd.

4.2

Artikel 19, eerste lid, van de Wet MRB, tekst 2011, bepaalt dat voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is afgegeven, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, de belasting niet wordt geheven over tijdvakken die aanvangen tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Op grond van het in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de WVW opgenomen eerste lid van artikel 67 wordt, op verzoek van de eigenaar of houder van het voertuig, de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt.

4.3

Zoals vermeld onder 2.2. heeft belanghebbende een verzoek tot schorsing gedaan, welk verzoek is gehonoreerd.

4.4

Bij constatering van gebruik van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing als genoemd onder 4.2. kan de belasting, zo bepaalt artikel 35, lid 1, van de Wet MRB, worden nageheven.

4.5

Partijen houdt verdeeld de vraag of terecht en door een daartoe bevoegd en geschikt persoon is geconstateerd dat met de auto van de openbare weg is gebruik gemaakt en dat dit een omstandigheid als bedoeld in artikel 35, lid 1, van de Wet MRB oplevert.

4.6

Belanghebbende heeft – samengevat - aangevoerd dat de auto op 15 oktober 2011 niet geparkeerd stond in [L] omdat deze op dat moment zonder motor in de tuin van belanghebbende geparkeerd stond. Voorts voert belanghebbende aan dat de buitengewoonopsporingsambtenaar [B] noch bevoegd is tot het geven van informatie aan de belastingdienst noch fysiek of mentaal daartoe geschikt is. De Inspecteur heeft in het kader van deze klachten verwezen naar een samenwerkingsovereenkomst tussen het Centraal Justitieel Incassobureau en de Belastingdienst, naar de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar en in het bijzonder naar paragraaf 4.1.2 daarvan en naar de Bijlage A-I Domeinlijst en heeft ter zitting van het Hof daaromtrent toelichting gegeven.

4.7

De Rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt geoordeeld, waarbij voor “eiser”, “belanghebbende” gelezen dient te worden en voor “verweerder”, de “Inspecteur”:

“4. (…) De rechtbank overweegt dat op verweerder de last rust om aannemelijk te maken dat het waargenomen voertuig eisers auto betrof. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met het overleggen van het onder punt 1.5 bedoelde op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal in deze bewijslast geslaagd. De rechtbank heeft geen enkele twijfel aan de juistheid van de waarneming van de parkeercontroleur. De rechtbank neemt, gelet op de aard van de functie van parkeercontroleur, aan dat sprake was van een opzettelijke waarneming. Dit houdt in dat de parkeercontroleur bewust en scherp moet hebben gelet op de kentekenplaten van de auto. Dat de parkeercontroleur aldus heeft waargenomen, volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de omstandigheid dat hij op de parkeerbon, naast het kenteken, ook de duplicaatcode 2 heeft genoteerd. Nu de kentekenplaten van eisers auto ten tijde van de constatering deze duplicaatcode droegen, is het waargenomen voertuig naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar eisers auto geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hier niets tegenin gebracht dat zou kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. Eiser heeft op geen enkele wijze zijn stelling aannemelijk gemaakt dat de auto lange tijd aantoonbaar defect was. Aan eisers enkele stelling dat de auto valse kentekenplaten zou dragen, kent de rechtbank geen gewicht toe. Hiervoor bestaat geen enkele aanwijzing (…)”.

Het Hof neemt dit oordeel van de Rechtbank over en maakt het tot het zijne. Het Hof voegt hier nog aan toe dat aan zijn oordeel niet afdoet dat [B] in het onder 2.4 genoemde Proces-Verbaal een onjuiste tijd en datum heeft genoemd. Dit is een kennelijke verschrijving en is naderhand gewijzigd. Het Hof is dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4.8

Anders dan belanghebbende stelt is het Hof voorts van oordeel dat, gelet op de stukken van het geding, de Inspecteur voldoende heeft aangetoond dat de parkeercontroleur bevoegd was als buitengewoonopsporingsambtenaar, en dat de Belastingdienst van deze gegevens gebruik mocht maken ten behoeve van de belastingheffing. Wat hier overigens ook van zij, naar het oordeel van het Hof is het gebruik van vorenbedoelde stukken van de parkeercontroleur door de Inspecteur slechts dan niet toegestaan, indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht (vgl. HR 1 juli 1992, nr. 26 331, LJN: ZC5028, BNB 1992/306). Dienaangaande is naar het oordeel van het Hof niets gebleken.

4.9

Tot slot oordeelt het Hof dat het niet op de weg van de Inspecteur ligt om aannemelijk te maken dat een parkeercontroleur niet disfunctioneert. Daarbij overweegt het Hof dat, belanghebbendes stellingen omtrent mogelijk disfunctioneren van de parkeercontroleur, niet meebrengen dat de naheffingsaanslag vernietigd dient te worden.

Ten aanzien van de boete

4.10

Op grond van artikel 37 van de Wet MRB juncto artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur in het geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet de belastingplichtige een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4.920 (tekst 2012). Ingevolge paragraaf 34, onderdeel 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 bedraagt de verzuimboete maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet is betaald met een minimum van € 50 en een maximum van € 4.920.

4.11

Belanghebbende heeft ook in hoger beroep geen specifieke grieven tegen de boete aangevoerd. Het Hof is, evenals de Rechtbank, van oordeel dat nu sprake is van een geval als bedoeld in artikel 35 van de Wet MRB, de boete van 100% van het nageheven belastingbedrag, gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden van het geval, passend en geboden is. Weliswaar heeft belanghebbende ten aanzien van de betaling van de boete in hoger beroep aangevoerd dat zijn financiële toestand meebrengt dat hij de boete niet kan betalen, doch heeft deze stelling ter zitting van het Hof gewijzigd in de zin dat hij het merendeel van de boete reeds heeft betaald en het resterende deel zonder probleem zou kunnen betalen. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding de boete te matigen.

Verzoek om immateriële schadevergoeding

4.12

Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om schadevergoeding, begroot op een bedrag van € 15.000 ter compensatie van stress veroorzaakt door onderhavige naheffingsaanslag en de daaropvolgende procedure. Nu het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen reden voor een veroordeling tot schadevergoeding. Evenmin ziet het Hof, nu de stukken van het geding daartoe geen aanleiding geven, reden om belanghebbendes verzoek te begrijpen als een verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met een te lange duur van de bezwaar- of (hoger)beroepsfase. Het Hof zal de vordering tot schadevergoeding daarom afwijzen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter van de veertiende enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 6 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De voorzitter,

(H. de Jong)

(E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 7 november 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.