Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8373

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
06-11-2013
Zaaknummer
200.136.349/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Wrakingskamer

Parketnummer: 21-000151-13

Wrakingsnummer: 200.136.349/01

Uitspraakdatum: 6 november 2013

Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen.

De procedure

Ter terechtzitting van de strafkamer van dit hof op 30 augustus 2013 is door verzoeker de wraking verzocht van de raadsheren mrs H. Abbink, B.J.J. Melssen en A.W.M. Elders. De raadsheren hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten, geen gebruik te willen maken van de gelegenheid te worden gehoord en in het wrakingsverzoek geen aanleiding te zien tot een inhoudelijke reactie.

Ter terechtzitting van de wrakingskamer op 23 oktober 2013 zijn de raadsman van verzoeker, mr V.C. van der Velde, advocaat te Almere, en de advocaat-generaal verschenen.

Ontvankelijkheid

Het hof acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het verzoek tot wraking

Het wrakingsverzoek heeft, kort en zakelijk weergegeven, betrekking op de navolgende feiten en omstandigheden.

  • -

    Het voortraject met betrekking tot de ingediende onderzoekswensen, te weten de negatieve voorzittersbeslissing.

  • -

    De wijze waarop de zitting van 30 augustus 2013 was georganiseerd, te weten het twee uur eerder starten met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

  • -

    De afwijzing van alle onderzoekswensen die tijdig door de verdediging zijn gedaan en met name de motivering van deze afwijzing.

Primair stelt verzoeker zich op het standpunt dat, gelet op het voorgaande, de zittingscombinatie jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij hem dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Subsidiair is verzoeker van mening dat voornoemde feiten en omstandigheden grond geven om te vrezen dat het het gewraakte hof aan onpartijdigheid ontbreekt.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

Juridisch kader

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Derhalve ligt de vraag ter beantwoording voor of de door de raadsman genoemde omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de raadsheren jegens hem vooringenomen zijn, objectief gerechtvaardigd is.



De beoordeling van het verzoek tot wraking

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de terechtzitting van

30 augustus 2013, alsmede van de toelichting op het wrakingsverzoek van de raadsman van verzoeker alsook het standpunt van de advocaat-generaal zoals naar voren gebracht ter terechtzitting van 23 oktober 2013.

Ten aanzien van het eerste punt van verzoeker overweegt de wrakingskamer het volgende. Door mr Abbink is als voorzitter een beslissing genomen op de in de appelschriftuur van verzoeker geformuleerde verzoeken, inhoudende dat hij vooralsnog geen aanleiding ziet om de verzoeken in te willigen en dat desgewenst de verzoeken ter terechtzitting kunnen worden herhaald. Naar aanleiding van deze beslissing is door verzoeker bij brief van 9 april 2013 om wraking verzocht van mr H. Abbink. Dit verzoek is reeds bij beslissing van de wrakingskamer van 27 mei 2013 afgewezen.

Ten aanzien van het tweede punt van verzoeker geldt het volgende. Door de advocaat-generaal is ter zitting van de wrakingskamer van 23 oktober 2013 uitgelegd dat op de zitting van 30 augustus 2013 behalve de zaak van verzoeker ook de zaken van drie medeverdachten waren gepland. Omdat verzoeker ook op dat moment in de PI in Veenhuizen verbleef, kon zijn zaak in verband met de aanvoertijden niet eerder gepland worden dan 11:00 uur. Dit gold ook voor één van zijn medeverdachten, zodat ook diens zaak om 11:00 uur was gepland. Deze medeverdachte heeft echter kort voor de behandeling zijn zaak ingetrokken. Met de inhoudelijke behandeling van de zaken van de twee andere medeverdachten was al gestart omdat zij eerder aangeleverd konden worden.

De wrakingskamer is van oordeel dat uit deze organisatorische beslissingen geen vooringenomenheid bij de leden van het hof valt af te leiden omtrent de schuld of onschuld van verzoeker.

Ten aanzien van de beslissing van het hof tot afwijzing van de onderzoekswensen geldt dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen over onder meer het al dan niet horen van getuigen. Dat kunnen voor de verzoeker of het openbaar ministerie nadelige beslissingen zijn. Grond voor wraking bestaat alleen als de beslissing een feit oplevert waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wrakingskamer is van oordeel dat de afwijzende, gemotiveerde beslissingen van het hof op de onderzoekswensen van de raadsman niet een zodanig feit opleveren.

Aldus is naar het oordeel van het hof ten aanzien van de door de raadsman aangevoerde gronden noch op zich staand, noch bezien in onderling verband en samenhang, gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Ook uit hetgeen verzoeker overigens heeft aangedragen valt geen vooringenomenheid af te leiden omtrent schuld of onschuld van verdachte of enig ander op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting te beslissen punt. De vragen van de artikelen 348 en 350 van het WvSv staan nog open.

Het wrakingsverzoek moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot wraking van mrs H. Abbink, B.J.J. Melssen en A.W.M. Elders.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mrs P.H van Ginkel en R.F.C. Spek, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 6 november 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.