Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8332

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
200.104.504-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1520, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als gevolg van de ingetreden ontbinding van de tussen partijen gesloten opleidingsovereenkomst, ontstaat tussen partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Aldus geldt naar het oordeel van het hof dat voor zover het opleidingsbedrijf nog niet jegens de leerling heeft gepresteerd, de leerling een deel van de door hem betaalde lesgelden behoort terug te krijgen. Vaststaat dat de leerling slechts fase één, zij het zonder goed gevolg, heeft doorlopen en dus niet de fases twee tot en met vijf heeft gevolgd en ingevolge de overeenkomst ook niet heeft kunnen volgen. Het gegeven deel van de opleiding sluit uit dat deze ongedaan kan worden gemaakt. Aldus treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar waarde ten tijde van het tijdstip van ontvangst (artikel 6:272 BW). Derhalve moet de grootte worden bepaald van het bedrag dat door het opleidingsbedrijf aan de leerling moet worden terugbetaald van het door hem betaalde lesgeld. Dit bedrag wordt deels bepaald door het niet volgen van voormelde fases twee tot en met vijf en deels door de waarde van de prestatie die het opleidingsbedrijf wel heeft verricht. Het bedrag ter zake van de gegeven vlieguren en lessen in een stimulator staat tussen partijen vast, terwijl nog een bedrag resteert dat het opleidingsbedrijf voor kosten van overhead heeft uitgegeven. Gelet op de inhoud van de door het opleidingsbedrijf overgelegde stukken, is het hof niet in staat de opgegeven kosten van overhead van de leerling gedurende de tijd dat hij fase één heeft doorlopen op juistheid te waarderen. Derhalve resteert een begroting ex aequo et bono.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.504/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 187207/HL ZA 11-789)

arrest van de eerste kamer van 5 november 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr.ing B. Jans, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

AIS Vliegopleidingen B.V.,

gevestigd te Lelystad,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: AIS,

advocaat: mr. B.W.G. Orth, kantoorhoudend te Huizen.

1 Het geding

De inhoud van het tussenarrest van 19 februari 2013 wordt overgenomen. Op 8 mei 2013 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Vervolgens heeft AIS een memorie na comparitie genomen. Daarop heeft [appellant] een antwoord-memorie na comparitie genomen. AIS heeft daarna pleidooi gevraagd.

2 De beoordeling

Gelet op de stand van het geding ziet het hof aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Ieder van partijen zal in de gelegenheid worden gesteld om haar standpunt toe te lichten, desgewenst aan de hand van een ter zitting over te leggen nota die uit maximaal twee bladzijden bestaat. Voorts zullen eventueel inlichtingen worden ingewonnen en zal eventueel een schikking worden beproefd. Indien geen regeling tot stand komt en de zaak niet naar mediation wordt verwezen, zal het hof peilen of er bij partijen behoefte bestaat om alsnog pleidooi te houden.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

beveelt een verschijning van partijen, in persoon of deugdelijk vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld van de raadslieden, tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking;

bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op donderdag 14 november 2013 te 13:30 uur voor

mr. L. Groefsema, hiertoe benoemd tot raadsheer‑commissaris;

verstaat, voor het geval één van partijen zich tijdens vorenbedoelde comparitie wenst te beroepen op de inhoud van schriftelijke bescheiden, dat deze bescheiden ter comparitie bij akte in het geding moeten worden gebracht, alsmede dat een kopie van die akte uiterlijk veertien dagen voor de datum van de comparitie moeten worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Rowel - van der Linde, mr. L. Groefsema en
mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.