Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8298

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
04-02-2014
Zaaknummer
200.097.436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Aandelen in BV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem/Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.097.436

(zaaknummer rechtbank Zutphen 99236)

arrest van de zesde kamer van 5 november 2013

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

appellante, verder te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. M. Peeters,

tegen:

1 [verweerder 1],

wonende te [woonplaats], verder te noemen: [verweerder 1],

2. [verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [verweerder 2],

3. [verweerster],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [verweerster],

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.B.A.M. van Oss.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 december 2011 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 6 februari 2012; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis van 31 augustus 2011.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Partijen zijn broers en zussen en zijn ieder voor een vierde deel gerechtigd in de nalatenschap van hun moeder die op 29 september 2006 is overleden. De vader van partijen is kort daarvoor op 13 juni 2006 overleden. De nalatenschap van de vader van partijen is geheel verdeeld en afgewikkeld. Ook de nalatenschap van de moeder van partijen is geheel verdeeld met uitzondering van een twaalftal aandelen in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groothandel [B] B.V.

3.2

Groothandel [B] B.V. (hierna ook: de vennootschap) is op 13 juni 1975 opgericht door de ouders van partijen. Bij de oprichting zijn van het maatschappelijk kapitaal, groot f 100.000,- en verdeeld in honderd aandelen, elk groot f 1.000,-, geplaatst en volgestort 20 aandelen, genummerd 1 tot en met 20. Nadien heeft geen uitgifte van aandelen plaatsgehad. Thans zijn [C] Holding B.V, waarvan [verweerder 1] enig aandeelhouder en bestuurder is, en [D] Holding B.V., waarvan [verweerder 2] enige aandeelhouder en bestuurder is, ieder gerechtigd tot 4 aandelen. De overige 12 geplaatste aandelen behoren als vermeld tot de nalatenschap van de moeder van partijen. De vennootschap heeft ten doel de groothandel in parfumerieën en kappersbenodigdheden. [verweerder 1] en [verweerder 2] zijn sedert 1991 werkzaam in de onderneming van de vennootschap en zijn op dit moment beiden bestuurder van de vennootschap. Partijen hebben over de verdeling van de aandelen geen overeenstemming bereikt. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis, voor zover hier nog van belang, de vordering van aan ieder van partijen drie aandelen in de vennootschap toegedeeld. [verzoekster] komt in dit hoger beroep met vijf grieven op tegen deze toedeling. De grieven beogen de verdeling van de aandelen in volle omvang aan de orde te stellen.

3.3

Anders dan [verzoekster] kennelijk meent heeft verdeling van de twaalf aandelen die behoren tot de nalatenschap van de moeder van partijen plaatsgehad. Aan elk van de deelgenoten in die nalatenschap zijn telkens drie aandelen toegedeeld. Ten aanzien van die aandelen is geen sprake meer van enige onverdeeldheid. Dat ieder van de deelgenoten ten gevolge van die verdeling gerechtigd is tot drie aandelen in de vennootschap en dat de deelgenoten samen met de onder 3.2 genoemde B.V.’s (persoonlijke holdings) van de broers de vergadering van aandeelhouders in de vennootschap vormen, maakt dat niet anders. Grief 1 faalt in zoverre.

3.4

Bij de beoordeling van de overige grieven stelt het hof het volgende voorop. De rechter die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van artikel 3:185 lid 1 art. 3:185 lid 1van het Burgerlijk Wetboek (BW) vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en behoeft hij niet — expliciet — in te gaan op hetgeen partijen hadden aangevoerd.

3.5

Het hof overweegt dat [verzoekster] uitdrukkelijk geen toedeling van aandelen aan zichzelf verlangt en toedeling van alle twaalf aandelen aan de overige drie deelgenoten vordert tegen vergoeding aan haar van de overwaarde. [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerster] verlangen nog steeds verdeling van de aandelen als door hen in eerste aanleg in reconventie gevorderd en als door de rechtbank vastgesteld. Zij willen uitdrukkelijk niet de toedeling zoals gevorderd door [verzoekster]. Zij voeren aan dat zij niet in staat zijn de ten gevolge van deze verdeling door hen te vergoeden overbedeling te betalen.

3.6

Het hof constateert op grond van de stellingen van partijen in de memorie van grieven (randnummer 23 slot) en de memorie van antwoord (randnummer 16) en de producties 6 tot en met 8 bij de memorie van grieven dat zowel [verzoekster] als [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerster] de mogelijkheid van verkoop van alle aandelen in de vennootschap aan een derde als een reële mogelijkheid beschouwen. In die verkoop zijn dan kennelijk niet alleen de twaalf aandelen die tot de nalatenschap behoren, maar ook de andere acht aandelen begrepen. Het hof overweegt dat [verzoekster] belang heeft bij een verdeling waarbij niet een of meer van de aandelen aan haar worden toegedeeld en zij in plaats van aandelen geld krijgt, dat [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerster] belang hebben bij een verdeling waarbij zij geen overwaarde hoeven te vergoeden aan [verzoekster] en dat in de continuïteit van de onderneming van de vennootschap waarin naar blijkt uit de (jaar)stukken die als productie 3 bij de memorie van grieven zijn overgelegd naast de broers in elk geval nog andere personen in dienst zijn, een algemeen belang is gelegen. Gelet op al deze belangen en daarmee naar billijkheid rekening houdend is het hof van oordeel dat verdeling van de netto-opbrengst van de aandelen na verkoop daarvan aan een derde als wijze van verdeling het meest in aanmerking komt. De grieven van [verzoekster] falen derhalve voor zover deze strekken tot een keuze voor de door haar gevorderde verdeling. Artikel 3:185 lid 2 onder c BW schrijft voor dat die verkoop op een door de rechter bepaalde wijze dient te geschieden. Om een verrassingsbeslissing op dat punt te voorkomen, zal het hof een comparitie van partijen gelasten om met hen de wijze van verkoop te bespreken en zal ieder verder oordeel aanhouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. J.H. Lieber, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, met het doel als onder 3.6 vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

bij deze comparitie bestaat geen gelegenheid om pleitnotities voor te dragen;

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met maart 2014 zullen opgeven op de roldatum 19 november 2013, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en A.J.H. Blaisse-Ozinga en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.